RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 2464252 CV EXPL 13-4297 Vonnis van de kantonrechter van 3 september 2014 in de zaak [eiser] wonend te [woonplaats], aan de [adres] eisende partij gemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Roermond tegen de besloten vennootschap BREMA-AIR II B.V. statutair gevestigd te Maastricht en aldaar kantoorhoudend aan de Korvetweg 24 (6222 NE) gedaagde partij gemachtigde: (aanvankelijk mr. M. Callemeijn, advocaat te Maastricht, maar thans:) mr. J.A. van Soolingen, advocaat te Budel Partijen zullen hierna als “[eiser]” respectievelijk “Brema” aangeduid worden De procedure [eiser] heeft Brema bij dagvaarding van 15 oktober 2013 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan Brema tien producties in fotokopievorm betekend zijn. Brema heeft - na herhaald uitstel - op 22 januari 2014 schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van vier producties (eveneens in gefotokopieerde vorm). De kantonrechter heeft vervolgens een persoonlijke verschijning van partijen gelast, die op dinsdag 18 maart 2014 haar beslag gekregen heeft. Daaraan voorafgaand heeft Brema nog een vijfde productie aan het procesdossier doen toevoegen en heeft [eiser] aanvullend (louter in gefaxte versie) de producties 12 tot en met 15 ingediend (de nummering is afgestemd op die van een ander dossier, de zaak onder nummer 2464276 CV EXPL 13-4298). Van de comparitie van partijen in deze zaak en tegelijkertijd in de verwante zaak 2464276 CV EXPL 13-4298 op 18 maart 2014 is proces-verbaal opgemaakt. De kantonrechter heeft in de beiderzijds bij dit proces-verbaal geplaatste kanttekeningen geen reden tot aanpassing gevonden en heeft dit partijen laten weten. Partijen hebben de haar geboden gelegenheid om na de zitting te trachten tot overeenstemming te geraken, mogelijk wel benut maar zonder resultaat, zodat - overeenkomstig de gemaakte afspraak - het debat schriftelijk voortgezet is. Eerst heeft [eiser] ter rolzitting van 30 april 2014 van repliek gediend onder bijvoeging van de producties ‘12 tot en met 17’ (de nummering sluit niet aan op de al bekende stukken). Vervolgens heeft Brema op 28 mei 2014 een conclusie van dupliek met de producties 6 tot en met 15 genomen. Omdat met partijen afgesproken was dat deze laatste producties op voorhand ter beschikking gesteld zouden worden aan mr. Van den Heuvel, wordt ervan uitgegaan dat zij de inhoud daarvan al in de repliek heeft kunnen betrekken, zodat geen gelegenheid tot het nemen van een extra akte meer geboden is. Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is. Het geschil [eiser] vordert, onder vernietiging van ‘de beëindiging van de arbeidsovereenkomst’, de veroordeling van Brema - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot tewerkstelling in zijn oorspronkelijke functie (binnen 24 uur na betekening van een daartoe strekkend vonnis) en tot betaling van het loon ‘vanaf’ (met ingang van) 1 september 2013 (‘het inmiddels achterstallige salaris’) ad € 2 764,00 bruto met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en daarnaast ‘het gebruikelijke salaris’ naar een maandbedrag van € 2 764,00 bruto tot het eindmoment van de arbeidsovereenkomst (zonder enig surplus), alsmede de verwijzing van Brema in de proceskosten. [eiser] baseert de vorderingen - samengevat - op de feiten zoals deze zijn komen vast te staan (zie hieronder) en in het bijzonder op de navolgende stellingen: Brema-Air II is opvolgend werkgeefster ten opzichte van Brema-Air I, bij wie [eiser] op de datum van faillissement krachtens arbeidsovereenkomst in dienst was; de banden tussen de ene en de andere werkgeefster voldoen immers aan de criteria die de Hoge Raad daarvoor in met name het arrest Van Tuinen in 2012 formuleerde; de tussenkomst van Interduct Holding B.V. (verder ook: Interduct) als overnemende partij bij de doorstart kan niet beschouwd worden als een doorslaggevende breuk, waar tussen de leiding van Interduct en die van Brema-Air I banden bestonden en al eerder sprake was van samenwerking van deze ‘concurrenten’ bij projecten; er bestond een vriendschappelijke relatie van Brema-Air I-directeur [naam directeur Brema Air I] en de latere Brema-directeur [naam directeur Brema Air II 1], die ooit collega’s geweest zijn, terwijl genoemde [naam directeur Brema Air II 1] namens Interduct voorafgaand aan de overname diverse malen het bedrijf bezocht had toen het nog niet in staat van faillissement verkeerde; de zuster- of dochterondernemingen Meercox en Bemar Ventilatietechniek hebben voorafgaand aan de integratie in de Interductgroep deel uitgemaakt van Brema-Air I en mede daarop is/zijn de vriendschap en/of samenwerking van [naam directeur Brema Air I] en [naam directeur Brema Air II 1] gebaseerd; [naam directeur Brema Air I] heeft het personeel geselecteerd dat in aanmerking kwam om in dienst van Brema over te gaan na of in verband met het faillissement van Brema-Air I en de direct daaropvolgende deal van de curator met Interduct die tot de doorstart leidde; het was ook [naam directeur Brema Air I] die per e-mailbericht van vrijdag 5 juli 2013 het (geselecteerde) personeel ‘van harte’ uitnodigde voor een bijeenkomst op maandag 8 juli 2013 waar de nieuwe directeur [naam directeur Brema Air II 1] een ‘kleine toespraak’ zou houden over de ‘succesvol plaatsgevonden doorstart’; voor het overige heeft tussen de directies (en het management) van Brema-Air I en de overnamekandidaat Interduct meer dan eens voorafgaand aan de doorstart overleg plaatsgevonden; dit bewerkstelligde dat kennis van de competenties, kennis en vaardigheden van het aanwezige personeel overgebracht is en dat (mede in combinatie met de personeelsselectie door [naam directeur Brema Air I]) sollicitatiegesprekken achterwege gelaten konden worden (daadwerkelijk nagelaten zijn); [naam directeur Brema Air I] heeft zich tevens belast met de selectie van personeel dat na 31 augustus 2013 voor de overnemer / het gefuseerde bedrijf Brema) zou blijven werken; een aanzienlijk deel van het management (directeur, hoofd bedrijfsbureau en chef tekenkamer) is van Brema-Air I overgegaan naar Brema; [eiser] verrichtte bij de opvolgende ondernemingen identieke arbeid in de functie van tekenaar; dit opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW brengt met zich dat ten tijde van aanzegging van niet-verlenging van de relatie met Brema per 1 september 2013 die aanzegging als een op de voet van art. 9 BBA vernietigbare opzegging beschouwd moet worden omdat er laatstelijk sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. [eiser] weerspreekt in voortgezet debat hetgeen Brema bij antwoord tegen de vordering ingebracht heeft. Hij verwijst voor het argument dat Brema-Air I en Interduct geen concurrenten waren, naar de door Brema zelf ingebrachte verklaring van [naam directeur Brema Air I] (prod.6). Hij beschrijft ter ondersteuning hiervan ook het voorbeeld van de opdracht voor de Giesbers Brede School in Mill. De verklaring van [naam directeur Brema Air I] bevestigt dat er al voor het faillissement onderhandelingen over overneming liepen, hetgeen ook al bleek uit uitlatingen van de heer [naam directeur Brema Air II 2] ter gelegenheid van de comparitie van partijen. Interduct werd aldus bevoordeeld boven andere eventuele overnamekandidaten. De personeelsselectie heeft wel degelijk door [naam directeur Brema Air I] plaatsgevonden en wel voorafgaand aan het per e-mailbericht d.d. 5 juli 2013 te 18:15 uur uitnodigen van de kandidaten die voor herplaatsing in aanmerking kwamen: die zijn namelijk allemaal door Brema in dienst genomen. Het feit dat [naam directeur Brema Air I] tevens de afwijzingsbrieven stuurde aan niet uitgenodigde werknemers van Brema-Air I, onderstreept zijn centrale rol in dezen. Onder die afgewezenen bevonden zich ook personen die wel degelijk betrokken waren bij een lopend project ([werknemer 1] en [werknemer 2] bijvoorbeeld), terwijl omgekeerd een werknemer [werknemer 3] op de lijst die Brema hanteert (prod.13 bij dupliek) niet aan een project gekoppeld was en desondanks een contract kreeg. De conclusie moet dan ook luiden dat het argument van Brema dat de selectie op dat type werknemer in een al lopend project gericht was, niet opgaat. Dat argument speelde dan kennelijk weer niet toen [eiser] geen verlenging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 september 2013 kreeg, hoewel hij toen nog steeds bij een project betrokken was en zijn werk aan een ander moest overdragen. [eiser] acht het opmerkelijk dat [naam directeur Brema Air I] eind augustus 2013 ‘nog steeds de feitelijke leiding had en nog steeds de managementbeslissingen ook met betrekking tot het personeel nam’, getuige zijn optreden bij de aankondiging aan [eiser], [werknemer 4], [werknemer 5], [werknemer 6] en [werknemer 7] dat zij niet langer voor Brema konden blijven werken en het feit dat met deze werknemers tot dan toe geen enkel gesprek gevoerd was door de nieuwe bestuurders [naam directeur Brema Air II 2] en [naam directeur Brema Air II 1]. In haar verweer meent Brema afdoende te weerleggen dat sprake geweest is van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW en voert zij feitelijke argumenten aan die volgens haar onderstrepen dat niet voldaan is aan de jurisprudentiële eis van ‘zodanige banden’ tussen de failliete onderneming en de doorstarter / overnemer. Zij beschouwt Interduct als een ‘willekeurige derde’ zonder zulke hechte banden met de failliete voorganger. Brema is van oordeel dat de voor korte duur aangegane arbeidsovereenkomst van [eiser] deswege van rechtswege geëindigd is en dat de vorderingen van [eiser] hierop afstuiten. In het bijzonder is in dit verband verwezen naar producties en feitelijke stellingen die volgens Brema tot de volgende conclusies leiden: Brema-Air I en Interduct (of de dochter Meercox) waren tot het moment van overneming en in ieder geval vanaf 1992 (splitsing) concurrenten; de curator is na het faillissement van Brema-Air I ‘met diverse gegadigden in gesprek getreden’, in verband waarmee Interduct een bod gedaan heeft dat - blijkens bericht d.d. 5 juli 2013 van de curator - ‘het hoogste’ was en dus aanvaard werd, waarna een activa-overdracht plaatsgevonden heeft met inbreng in de op 17 juli 2012 nieuw opgerichte vennootschap Brema-Air II onder directie van de heren [naam directeur Brema Air II 2] en [naam directeur Brema Air II 1] (als onderdeel van Interduct Holding B.V.); de heren [naam directeur Brema Air II 1] en [naam directeur Brema Air II 2] hebben ‘in de periode tussen datum faillissement en koop activa’ het besluit ‘moeten nemen’ tot inbreng van de activa in de nieuwe vennootschap en tot splitsing van de activiteiten ‘in de daaropvolgende periode’; ‘gekeken’ is door genoemde heren (toen) welke werknemers bij de overgenomen (lopende) projecten betrokken waren en ‘enkel’ hun is ‘zonder nadere (sollicitatie)gesprekken’ een arbeidsovereenkomst ‘tot’ (bedoeld zal zijn tot en met) 31 augustus 2013 aangeboden. met name aan werknemers in algemene dienst en aan hen die ‘(geruime tijd) ziek’ ‘ waren is zo’n aanbod niet gedaan; volgens Brema had Interduct ‘geen zicht op het functioneren’ van de werknemers (dat bijgevolg in haar visie ‘géén rol heeft gespeeld bij de selectie’); per 1 september 2013 zijn de projectactiviteiten van Meercox en Brema-Air II (Brema) samengevoegd in Maastricht onder de naam Brema; dat de uitnodiging aan de werknemers voor de bijeenkomst van 8 juli 2013 gestuurd is door [naam directeur Brema Air I], is correct, maar betwist wordt dat [naam directeur Brema Air I] ‘de selectie hiervoor gemaakt heeft’; [naam directeur Brema Air II 1] heeft tijdens de bijeenkomst op 8 juli 2013 ‘aangegeven dat hij de heer [naam directeur Brema Air I] van vroeger kende, maar dat is alles’; [naam directeur Brema Air II 2] stuurde sinds 2008 Meercox aan; omdat er door de fusie van Meercox en Brema te veel tekenaars in de nieuwe setting waren, is de ‘functie van (onder andere) [eiser] komen te vervallen’ en is hem per 1 september 2013 geen nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden; [naam directeur Brema Air I] is thans nog voor Brema werkzaam, maar onder de vigeur van een overeenkomst van opdracht (managementovereenkomst); “Voorafgaand aan de doorstart heeft enkel een oriënterend overleg plaats gevonden over een mogelijke overname van (de activiteiten van) Brema-Air, op initiatief van BDO en de huisbankier”. In voortgezet debat is van de zijde van Brema ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 18 maart 2014 verder nog verklaard dat niet bekend is op welke criteria de curator van de vijf overnamekandidaten voor Interduct koos (het faillissementsverslag, prod.5 van Brema, geeft daar onvoldoende duidelijkheid over, zij het dat daarin slechts drie kandidaten, onder wie Interduct, als serieus aangemerkt zijn en dat er zich uiteindelijk nog één van die drie teruggetrokken heeft, zodat er uit slechts twee resterende kandidaten gekozen is). Ook heeft bij die gelegenheid bestuurder [naam directeur Brema Air II 2] doen weten al op 7 juni 2013 over Brema getipt te zijn door BDO. (Mede) omdat de heren [naam directeur Brema Air II 1] en [naam directeur Brema Air I] elkaar van vroeger kenden, heeft er op 17 juni 2013 een oriënterend bezoek plaatsgevonden aan de vestiging van Brema-Air I, waarbij in ieder geval [naam directeur Brema Air II 2] enthousiast geraakt is en waarna Interduct ging overwegen of een overname op basis van een aandelentransactie mogelijk was. Omdat - zoals [naam directeur Brema Air II 2] letterlijk zei - ‘het bedrijf ver heen was’, wilde Interduct niet overnemen ‘zonder dat de schulden gesaneerd zouden worden’. Feit is dat voorafgaand aan het op 2 juli 2013 uitgesproken faillissement een door Brema-Air I aangenomen project bij de Giesbers Brede School in Mill aan Meercox overgedragen is voor een lager bedrag dan waarvoor het aangenomen was (en in die gedaante door de fusie in de nieuwe vennootschap terechtgekomen is). De curator blijkt naar aanleiding van door de kantonrechter ter zitting van 18 maart 2014 gestelde vragen deze kwestie nader te willen ‘bekijken’, getuige zijn antwoord d.d. 24 maart 2014 op vragen van de gemachtigde van Brema (prod.9 bij dupliek). Bij dupliek heeft Brema op onderdelen haar stellingname toegespitst en/of aangevuld. Verwijzend naar de literatuur en de jurisprudentie pleit zij voor een zeer restrictieve uitleg van opvolgend werkgeverschap in een faillissementssituatie (beperking tot het geval van concernverhoudingen of voortzetting door ‘in feite dezelfde ondernemer’). Zij is van oordeel dat Interduct als ‘een willekeurige derde’ aan te merken is en legt er verder de nadruk op dat de actuele bestuurders andere natuurlijke personen zijn dan de bestuurder van Brema-Air I. In ieder geval had de overnemende partij in haar visie ‘geen zicht op de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemers’ van de over te nemen onderneming. De contacten tussen [naam directeur Brema Air II 1] en [naam directeur Brema Air I] waren in de loop der jaren na 1991 (toen zij één jaar collega’s waren) schaars en incidenteel. Voorafgaand aan het faillissement had Brema-Air I, dat in problemen verkeerde, contact met meer branchegenoten dan Interduct. Aan de kwestie van de Giesbers Brede School geeft Brema de uitleg dat onderaannemer Tibo-Veen Installatietechniek het aan Brema-Air I gegunde werk (kennelijk dus als getrapte onderaannemer) op 28 juni 2013 de overeenkomst ontbond en alsnog gunde aan Meercox (de tweede inschrijver). Uit prod.10 - waarnaar Brema verwijst - blijkt dat aan dit initiatief (althans aan de ‘bevestiging’ per brief) een ‘overeenkomst’ of afspraak van Brema-Air en directeur [naam directeur Tibo-Veen] van Tibo-Veen van diezelfde ochtend ten grondslag lag en dat bekendheid met de faillissementsaanvraag d.d. 26 juni 2013 daarvoor bepalend was. Volgens Brema heeft [naam directeur Brema Air II 2] ter zitting van 18 maart 2014 ‘niet’ verklaard dat voor overname de schulden van Brema-Air I gesaneerd zouden moeten worden en was het hem er ‘slechts’ om te doen dat “going concern” overnemen voor Interduct ‘kansloos zou zijn door de hoge kosten’. Aanvragen van faillissement was (voor [naam directeur Brema Air I]) onvermijdelijk. Het is de curator die uiteindelijk besliste welke partij zou overnemen. De curator bevestigt ‘de hoogste bieder’ gekozen te hebben in overleg met de rechter-commissaris. Er is ook uitdrukkelijk gekeken naar het aantal werknemers dat een werkaanbod kreeg. [werknemer 3] is alsnog een arbeidsovereenkomst aangeboden nadat gebleken was dat hij (ook/toch) bij een project betrokken was. [werknemer 2] kwam niet in aanmerking omdat hij voorafgaand aan zijn vroegpensioen vakantie wenste op te nemen. [werknemer 1] was per 1 juli 2013 niet aan een project verbonden. Per 1 september 2013 is ervoor gekozen (een ‘strategische keuze van de nieuwe eigenaar’) om bij dubbele functies voorrang te verlenen aan ‘Meercox-werknemers’, die alle voor onbepaalde duur in dienst waren, en om de tijdelijke contracten van degenen die van Brema-Air I afkomstig waren (die hadden immers alle 95 een bepaalde duur), te laten aflopen. Er zijn op basis van deze beleidskeuze diverse werknemers van Brema-Air I boven 50 jaar in dienst gebleven (althans naar de zusteronderneming Interduct Products gegaan) omdat hun functie niet dubbelde. Er is dus (per 1 september 2013) niet op leeftijd geselecteerd. [naam directeur Brema Air I] had daar geen enkele bemoeienis mee. De opzeggingsbrieven die hij kort na de overname verzond, waren niet afgestemd met de heren [naam directeur Brema Air II 1] en [naam directeur Brema Air II 2]. Inmiddels (per 28 mei 2014, datum dupliek) was besloten de managementovereenkomst ten aanzien van [naam directeur Brema Air I] niet voort te zetten, zodat hij ‘op korte termijn geen deel meer (zou) uitmaken van de Interduct Groep’. Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder de feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling. De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast. [eiser], geboren op [geboortedatum], is van 1 mei 1995 tot 5 juli 2013 als tekenaar krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in dienst geweest van Brema-Air I tegen een brutoloon van € 2 764,00 per maand. Brema-Air I is op 2 juli 2013 in staat van faillissement geraakt en mr. R.J.M.C. Rosbeek te Maastricht heeft als curator op 4 juli 2013 aangekondigd de lopende arbeidscontracten te zullen beëindigen op een termijn van zes weken. Op vrijdag 5 juli 2013 heeft de curator overeenstemming bereikt met Interduct Holding B.V. over een doorstart van de onderneming en over de financiële en andere condities daarvan. Enige uren daarna (te omstreeks 18:15 uur) hebben [eiser] en andere werknemers in dezelfde positie per e-mail van M.W.[naam directeur Brema Air I], bestuurder van Brema-Air I, naast een bericht over de doorstart een uitnodiging ontvangen om op maandag 8 juli 2013 aanwezig te zijn bij een ‘kleine toespraak’ van de directeur van de Interduct Groep. Bij de groep uitgenodigde werknemers bevond zich geen enkele werknemer in algemene dienst noch enige zieke werknemer. Voor die bijeenkomst waren uitsluitend de
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.