RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 3142221 CV EXPL 14-6738 Vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2014 in de zaak de besloten vennootschap INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V. gevestigd en kantoorhoudend te Den Haag (door eisende partij aangeduid met de vroegere gemeentenaam ’s-Gravenhage) verder ook te noemen: “Intrum” eisende partij gemachtigde: een ongenoemd gelaten persoon ten kantore van “de Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders” te Eindhoven (dan wel toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder E.Ch. Lakens te Roermond, die in deze zaak het exploot van dagvaarding betekende) tegen [gedaagde] wonend te [woonplaats], [adres] verder ook te noemen: “[gedaagde]” gedaagde partij gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling, advocaat te Heerlen De procedure Intrum heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 2 juni 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee als producties onder de nummers 1 en 2 overzichten van facturen en incassoactiviteiten alsmede - als productie 3 - een kopie van een brief aan [gedaagde] betekend zijn (de betekening was niet in persoon). [gedaagde] heeft via zijn gemachtigde - na herhaald uitstel - op 13 augustus 2014 schriftelijk geantwoord en de vordering naar bestaan en omvang betwist. In verband met aard en inhoud van eis en verweer heeft de kantonrechter, mede om redenen van proceseconomie, aanstonds eindvonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan wordt. Het geschil en de feiten a. het geschil (de vordering en de wijze van presentatie daarvan, afgezet tegen het verweer van de gedaagde partij) Intrum vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 841,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 716,13 vanaf 27 mei 2014 (d.w.z. met ingang van 28 mei 2014) tot de datum van volledige voldoening, en tevens tot betaling van de te liquideren proceskosten. Subsidiair acht Intrum het opportuun haar vordering te ‘beperken’ tot € 25,000,00, getuige de uitdrukkelijk in het exploot van dagvaarding opgenomen toevoeging aan het petitum: “hoofdsom en rente tezamen een bedrag van € 25.000,00 niet te bovengaand” (een beperking die of een voorbehoud dat iedere betekenis ontbeert in het licht van het primair per datum dagvaarding gevorderde - aanzienlijk lagere - bedrag van € 841,67 plus een bedrag aan wettelijke rente over een zelfs nog lager bedrag aan hoofdsom voor de dagen 28 mei tot en met 2 juni 2014). De hoofdvordering baseert Intrum op een door haar met Vodafone Libertel B.V. te Maastricht (een telecomonderneming die toegang verleent tot netwerken van vaste en mobiele telefonie; verder aan te duiden als “Vodafone”) ‘terzake het kopen van vorderingen’ gesloten overeenkomst, die zij bereid is (in kopie) te ‘overleggen’ (over te leggen). Bij exploot is de gestelde ‘koop’ niet gespecificeerd naar datum, wijze van totstandkoming en inhoud. Hetzelfde geldt voor een in dat verband vaag aangeduid ‘overdrachtsbestand’ van ‘gegevens’ met betrekking tot de gekochte vorderingen. [gedaagde] heeft zich volgens Intrum op enig moment ‘bij Vodafone Libertel B.V. aangemeld om tegen betaling van deze diensten gebruik te mogen maken, welke aanmelding door Vodafone Libertel B.V. is gehonoreerd’. De aldus volgens Intrum tussen Vodafone en [gedaagde] gesloten overeenkomst voor bepaalde tijd, een termijn van ‘0024 maanden’, dateert van ‘03012013’en is op ‘05072013’ beëindigd (‘beeindigd’ volgens het exploot). Ook de telefonieovereenkomst met [gedaagde] is naar inhoud niet beschreven, noch geciteerd of per relevant onderdeel aangehaald en evenmin is de tekst van een contractformulier en/of van eventueel toepasselijk te achten bijkomende voorwaarden overgelegd. Hoe de toepasselijkheid van volgens Intrum relevante algemene voorwaarden bedongen is, is evenmin verklaard. Er zou sprake zijn van een uit prod.1 blijkende vordering van € 716,13, doch het in die productie verschafte ‘overzicht’ somt slechts zes data en zes bedragen op, waarvan er één klaarblijkelijk een creditpost betreft, getuige het minteken achter het bedrag. De verdere herkomst is onduidelijk. Dat het hier gaat om facturen die aan [gedaagde] gezonden zijn door Vodafone, is niet met zoveel woorden gesteld, laat staan dat ook de voor het rechtseffect bepalende ontvangst daarvan (art. 3:37 lid 3 BW) als stelling naar voren gebracht is. Een van de bedragen (Intrum zegt niet welk bedrag) zou de benaming ‘schadenota’ dragen en daarop zou 25% gecrediteerd zijn in verband met anticipatie op ambtshalve rechterlijke toetsing van een of meer algemene voorwaarden. [gedaagde] zou aan vaste kosten en/of gebruikskosten voor een vaste dan wel mobiele telefoonaansluiting (het exploot vermeldt hieromtrent immers niets en het ‘overzicht’ evenmin) op een ongenoemd adres € 716,13 aan Vodafone onbetaald gelaten hebben. Hij is volgens Intrum jegens Vodafone op een ongenoemd moment ‘toerekenbaar tekort geschoten in zijn/haar betalingsverplichtingen en daarmee in verzuim geraakt’. Hoe en wanneer dat verzuim - van rechtswege kennelijk in de optiek van Intrum, want zonder een uitdrukkelijk aan de orde gestelde ingebrekestelling - ingetreden zou zijn, is niet gesteld. Tot slot heeft Vodafone in de door Intrum gebruikte terminologie “de, door het niet nakomen van de betalingsverplichtingen door gedaagde thans haar opeisbare vordering verkocht aan eiseres, waardoor eiseres eigenaresse is geworden van deze vordering”. Intrum concludeert uit deze redenering tot het bestaan van een eigen vordering: “Eiseres heeft uit hoofde het hiervoor omschrevene van Gedaagde te vorderen gekregen € 716,13”. De samenstelling, het beloop en de feitelijke grondslag van de (vijf of zes onderdelen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.