← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2014:9887

RECHTBANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.085929.14 (ontneming) Datum uitspraak : 13 november 2014 Tegenspraak Uitspraak van de politierechter op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], [adres], hierna te noemen: [verdachte]. Raadsvrouwe is mr. K.D.M. Schepers, advocate te Sittard. 1Het onderzoek van de zaak Deze uitspraak is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober

  1. De politierechter heeft op 30 oktober 2014 gehoord de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouwe mr. K.D.M. Schepers, advocate te Sittard. De behandeling van de ontnemingsvordering had gelijktijdig plaats met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.085929.
  2. Op 30 oktober 2014 heeft de politierechter eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De standpunten van de officier van justitie en de verdediging 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie houdt in de ontneming van het voordeel dat [verdachte] heeft verkregen uit de baten van eerdere strafbare feiten, zijnde twee eerdere oogsten van 160 hennepplanten. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op 19.626,66 euro en heeft verzocht betaling van dit bedrag aan [verdachte] op te leggen. 2.2 Het standpunt van de verdediging [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij de hennepkwekerij in het begin van het jaar 2013 zelf heeft opgebouwd. De eerste oogst had een opbrengst van ongeveer 2,5 kilogram hennep, waarbij [verdachte] per kilogram ongeveer een bedrag van 3.100,- euro ontving. Voor deze eerste oogst heeft [verdachte] een bedrag van ongeveer 7.500,- euro ontvangen. [verdachte] verklaart bovendien dat de tweede oogst mislukt is. De derde oogst is door de politie aangetroffen. Raadsvrouwe mr. Schepers heeft ter terechtzitting aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil dient te worden gesteld. Bij de berekening moet volgens de verdediging op grond van het procesdossier worden uitgegaan van een totaal van 125 hennepplanten. [verdachte] heeft voor zijn eerste oogst een bedrag van ongeveer 7.500,- euro ontvangen. De elektriciteitskosten dienen van dit bedrag te worden afgetrokken. Immers, [verdachte] heeft inmiddels aan Enexis B.V. een bedrag van 2.237,37 euro voldaan in verband met de weggenomen energie. Daarnaast heeft [verdachte] een bedrag van 3.956,81 euro aan belasting betaald over een vermeend inkomen van 10.000,- euro in het jaar
  3. Dit vermeend inkomen is gerelateerd aan de vermeende opbrengst van de hennepkwekerij. Tot slot voert de verdediging aan dat ook de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van accountantswerkzaamheden van voornoemd bedrag dienen te worden afgetrokken. 3De uitgangspunten voor de beoordeling Bij voormeld vonnis van heden is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 25 juni
  4. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dateert van 29 augustus
  5. De officier van justitie heeft de vordering aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden of andere strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan. 4Het bewijs Indien tegen deze verkorte uitspraak hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op de uitspraak. Deze aanvulling wordt dan aan de uitspraak gehecht. 5De schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De politierechter is van oordeel dat [verdachte] door middel van het telen van hennep voorafgaand aan de aangetroffen teelt voordeel heeft verkregen. De politierechter stelt vast dat verdachte twee keer eerder geoogst heeft, gelet op de netmeting die heeft plaatsgevonden in de periode van 7 februari 2013 tot en met 11 februari
  6. Op deze netmeting zijn in- en uitschakelmomenten te zien. Dit patroon komt overeen met het gebruik van schakelklokken in combinatie met assimilatieverlichting in de hennepteelt. Op 25 juni 2013 is bij [verdachte] een in gebruik zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De politierechter is van oordeel dat [verdachte] in de periode van 11 februari 2013 tot en met 25 juni 2013 twee keer heeft geoogst. Algemeen bekend is immers dat na 10 weken teelt de hennep geoogst wordt. In dit tijdvak zijn derhalve twee teeltcycli mogelijk. Met betrekking tot de kosten overweegt de politierechter het volgende. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komen slechts die kosten voor aftrek in aanmerking die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Met betrekking tot belastingheffing en accountantskosten is aan dit criterium niet voldaan. Immers hebben deze kosten niet gediend tot het verkrijgen van het voordeel. 5.1 De berekening en de motivering van de schatting De politierechter zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op 18.301,06 euro. De politierechter is bij de berekening van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het volgende: twee eerdere oogsten van 160 planten; de gemiddelde opbrengst volgens BOOM van 23 gram per hennepplant; de kiloprijs van de hennep van 3.100,- euro. De schatting is derhalve als volgt: 1Opbrengst:160 planten x 23 gram = 3.68 kilogram x 3.100,- euro = 11.408,- euro. 11.408,- x 2 oogsten = 22.816,- euro
  7. Kosten: Afschrijvingskosten: 150,- euro x 2 oogsten = 300,- euroVariabele kosten: 988,80 euro x 2 oogsten = 1.977,60 euro Kosten elektriciteit: 2.237,34 euro Totale kosten: 300,- euro + 1.977,60 euro + 2.237,34 euro = 4.514,94 euro
  8. Het wederrechtelijk verkregen voordeel: 22.816,- euro – 4.514,94,- euro = 18.301,06 euro Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op een bedrag van 18.301,06 euro. Ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal aan [verdachte] de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van 18.301,06 euro. De politierechter acht geen termen aanwezig het door [verdachte] te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. 5.2 De op te leggen betalingsverplichting De politierechter zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van 18.301,06 euro aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 6De toegepaste wetsartikelen De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde. 7De beslissing De politierechter: - stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op 18.301,06 euro; - legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van 18.301,06 euro. Deze uitspraak is gegeven door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Bruns, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.