vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/183370 / HA ZA 13-332 Vonnis van 18 februari 2015 in de zaak van de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V. gevestigd te Amsterdam eiseres in conventie, verweerster in reconventie advocaat mr. J. Meuleman tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WIJCKERVESTE ADVISEURS B.V. gevestigd te Maastricht kantoor houdende te Kerkrade gedaagde in conventie, eiseres in reconventie advocaat mr. Y.H.M. Einig. Partijen zullen hierna de Bank en Wijckerveste genoemd worden. 1De procedure 1.1 Het procesverloop tot 17 december 2014 blijkt uit het tussenvonnis van die datum (verder: “het tussenvonnis”). Het procesverloop daarna blijkt uit: - de akten van beide partijen van 14 januari 2014 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling In conventie en in reconventie 2.1 In het tussenvonnis heeft de rechtbank beide partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de verdere behandeling en beslissing in de zaak ABN AMRO Bank N.V. / [naam 1] met nummer C/10/445712/HA ZA 14-241 (verder: “de zaak Bank/[naam 1]”) die door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 15 oktober 2014 is verwezen naar deze rechtbank. De Bank heeft zich aldus uitgelaten dat in de zaak Bank/[naam 1] op 10 september 2014 is geantwoord terwijl de onderhavige procedure voor vonnis staat, waardoor gelijktijdig vonnis in beide gevoegde zaken te veel vertraging in de onderhavige zaak zal opleveren, reden waarom zij afziet van gevoegde behandeling. Wijckerveste heeft zich aldus uitgelaten dat zij en [naam 1] wensen dat beide zaken gezamenlijk worden behandeld en daarin wordt beslist door de rechter die dit vonnis wijst. 2.2 Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis is het aan de aanlegger (de Bank) om in de verwezen procedure (Bank/[naam 1]) aan de rechter naar wie is gewezen (deze rechtbank) afschriften van de op de procedure betrekking hebbende stukken over te leggen en om de andere partij ([naam 1]) bij exploot op te roepen tot voortprocederen in de verwezen procedure. Nu de Bank dit heeft nagelaten, hetgeen haar vrij staat, wordt thans (slechts) vonnis gewezen in de onderhavige zaak. In conventie 2.3 De Bank legt aan haar vordering ten grondslag de kredietovereenkomst tussen partijen van 5 juni 2009 die is geëxpireerd op 1 juni 2010, waarna zij Wijckerveste bij schriftelijke sommatie nog de gelegenheid heeft gegeven uiterlijk op 15 juli 2010 het krediet af te lossen. Nu Wijckerveste dit niet heeft gedaan, vordert de Bank haar veroordeling tot betaling van het restant van het krediet per 18 juli 2013, € 999.580,54, te vermeerderen met rente en kosten waaronder de kosten van het door de Bank gelegde beslag onder ING Bank. 2.4 Wijckerveste heeft als primair verweer gevoerd dat het de Bank niet vrij stond om het krediet op de expiratiedatum van de overeenkomst geheel op te eisen omdat de Bank krachtens afspraak tussen partijen (zie hierna onder 2.5) althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (zie hierna onder 2.6) gehouden was en is de kredietrelatie voort te zetten, althans dat de door de Bank gegeven redenen de beëindiging van de relatie niet kunnen dragen (zie hierna onder 2.7). 2.5 Vast staat dat de kredietrelatie tussen partijen (aan de kant van de Bank: haar rechtsvoorganger Fortis Bank) dateert van 29 december 2005 en is aangegaan (mede) op initiatief van de Bank, en dat partijen met de initiële overeenkomst een bestendige kredietrelatie beoogden die in beginsel telkens zou worden verlengd. Wijckerveste stelt nu, samengevat, dat deze wijze van totstandkoming van de overeenkomst en dit overeengekomen beginsel meebrengen dat de Bank gehouden was de overeenkomst op de laatste expiratiedatum, 1 juni 2010, opnieuw te verlengen, althans dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Bank dit zou doen, één en ander gelet op het feit dat Wijckerveste harerzijds haar verplichtingen steeds tijdig is nagekomen en haar vermogenspositie is verbeterd. 2.5.1 Het verweer dat de Bank krachtens overeenkomst tussen partijen verplicht was het krediet per 1 juni 2010 te verlengen, faalt. Het zou hebben kunnen slagen wanneer partijen de op 29 december 2005 tot 1 januari 2007 aangegane kredietovereenkomst (periodiek) zonder meer zouden hebben verlengd en de omstandigheden sedert het aangaan althans de laatste verlenging van de overeenkomst (op 2 juni 2009 tot 1 juni 2010) niet substantieel zouden zijn gewijzigd. Zo is het echter niet gegaan. De enige verlenging zonder meer is die van 9 januari 2007 “tot wederopzegging”. Op 2 juni 2009 is niet díe overeenkomst verlengd of de voortzetting ervan bevestigd maar hebben partijen een nieuwe overeenkomst gesloten, uitdrukkelijk voor de bepaalde tijd tot 1 juni 2010, waarin ook een ten opzichte van de vorige nieuwe voorwaarde is opgenomen: dat de Bank een haar conveniërend taxatierapport inzake de registergoederen te Spaubeek zal ontvangen. Daaruit blijkt de intentie van de Bank om die nieuwe overeenkomt van 2 juni 2009 slechts aan te gaan - of zo men wil: de bestaande kredietfaciliteit per die datum slechts te verlengen - in verband met de voortgang van het project van Wijckerveste te Spaubeek, en om tot een definitief einde van de kredietovereenkomst te komen wanneer die voortgang voor de Bank onbevredigend zou zijn. Dat laatste heeft zich kennelijk voorgedaan, hetgeen reeds volgt uit de onweersproken stelling van de Bank dat aan de voorwaarde van ontvangst van het taxatierapport niet tijdig is voldaan. Het kan niet anders dan dat ook Wijckerveste zich bij het aangaan - of zo men wil: verlengen voor bepaalde tijd - van de overeenkomst van die intentie van de Bank, en van het einde van de overeenkomst op de nieuw overeengekomen einddatum bij gebreke van vervulling van de voorwaarden van de Bank, bewust is geweest. Dat blijkt uit haar e-mail van 9 juni 2011 aan de Bank, waarin zij pogingen in het vooruitzicht stelt om alsnog de door de Bank gewenste voortgang in het project te krijgen teneinde uit de daarmee te behalen winst het krediet sneller te kunnen aflossen. 2.5.2 Aan het oordeel dat de overeenkomst op 1 juni 2010 is geëindigd en dat het de Bank daarom vrij stond de hoofdsom van het krediet op te eisen, doet niet af - indien al juist; Wijckerveste stelt het en biedt aan het te bewijzen, de Bank betwist het - dat medewerkers van de Bank in de aanloop naar die datum gesprekken hebben gevoerd met [naam 1] van Wijckerveste over een verdere verlenging van het krediet en hebben “aangegeven akkoord te zijn met een verdere continuering van het rekening-courantkrediet”. Wijckerveste stelt immers vervolgens (conclusie van antwoord onder 6) dat dit akkoord geformaliseerd moest worden in een schriftelijke overeenkomst en dat de medewerkers waarmee [naam 1] had gesproken werden ‘overruled’ door hun superieuren bij de Bank. Daarmee erkent Wijckerveste dat in die gesprekken geen overeenkomst tot stand is gekomen die voor de Bank een verbintenis heeft geschapen. Dan kon Wijckerveste aan dit gesprek ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de kredietrelatie zou worden voortgezet. Zij kon dit evenmin ontlenen aan de naderhand nog met medewerkers van de Bank gevoerde telefoongesprekken en correspondentie, nu ook volgens de eigen stellingen van Wijckerveste daarin slechts te kennen is gegeven dat de Bank bereid was een verlenging van de kredietfaciliteit te bespreken maar daartoe geen toezegging heeft gedaan. 2.6 De redelijkheid en billijkheid, hoe vermogend ook in het recht, kunnen geen verbintenissen scheppen maar slechts aanvullend of beperkend werken ten aanzien van verbintenissen die uit andere bron zijn ontstaan. Nu die laatste, gelijk hiervoor overwogen, voor de Bank met betrekking tot het voortzetten of vernieuwen van de kredietovereenkomst per 1 juni 2010 niet bestaat, dient het verweer ook op dit punt worden verworpen. Van omstandigheden, zo zwaarwegend dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank Wijkcerveste houdt aan het einde van de kredietrelatie op de overeengekomen einddatum, is overigens niet gebleken. 2.7 Sinds de kredietrelatie (de overeenkomst) door het intreden van de overeengekomen einddatum was geëindigd, behoefde de Bank geen andere redenen voor die beëindiging te noemen, zodat de door Wijckerveste opgeworpen vraag of de door de Bank opgegeven redenen de beëindiging van de relatie konden dragen geen beantwoording behoeft. Ten overvloede overweegt rechtbank dat, als zij deze vraag zou moeten beantwoorden, het belang van de Bank bij beëindiging van de relatie tegen dat van Wijckerveste bij voortzetting ervan zou moeten worden afgewogen. [naam 1] heeft namens Wijckerveste bij de pleidooien te kennen gegeven dat hij niet van deze bank afhankelijk is voor de financiering van zijn projecten, maar dat de door hem gewenste voortzetting van de kredietrelatie een principekwestie is: hij “wil winnen”. Die wens, hoe begrijpelijk ook, vormt geen belang waarmee in die afweging rekening zou worden gehouden. 2.8 De hoofdsom is o.g.v. het bovenstaande toewijsbaar. Wijckerveste verzet zich tegen de verschuldigdheid van contractuele rente vanaf 16 juli 2010 omdat die vordering in strijd zou zijn met het standpunt van de Bank dat de overeenkomst op 1 juni 2010 is geëindigd althans omdat tot 1 juli 2013 herhaaldelijk uitstel van betaling is gegeven, zodat Wijckerveste niet in verzuim is geraakt. Dit verweer wordt verworpen. Beëindiging van de overeenkomst, in die zin dat de Bank is ontslagen uit haar verplichting het krediet ter beschikking te houden en gerechtigd is de hoofdsom op te eisen, brengt voor Wijckerveste de verplichting mee om de hoofdsom terug te betalen maar ontslaat haar niet uit de doorwerkende contractuele verplichting om, zo lang aan die eerste verplichting niet is voldaan, de overeengekomen rente over de hoofdsom te vergoeden. Onjuist is ook de opvatting dat reeds het (onverplicht) verleende uitstel van de verplichting tot betaling van de hoofdsom op de einddatum van de overeenkomst ontslag uit of opschorting van de verplichting tot betaling van rente heeft meegebracht. De vordering tot betaling van de contractuele rente vanaf 16 juli 2010 is wel in strijd met de mededeling van de Bank aan Wijckerveste bij brief van 28 mei 2013 dat tot die datum de in rekening gebrachte (marktconforme) renteverplichtingen waren nagekomen. Op deze stelling van Wijckerveste bij antwoord is de Bank nadien ook niet ingegaan. De rechtbank zal daarom de (naar hoogte niet betwiste) rente toewijzen vanaf 1 juni 2013, waarop in mindering strekt hetgeen Wijckerveste na 28 mei 2013 nog ten titel van rente mocht hebben voldaan. 2.9 Wijckerveste wordt veroordeeld in de proceskosten van de Bank in conventie, die van het met recht (zie ook hierna onder 2.11) gelegde beslag daaronder begrepen. De proceskosten worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot als volgt: dagvaarding € 92,82 griffierecht € 3.715,00 beslag € 273,14 salaris advocaat (5 x € 3.211) € 16.055,00 totaal € 20.135,96 2.10 Omdat de gegrondheid van hetgeen in conventie als verrekeningsverweer is gevoerd niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en dit verweer tevens als grondslag van de (door de - toelaatbare - wijziging van eis geheel onvoorwaardelijke) eis in reconventie is aangevoerd, zal de rechtbank alle aanspraken van Wijckerveste jegens de Bank in reconventie beoordelen. In reconventie 2.11 De vordering tot opheffing van het beslag moet worden afgewezen reeds omdat de vordering in conventie ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, wordt toegewezen. Dat de Bank bij het beslagrekest zou hebben nagelaten de verweren van Wijkckerveste tegen haar vordering te vermelden en aldus de voorzieningenrechter onvoldoende zou hebben geïnformeerd, vormt geen zelfstandige grond tot opheffing en is bovendien onjuist. De Bank had geen aanleiding de gepretendeerde, verrekenbare tegenvordering op grond van de uitwinning van het recht van hypotheek te vermelden omdat Wijckerveste pas door de akte van cessie van 28 oktober 2013 eigenaar van deze vordering is geworden en het beslagrekest dateert van 22 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.