RECHTBANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03/720556-13 Datum uitspraak : 11 maart 2015 Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortegegevens], wonende te [adresgegevens], Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek van de zaak op de terechtzittingen van 6 februari 2015 en 10 februari 2015. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek is ter terechtzitting van 25 februari 2015 gesloten. 2De tenlastelegging De verdachte staat - kort samengevat - na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake van (feit 1): gekwalificeerde doodslag samen met een ander gepleegd, of wanneer dat niet bewezen kan worden, terzake van het plegen van een moord samen met iemand anders en/of terzake afpersing en/of diefstal met geweld van een portemonnee, een bankpas met pincode en geld, met de dood van het slachtoffer tot gevolg, en ter zake van (feit 2): diefstal van geld door middel van een gestolen bankpas met pincode, samen met een ander gepleegd. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van de tenlastegelegde feiten onder 1 integraal dient te worden vrijgesproken. Volgens de officier van justitie is verdachte niet in de woning van [slachtoffer] geweest en ook niet betrokken bij de dood van het slachtoffer. Die conclusie volgt uit de verklaringen die verdachte van meet af aan heeft afgelegd, welke verklaringen overeenkomen met de historische gegevens van het telecomonderzoek, en ook uit het forensisch onderzoek, dat verdachte op geen enkele manier op de plaats delict brengt. Volgens de officier van justitie kan feit 2 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, in die zin dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte] bij de diefstal van geld van [slachtoffer]. Verdachte heeft van [medeverdachte] een bankpas gekregen, met bijbehorende pincode. Met die bankpas en pincode is verdachte in de nacht van 2 op 3 april 2013 diverse malen geld gaan pinnen en goederen gaan kopen. Verdachte zag bij ontvangst van die bankpas al dat deze niet van [medeverdachte] was, maar op naam van [slachtoffer] stond. Dat verdachte kennelijk, nadat hij van de eerste keer geld pinnen en boodschappen doen terug kwam, en toen niet eens de moeite nam om [medeverdachte] te vragen waar zij die bankpas vandaan had en hoe het kwam dat hij zo veel geld kon opnemen, geeft al aan dat het ook verdachte die nacht om uitsluitend geldelijk gewin te doen is geweest. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de tenlastegelegde feiten onder 1 integraal dient te worden vrijgesproken. Medeverdachte [medeverdachte] verklaart wisselend, ongeloofwaardig en leugenachtig over de betrokkenheid van verdachte. Behalve deze verklaringen bevindt zich in het dossier geen enkel bewijs waaruit kan worden afgeleid dan wel vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer]. Volgens de raadsman dient verdachte eveneens van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Voor een bewezenverklaring van feit 2 is vereist dat verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft gehad. Daarvoor dient vast te staan dat verdachte wist dat de bankpas door [medeverdachte] was gestolen van [slachtoffer] en dat de daarbij horende pincode was afgeperst. Uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij eerst bij gebruikmaking van de bankpas bij tankstation [naam tankstation] zag dat de bankpas niet op naam van [medeverdachte] stond, maar op naam van [slachtoffer]. Verdachte had daarvoor al geld gepind met de bankpas. Een nadien opgekomen wetenschap, al dan niet in voorwaardelijk opzicht, is volgens de raadsman onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daar komt nog bij dat volgens de Hoge Raad voorwaardelijk opzet niet past bij oogmerk. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Aantreffen en overlijden slachtoffer Op 3 april 2013 kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omstreeks 10.33 uur de opdracht om te gaan naar de [adres] te Kerkrade. Aldaar aangekomen deelde [betrokkene 1] hen mede dat hij de zoon van de bewoonster was en dat zijn moeder, mevrouw [slachtoffer], was overleden. De verbalisanten betraden daarop de woning en zagen dat [slachtoffer] op de vloer van de woonkamer lag. Er zat (gestold) bloed op dan wel in haar linkeroor. Een kussen lag gedeeltelijk onder haar hoofd. Op dit kussen zat een bloedvlek. Om haar nek zat een sjaaltje. De thuiszorgmedewerkster [getuige 1] zag dat het sjaaltje vrij strak om de hals van [slachtoffer] zat. De knoop van deze sjaal zat aan de achterzijde van de nek. Huisarts F. Soomers heeft omstreeks 10.30 uur de dood bij [slachtoffer] geconstateerd en geconcludeerd dat het een niet-natuurlijke dood betrof. Letsels bij [slachtoffer] Het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is (onder meer) aan een pathologisch onderzoek onderworpen. De patholoog, dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, constateerde in het gelaat en elders aan het hoofd diverse, al dan niet uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen, plaatselijk met oppervlakkige huidbeschadigingen. In de slijmvliezen van de mond en in een groot deel van de tong, vanuit de rechtermondhoek richting kaakrand, bij de hals voorwaarts/overgang borstkas was eveneens sprake van al dan niet uitgebreide bloeduitstortingen. Aan de hals/nek bevond zich een circulair snoerspoor, bandvormig met een breedte variërend van 1,5 tot 2,5 cm met deels bleekheid centraal en deels vlekkige, rode huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen. Die letsels zijn volgens de patholoog alle bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld, zoals bijvoorbeeld door meervoudig slaan (al dan niet met een en/of meerdere voorwerp(en), schoppen, stoten of anderszins kan ontstaan. De letsels aan de mond/neusregio zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch (zoals drukkend, botsend, belemmerend) geweld op de mond/neus regio, al dan niet (deels) met een ligatuur (gezien het bandvormig letsel aan de rechtermondhoek tot aan de kaakrand). Het circulair snoerspoor aan de hals/nek is bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van (heftig) uitwendig mechanisch omsnoerend, samendrukkend geweld, al dan niet in combinatie met botsend geweld op de hals/nek, zoals door een strak omwikkeld object (stranguleren: zoals in het kader van ligeren, verhangen) of een combinatie daarvan. Gezien het verloop van dit snoerspoor (in een vlak) past het beeld volgens de patholoog meer bij ligatuurstrangulatie dan bij verhanging. Volgens de patholoog kan het intreden van de dood van [slachtoffer] goed worden verklaard door verwikkelingen van verstikking (door doorgemaakt geweld op de hals en/of door belemmering van de luchtwegen; door geweld op de mond-neusregio, al dan niet in combinatie met mechanische belemmering van de ademhaling door druk op de borstkas), elk op zich dan wel in combinatie. De bij sectie vastgestelde recente hartspierschade en de vochtophoping in de hersenen worden verklaard als verwikkelingen van verstikking. Tussenconclusie Op grond van de bevindingen van de patholoog stelt de rechtbank vast dat de vele, bij [slachtoffer] geconstateerde letsels zijn toegebracht op het moment dat zij nog in leven was. Ook stelt de rechtbank op grond van de bevindingen van de patholoog en de radioloog vast dat het intreden van de dood verklaard wordt door verstikking. Verklaring verdachte [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 2 april 2013 vanaf 18.00 uur bij [medeverdachte] was op de [adres]. Zij woont schuin tegenover de woning waar ze het slachtoffer hebben gevonden. [verdachte] was alleen met [medeverdachte] in de woning. Zij is verslaafd aan drugs. Omstreeks 22.00 uur of 22.30 uur is [medeverdachte] weggegaan omdat ze shag en iets te drinken zou gaan halen. Ze is ongeveer een half uur tot 40 minuten weg geweest. [verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] nog een paar keer heeft gebeld met zijn mobieltje (een Nokia). Toen zij terugkwam had ze alleen een pakje shag bij zich. Aangezien [verdachte] toch dorst had en iets te drinken wilde hebben, zei hij tegen haar dat hij met een taxi naar zijn moeder zou gaan. Op dat moment gaf [medeverdachte] hem opeens een bankpas van de ING bank. Op het pasje stond de naam [slachtoffer] kreeg toen ook van haar de pincode voor de pas. [verdachte] nam de bankpas aan en is toen met een taxi vertrokken. Hij is eerst met de taxi naar het [adres] te Kerkrade gereden, naar de Rabobank. Daar heeft hij 250 euro gepind. Vervolgens is hij met de taxi naar Duitsland gereden, naar het Shell tankstation. Hij heeft daar drank gekocht. Dit betaalde hij contant van het eerder gepinde geld. Onderweg is hij nog even gestopt om wat coke te kopen. Daarna is hij teruggegaan naar de [adres]. Daar heeft hij de taxi betaald en het bankpasje teruggegeven aan [medeverdachte], samen met het restant van het gepinde geld. Het viel hem vervolgens in dat hij nog zo’n tweeduizend euro van [medeverdachte] moest krijgen. Zij vond dit goed en gaf hem weer het bankpasje met de pincode. Zij zei dat hij het gehele bedrag dat op de rekening stond moest pinnen. Hij is toen weer met de taxi vertrokken. Eerst naar de [adres] te Heerlen. Daar is een ING bank. Hij heeft daar duizend euro gepind. Toen is hij naar Tankstation [naam tankstation] in Heerlen gegaan om rookwaren te kopen. Hij heeft daar de bankpas gebruikt om te betalen en daar ook enkele honderden euro’s extra gepind. Bij terugkomst op de [adres] heeft [verdachte] de bankpas weer aan [medeverdachte] teruggegeven, met het restant van het gepinde geld. [verdachte] heeft verder verklaard niet betrokken te zijn geweest bij de dood van het slachtoffer. Verklaring medeverdachte [medeverdachte] heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij op 2 april 2013 bij frituur ‘[naam frituur]’, gelegen aan [adres] te Kerkrade, vlak voor sluitingstijd (ongeveer 22.00 uur) van de frituur, shag heeft gekocht. Getuige [getuige 2], uitbaatster van deze frituur, bevestigt dat [medeverdachte] in de frituur is geweest tussen 21.30 uur en 22.00 uur en daar sigaretten wilde kopen. Voor de 5 euro die zij toen bij zich had kon zij echter alleen shag kopen. Haar zoon [getuige 3] bevestigt deze verklaring. [medeverdachte] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2014 verklaard dat zij en medeverdachte [verdachte] geld nodig hadden en dat zij daarom een plan hadden bedacht om bij het slachtoffer [slachtoffer] binnen te kunnen komen. Dat plan hield het volgende in. [slachtoffer] had nog geld tegoed van [medeverdachte]. [medeverdachte] zou doen alsof ze dat geld terug kwam brengen. Ze zou daarbij doen alsof ze een biljet van € 50,00 bij zich had. Omdat [slachtoffer] € 20,00 tegoed had, zou zij zou dan wisselgeld moeten pakken. Daarna zou een soort wisseltruc moeten plaatsvinden. [medeverdachte] had tegen [verdachte] gezegd dat [slachtoffer] haar geen geld zou geven. [verdachte] zou tegen [medeverdachte] hebben gezegd dat hij met [slachtoffer] zou gaan praten en haar zou beloven het dubbele terug te betalen. [medeverdachte] heeft vervolgens naar [slachtoffer] gebeld. Zij zou € 50,00 meenemen als zij € 30,00 wisselgeld zou hebben. Dat zou volgens [slachtoffer] geen probleem zijn. [medeverdachte] liep als eerste richting de woning van [slachtoffer], [verdachte] liep achter haar aan. [verdachte] ging aan de zijkant van de deur staan. [slachtoffer] maakte de deur slechts op een kier open en [medeverdachte] liep daarop beledigd weg. Toen riep [slachtoffer] dat ze toch binnen kon komen. [slachtoffer] liep voorop naar binnen, naar de woonkamer, en [medeverdachte] volgde haar. [medeverdachte] had de deur niet achter zich dicht gedaan, zodat het voor [verdachte] mogelijk werd de woning ongemerkt binnen te komen. In de woonkamer deed [medeverdachte] vervolgens alsof het biljet van € 50,00 op de grond viel, in de hoop dat [slachtoffer] al met het wisselgeld zou komen, maar dat gebeurde niet. Toen kwam [verdachte] en hij duwde [slachtoffer] naar achteren tegen de stoel. Zij viel op de grond. Volgens [medeverdachte] heeft [verdachte] aan haar gevraagd of zij de sjaal wilde pakken en haar vast wilde binden. Hij had haar handen vast. [medeverdachte] heeft de sjaal gepakt en heeft [slachtoffer] vastgebonden. Toen [slachtoffer] begon te schreeuwen, moest [medeverdachte] de sjaal om en eigenlijk in haar mond doen. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de sjaal om de mond van [slachtoffer] heeft vastgemaakt/geknoopt. [verdachte] hield daarbij [slachtoffer] vast. [slachtoffer] hield haar handtas toen tussen haar benen geklemd. [medeverdachte] heeft op 7 augustus 2013 bij de politie verklaard dat zij tot het einde erbij is geweest. Onderzoek historische gegevens pintransacties Uit de door ING bank NV verstrekte gegevens bleek dat met de bankpas op naam van [slachtoffer] de volgende transacties hadden plaatsgevonden: 3 april 2013 omstreeks 01.34.08 uur geldautomaat Rabobank [adres] te Kerkrade (geldopname 250 euro); 3 april 2013 omstreeks 02.54.30 uur geldautomaat [naam supermarkt] [adres] te Heerlen (geldopname 1000 euro); 3 april 2013 omstreeks 02.59.06 uur tankstation [naam tankstation] te Heerlen (betaling 547 euro). Bevindingen naar aanleiding van de doorzoeking van de woning aan de [adres] Ter gelegenheid van de doorzoeking op 8 april 2013 werden in de woning van [medeverdachte] aan de [adres] te Kerkrade enkele voorwerpen inbeslaggenomen, waaronder een zwarte damesportemonnee, aangetroffen op een stapel kleding in de slaapkamer. Aan de dochter, [betrokkene 2], en de zoon, [betrokkene 1], van het slachtoffer werden foto’s getoond van de beurs, die tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte] werd aangetroffen. Zij verklaarden beiden dat ze met 100% zekerheid kunnen zeggen dat de beurs van hun moeder is en dat deze sedert het aantreffen van haar stoffelijk overschot vermist werd. Aangifte diefstal [betrokkene 2] heeft mede namens haar broer [betrokkene 1] aangifte gedaan van diefstal uit de woning van hun moeder aan de [adres] Kerkrade. Uit de woning werden twee enveloppen met elk 50 euro erin vermist. Het sporenbeeld en onderzoek aan dna Naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] kwam een uitgebreid forensisch sporenonderzoek op gang. Enkele bevindingen van het forensisch onderzoek zijn hierboven, onder het kopje Aantreffen en overlijden slachtoffer, al beschreven en enkele bevindingen zullen hierna – kort samengevat – besproken worden. Er werd forensisch onderzoek verricht aan onder meer de beurs van het slachtoffer die in de woning van [medeverdachte] werd aangetroffen, de sjaal (uiteinde en knoop) die om de hals van het slachtoffer zat, de nagels van de linkerhand van het slachtoffer, het kussen waarop het slachtoffer (deels) met haar hoofd lag, en aan de kleding van het slachtoffer, die zij droeg toen zij werd aangetroffen (vest, witte trui en broek). De beurs, de sjaal, de nagels, het kussen en de kleding werden bemonsterd en veiliggesteld voor dna-onderzoek. Op de beurs werd dna-materiaal aangetroffen dat matchte met het dna-profiel van verdachte [medeverdachte]. De matchkans bleek kleiner dan 1 op 1 miljard te zijn. Op het uiteinde van de sjaal en in de knoop van de sjaal werd celmateriaal aangetroffen. Het materiaal op het uiteinde van de sjaal had dna-nevenkenmerken die overeenkwamen met het dna van [medeverdachte] en minimaal een andere persoon. Blijkens de conclusie van het vergelijkend dna-onderzoek zijn deze bevindingen extreem veel waarschijnlijker als het celmateriaal, dat aangetroffen is op het uiteinde van de sjaal, afkomstig is van het slachtoffer, [medeverdachte] en een onbekende persoon (niet verwant aan het slachtoffer of [medeverdachte]), dan wanneer het afkomstig is van het slachtoffer en twee onbekende personen (niet verwant aan het slachtoffer of [medeverdachte]). Het celmateriaal op de knoop in de sjaal had dna-nevenkenmerken die overeenkwamen met het dna van [medeverdachte]. Geconcludeerd werd dat deze bevindingen extreem veel waarschijnlijker zijn als dit celmateriaal afkomstig is van het slachtoffer en van [medeverdachte], dan wanneer dit materiaal afkomstig zou zijn van het slachtoffer en een onbekende persoon (niet verwant aan het slachtoffer of [medeverdachte]). Op de vingernagels werd een dna-mengprofiel van minimaal twee vrouwen aangetroffen. Dit mengprofiel matchte met het dna-profiel van het slachtoffer en van [medeverdachte]. De matchkans bij [medeverdachte] bleek kleiner dan 1 op 1 miljard te zijn. Op het kussen werd een onvolledig dna-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen. In dit profiel bevond zich dna dat overeenkwam met de kenmerken van het dna van het slachtoffer, van [medeverdachte] en van minimaal één onbekende persoon.. Blijkens de conclusie van het vergelijkend dna-onderzoek zijn deze bevindingen extreem veel waarschijnlijker wanneer het celmateriaal inderdaad afkomstig is van het slachtoffer, van [medeverdachte] en van een onbekende persoon (niet verwant aan het slachtoffer of [medeverdachte]), dan dat het afkomstig is van het slachtoffer en twee onbekende personen (niet verwant aan het slachtoffer of [medeverdachte]). Op het vest van het slachtoffer werden additionele dna-kenmerken die matchten met het dna van [medeverdachte] aangetroffen. De matchkans bleek kleiner dan 1 op 1 miljard te zijn. Op de witte trui van het slachtoffer werd een dna-mengprofiel aangetroffen. Dat mengprofiel matchte met het dna van het slachtoffer, van [medeverdachte] en een andere persoon. Ten slotte werd op de broek van het slachtoffer een dna-profiel aangetroffen dat matchte met het dna van [medeverdachte]. De matchkans bleek kleiner dan 1 op 1 miljard te zijn. Er is tevens forensisch onderzoek verricht aan de handschoenen, de trainingsbroek en het trainingsjack van [verdachte]. Bij de diverse onderzoeken aan die kledingstukken zijn geen sporen van [slachtoffer] aangetroffen. Conclusie ten aanzien van feit 1 De rechtbank stelt vast dat [verdachte] niet in de woning van [slachtoffer] is geweest. De rechtbank heeft buiten de verklaring van [medeverdachte] namelijk geen bewijsmateriaal in het dossier aangetroffen waaruit volgt dat [verdachte] tegelijkertijd met [medeverdachte] in de woning van het slachtoffer aanwezig was. Ook uit de vele dna-onderzoeken volgt geen enkele aanwijzing dat [verdachte] in de woning van [slachtoffer] is geweest. Ook overigens kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer]. De enkele verklaring van [medeverdachte] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen. De bewezenverklaring mag namelijk niet slechts op de verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.