← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2015:2075

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Datum uitspraak : 11 maart 2015 Zaaknummer : 201663 / HA RK 15-20 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken in de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats], advocaat: mr. F.C. Schirmeister, indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van: mr. I.M. Etman, rechter in deze rechtbank, hierna de rechter. 1Het verloop van de procedure Tijdens de zitting op 28 januari 2015 in de zaak met nummer 3367423 CV EXPL 14-9331 tussen verzoekster als eisende partij en NL Services B.V. voorheen genaamd DSM Limburg B.V. als gedaagde partij heeft verzoekster een verzoek tot wraking gedaan van de rechter belast met de behandeling van de zaak. De rechter heeft de wrakingskamer op 28 januari 2015 schriftelijk bericht dat zij niet in het verzoek tot wraking berust en dat zij gehoord wenst te worden. Op 30 januari 2015 heeft zij een schriftelijke reactie verstrekt. De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015, waar de gemachtigde van verzoekster en de rechter zijn verschenen. [verweerder refereert zich] 2Standpunt van verzoekster Ter zitting op 28 januari 2015 was onder andere mr. Beaumont, advocaat van Koninklijke DSM N.V. aanwezig. Omdat, zo leek het, zij geen advocaat van de verwerende partij was, heeft de gemachtigde van verzoekster meermaals kenbaar gemaakt er bezwaar tegen te hebben dat mr. Beaumont het woord zou mogen voeren. Toen de rechter ondanks de door haar gemachtigde geuite bezwaren mr. Beaumont toestond ter zitting het woord te voeren, is bij verzoekster de indruk ontstaan dat de rechter niet geheel onpartijdig was. 3De beoordeling Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun - onder meer ingevolge artikel 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen. Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan. Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoekster relevant, maar is doorslaggevend of de zijdens verzoekster gestelde twijfel aan de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Voor zover verzoekster heeft betoogd dat de rechter tijdens de comparitie van partijen ten onrechte het woord heeft gegeven aan mr. Beaumont, overweegt de rechtbank als volgt. Een comparitie heeft bij uitstek als doel duidelijkheid te verschaffen over de feiten en vraagpunten die in de zaak spelen. In dit kader werd, op verzoek van mr. Kremer als gemachtigde van de gedaagde, het woord gegeven aan mr. Beaumont, omdat zij - als enige of beter - informatie kon verstrekken op een door de rechter gestelde vraag naar bepaalde feiten. Naar het oordeel van de wrakingskamer levert het bieden van de gelegenheid om feitelijke informatie naar voren te brengen geen schijn van partijdigheid op. Wellicht kan dat onder bepaalde omstandigheden anders liggen maar daar is in dit geval niet van gebleken. Als er, zoals de gemachtigde stelt, gevoeligheden waren over de rol van mr. Beaumont, dan had het op zijn weg gelegen deze gevoeligheden voldoende duidelijk te maken. Dat is echter nagelaten. Het enkele feit dat verzoekster het niet prettig vond dat mr. Beaumont, ter vaststelling van de feiten, in de gelegenheid werd gesteld de vraag te beantwoorden, is in ieder geval onvoldoende en maakt niet dat de rechter partijdig is. Voor de volledigheid overweegt de wrakingskamer nog dat, voor zover de gemachtigde met zijn toelichting ter zitting - inhoudende dat de rechter het dossier onvoldoende zou kennen - een nieuwe grond voor wraking heeft willen aanvoeren, hij hierin in ieder geval faalt omdat deze grond te laat is voorgedragen. Het verzoek tot wraking zal worden afgewezen. 4De beslissing [t.t.z. geen bewijs van oproeping van verweerder overgelegd] De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.W. Rijksen, en mr. R.A.J. van Leeuwen, leden, in aanwezigheid van mr. C. K. Spronk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 maart 2015. Bij afwezigheid van de voorzitter is de beslissing ondertekend door mr. R.A.J. van Leeuwen Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.