← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2015:2081

RECHTBANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03/703475-08 OWV Datum uitspraak : 11 maart 2015 Tegenspraak Uitspraak van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte], geboren te[geboortegegevens], wonende te [adresgegevens], hierna te noemen: [verdachte]. Raadsman is mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Het onderzoek van de zaak De rechtbank heeft op 4 oktober 2011 uitspraak gedaan in de ontnemingsprocedure, waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vordering tot ontneming. De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 september 2013 de uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Limburg, teneinde met inachtneming van het arrest recht te doen. Naar aanleiding van het arrest van het gerechtshof is de ontnemingsvordering tegen [verdachte] op 3 september 2014 opnieuw ter zitting van bovengenoemde rechtbank aangebracht. Het onderzoek ter terechtzitting werd toen op verzoek van de verdediging geschorst. Op 25 februari 2015 werd de ontnemingsprocedure tegen [verdachte] inhoudelijk behandeld. Deze uitspraak is gewezen naar aanleiding van dit onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank heeft op 25 februari 2015 gehoord de officier van justitie en [verdachte], bijgestaan door zijn raadsman. De behandeling van de ontnemingsvordering had gelijktijdig plaats met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/703475-

  1. Op 11 maart 2015 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De standpunten van de officier van justitie en de verdediging 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie houdt in de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat [verdachte] heeft verkregen door middel van het plegen van strafbare feiten, te weten witwassen. De vordering bedraagt € 451.283,
  2. Op de terechtzitting van 25 februari 2015 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat het bedrag gematigd dient te worden. De vordering werd bijgesteld naar € 191.867,
  3. 2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht, gelet op de door hem bepleite vrijspraak in de hoofdzaak ten aanzien van de verdenking van witwassen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering te matigen. 3De beoordeling van de vordering De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de verdenking van witwassen van geldbedragen door [verdachte]. De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak heden vonnis gewezen, waarbij [verdachte] is vrijgesproken van de verdenking van witwassen. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering. 4De beslissing De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak is gegeven door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart
  4. Buiten staat Mr. M.B. Bax is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.