RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht parketnummer: 03/704573-12 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 maart 2015 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte]. Raadsman is mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2014. Naar aanleiding van deze zitting heeft de rechtbank bij vonnis van 23 september 2014 het onderzoek heropend teneinde [slachtoffer] als getuige te doen horen door de rechter-commissaris. Vervolgens is de zaak wederom inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2015, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte wederom hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde bewezen kan worden. Zij heeft daartoe overwogen dat de aangifte van [slachtoffer] aanvankelijk twijfels opriep, maar dat die twijfels door nader onderzoek zijn verdwenen. Er is immers DNA op en in het lichaam van aangeefster gevonden dat matcht met het DNA van verdachte en verdachte spreekt hierover niet de waarheid. Aanvankelijk heeft hij ontkend dat hij seksueel contact met aangeefster heeft gehad, en daarna heeft hij leugenachtig verklaard over hoe zijn sperma bij het slachtoffer terecht is gekomen. Bovendien kan hij niet uitleggen waarom hij aanvankelijk heeft gelogen en waarom aangeefster hem valselijk zou willen beschuldigen. Naast de aangetroffen DNA-sporen zijn er bovendien nog een aantal “kleinere” aanwijzingen in het dossier te vinden die het verhaal van aangeefster bevestigen. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij een glas water naar verdachte heeft gegooid en heeft de politie in haar slaapkamer inderdaad een glas aangetroffen en een plasje water. Bovendien heeft zij verklaard dat verdachte haar hoofddoek strak om haar hals heeft getroffen en heeft een verbalisant gezien dat aangeefster een rode verkleuring in de halsstreek had. Er dient naar het oordeel van de officier van justitie dan ook te worden uitgegaan van het verhaal van aangeefster. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 31 mei 2012 in de woning van aangeefster is geweest. Het buurtonderzoek heeft niets opgeleverd. Niemand heeft iets gehoord en gezien, wat – gelet op de aard van het delict – vreemd is. De persoon die haar en verdachte volgens aangeefster die dag samen uit de trein heeft zien stappen, ontkent dat bij de politie. Ook het onderzoek naar telefoonverkeer tussen verdachte en aangeefster levert niets op, evenals het onderzoek aan de kleding die op het bed van aangeefster is aangetroffen. Wat overblijft zijn de verklaringen van aangeefster, die naar het oordeel van de raadsman inconsistent en ongeloofwaardig zijn en op essentiële punten tegenstrijdigheden bevatten. Zo heeft zij wisselend verklaard over het tijdstip waarop verdachte bij haar woning is aangekomen, over het tijdstip waarop verdachte haar woning heeft verlaten, het aantal keren dat hij in haar woning is geweest, hoe ze naar de slaapkamer zijn gegaan, hoe haar broek is uitgetrokken, hoe en met welke kleding haar lichaam is schoongeveegd en over de gebeurtenissen na afloop van het seksuele contact. Het getuigenverhoor van aangeefster heeft hierin ook geen duidelijkheid verschaft. Daarbij komt dat verdachte tijdens de terechtzitting van 9 september 2014 een verklaring heeft afgelegd, met hierin een alternatief scenario voor het aantreffen van zijn DNA bij aangeefster. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Strafzaken op het gebied van zeden kenmerken zich doorgaans door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de handelingen die het strafbare feit opleveren, het vermeende slachtoffer en de persoon die de dader zou moeten zijn. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaringen van het slachtoffer als bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren. Het bewijs Op 4 juni 2012 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting, gepleegd op 31 mei 2012 te Valkenburg door verdachte. Zij heeft verklaard dat zij op genoemde dag samen met verdachte naar haar woning te Valkenburg is gegaan. Daar greep hij plotseling haar hoofddoek, trok deze strak om haar hals en trok er aan weerskanten aan, waardoor aangeefster het benauwd kreeg en niet kon ademen. Verdachte trok haar mee naar de slaapkamer en gooide haar op het bed. Hij had de woonkamerdeur, de slaapkamerdeur en de ramen dichtgedaan. Met één hand hield hij haar mond dicht. Hij deed zijn broek open, haalde zijn penis eruit en duwde deze in de mond van aangeefster. Vervolgens trok hij haar broek en haar onderbroek uit, kwam op haar liggen en duwde één of twee vingers in haar anus. Daarna probeerde hij zijn penis in haar vagina te duwen. Dat lukte echter niet. Verdachte kwam toch klaar rondom de vagina van aangeefster. Tijdens een eerste contact tussen slachtoffer en politie, dat al plaatsvond op 31 mei 2012, neemt een verbalisant een rode verkleuring aan de keel van aangeefster waar. Tijdens DNA- en sporenonderzoek is sperma aangetroffen op de onderbroek van aangeefster, maar ook op de buitenste en binnenste schaamlippen, de venusheuvel, het speculum en om de anus. Zowel de sporen in de onderbroek als de sporen op het lichaam van aangeefster bevatten sperma dat afkomstig kan zijn van één en dezelfde man. Bij vergelijking met de DNA-profielen in de DNA-databanken is een match gevonden met het DNA-profiel van een persoon in de Franse DNA-databank. Die persoon blijkt verdachte te zijn. Overweging Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, met inachtneming van het hiervoor geschetste juridisch kader, het door de wet gestelde minimum aan bewijs voorhanden is. De aangifte van het slachtoffer wordt immers ondersteund door het feit dat er op haar lichaam en haar onderbroek DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van verdachte en het feit dat een verbalisant een rode verkleuring in haar hals heeft waargenomen die past bij het uitoefenen van geweld op het slachtoffer door het strak aantrekken van een sjaal om haar hals. Bovendien hecht de rechtbank geloof aan de aangifte van het slachtoffer. De discrepanties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster alsmede de door de verdediging aangevoerde alternatieve theorie voor de aanwezigheid van het DNA van verdachte bij het slachtoffer hebben de rechtbank niet tot een ander standpunt gebracht. In dit verband is het navolgende van belang. De rechtbank onderkent dat de verklaringen van aangeefster op verschillende punten niet geheel met elkaar overeenkomen. Op de essentiële onderdelen van haar verklaring is zij echter wel consistent en hiervoor is bevestiging gevonden in de vorm van het aangetroffen DNA en de rode verkleuring aan haar keel. Van groot belang voor de weging van haar aangifte is onmiskenbaar ook de opstelling van verdachte. Aanvankelijk heeft hij ontkend dat hij, buiten de cursus waar zij beiden aan deelnamen, ooit contact met aangeefster heeft gehad. Van enig seksueel contact was dus zeker geen sprake. Ook toen de politie hem confronteerde met het feit dat zijn DNA-sporen op het lichaam en in de onderbroek van aangeefster zijn aangetroffen, hield hij dit vol en bleef hij aangeven dat hij geen seksueel contact met aangeefster had gehad. Een verklaring hoe zijn DNA dan bij aangeefster was gekomen heeft hij echter niet gegeven. Pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 9 september 2014 heeft verdachte toegegeven op de betreffende dag wél seksueel contact met aangeefster te hebben gehad. Dit zou echter niet bij haar thuis hebben plaatsgevonden, maar in een park in Maastricht. Hij moest urineren en zocht daartoe een stil plekje op in het park. Aangeefster is hem gevolgd en toen hij klaar was heeft zij zijn penis gepakt, haar broek laten zakken en zijn penis met haar hand naar haar vagina gebracht. Hij wilde dit niet. Toch is daarbij sperma op haar hand en haar broek terechtgekomen, aldus verdachte. Gelet op de eerdere leugenachtige verklaring van verdachte (hij heeft geen seksueel contact met aangeefster gehad) en de hoge mate van onwaarschijnlijkheid van de laatste verklaring van verdachte, hecht de rechtbank geen geloof aan deze nieuwe verklaring. Daarbij komt nog dat de rechtbank ook niet begrijpt waarom verdachte deze verklaring, indien waar, niet veel eerder zou hebben gegeven, bijvoorbeeld toen hij met het onweerlegbare bewijs van het seksuele contact (het DNA) werd geconfronteerd. Deze onwaarachtige verklaring over de herkomst van zijn DNA bij het slachtoffer en het feit dat hij in een eerder stadium steeds gelogen heeft over het seksueel contact dat tussen hem en aangeefster heeft plaatsgevonden is volgens de rechtbank ingegeven door het feit dat hij kennelijk iets te verbergen heeft, namelijk dat hij tegen de wil van aangeefster en door het gebruik van geweld en andere feitelijkheden seks met haar heeft gehad. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer]. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 mei 2012 te Valkenburg door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte - diens vinger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.