RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 3685957 CV EXPL 14-12996 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 15 januari 2015 in de zaak van: [opposant] , wonend [adres 1], [woonplaats], opposant, gemachtigde mr. S.E.G.N. Schnabel tegen: [geopposeerde] , wonend [adres 2], [woonplaats], geopposeerde, gemachtigde mr. A. Kara. Partijen zullen hierna [opposant] en [geopposeerde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verstekvonnis van 27 november 2014 de verzetdagvaarding met producties 1 t/m 15 de nadien door [opposant] ingediende producties 16 t/m 19 de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie met twee producties de mondelinge behandeling op 8 januari 2015, de daar door partijen overgelegde pleitnota’s en de verklaring van [geopposeerde] dat de eis in reconventie dient te worden opgevat als wijziging van eis in conventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen hebben op 25 januari 2010 een huurovereenkomst gesloten onder toepasselijkheid van de “Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW” (hierna: de algemene bepalingen), waarbij [opposant] van [geopposeerde] heeft gehuurd de bedrijfsruimte (met afhankelijke bovenwoning) aan het adres [adres 3]. [opposant] is krachtens art. 4.6 van de huurovereenkomst bij vooruitbetaling (uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand) de huurprijs en premie opstalverzekering aan [geopposeerde] verschuldigd. Bij aanvang van de huur bedroeg de huurprijs € 1.950,00 en de premie opstalverzekering € 85,00 per maand. 2.2. In artikel 18.1 van de algemene bepalingen staat, voor zover hier van belang, dat betaling van het krachtens de huurovereenkomst verschuldigde op de vervaldata dient te geschieden zonder verrekening met een vordering welke de huurder op de verhuurder meent te hebben en dat dit onverlet laat de bevoegdheid van de huurder om gebreken zelf te verhelpen en de redelijke kosten daarvan in mindering te brengen op de huur indien verhuurder zelf in verzuim is. In artikel 18.2 van de algemene bepalingen staat dat in geval van niet tijdige betaling huurder een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand, aan verhuurder verbeurt. In artikel 20.1 van de algemene bepalingen staat dat de onroerende-zaakbelasting ter zake van het feitelijk gebruik van het gehuurde voor rekening van huurder komt. 2.3. Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2014 (zaaknr. 3160763 CV EXPL 14-6933) heeft de kantonrechter van deze rechtbank: in conventie [opposant] gemachtigd op kosten van [geopposeerde], door verrekening met de huurpenningen, door deskundige [naam deskundige] (hierna: [naam deskundige]) bepaalde herstelwerkzaamheden aan het gehuurde te laten uitvoeren door een erkende dakdekker c.q. dakdekkersbedrijf; in reconventie [opposant] veroordeeld om de huur van mei, juni en juli ten bedrage van € 7.485,45, alsmede de toekomstige huurpenningen, telkens op de vervaldagen, te storten op de kwaliteitsrekening van mr. Schnabel, met dien verstande dat daarvan eerst de factuur van de dakdekker voldaan wordt. Bij herstelvonnis van 8 augustus 2014 is voornoemd bedrag van € 7.485,45 gewijzigd in € 6.586,53. 2.4. Bij exploot van dagvaarding van 7 november 2014 heeft [geopposeerde] in kort geding gevorderd [opposant] te veroordelen tot: ontruiming van het gehuurde; betaling aan [geopposeerde] van € 10.601,35 betaling van de proceskosten. Het gevorderde bedrag van € 10.601,35 bestaat (kort gezegd) uit niet betaalde huur vanaf september 2014, te weinig betaalde premie opstalverzekering over de jaren 2012 tot en met 2014 alsmede door [opposant] verschuldigde boetes en onroerende-zaakbelasting. 2.5. Bij verstekvonnis van 27 november 2014 (zaaknr. 3564437 CV EXPL 14-11822) heeft de kantonrechter van deze rechtbank de vordering van [geopposeerde] toegewezen. Dit vonnis is op 2 december 2014 aan [opposant] betekend. 2.6. [opposant] heeft vervolgens in kort geding schorsing van de executie van dat ontruimingsvonnis gevorderd. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de executie zal worden aangehouden in afwachting van het oordeel in deze verzetprocedure. Voorts zijn zij overeengekomen dat [opposant] uiterlijk op 24 december 2014 aan Gundogmusn € 1.093,00 zal betalen alsmede dat [opposant] uiterlijk 1 januari 2015 de geïndexeerde huur van € 2.129,50, en € 85,00 als voorschot op de premie opstalverzekering zal voldoen. [opposant] heeft deze bedragen binnen deze gestelde termijnen betaald. 3Het geschil 3.1. [opposant] vordert thans hem te ontheffen van de bij het vonnis van 27 november 2014 uitgesproken veroordeling en [geopposeerde] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, althans deze hem te ontzeggen, met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van dit geding en de nakosten. 3.2. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [opposant] (samengevat) aangevoerd dat na verrekening van zijn betalingsverplichting aan [geopposeerde] met de door [opposant] betaalde facturen van de dakdekker en met de helft van de factuur van [naam deskundige], de huurachterstand (exclusief de premie opstalverzekering) zo gering is dat deze in een bodemprocedure niet tot ontbinding van de huurovereenkomst zal leiden. De hoogte van de door [geopposeerde] gevorderde premie opstalverzekering wordt door [opposant] betwist. Hij stelt voorts dat [geopposeerde] geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde boete. Voor wat betreft de gevorderde onroerende-zaakbelasting voert [opposant] aan dat het [geopposeerde] kennelijk gaat om het eigenaarsgedeelte, dat hij niet verschuldigd is (zie 2.2.). [opposant] heeft voor alle verweren evenwel betoogd dat de op verzoek van [geopposeerde] betekende dagvaarding nietig verklaard dient te worden wegens betekening aan een onjuist adres. 3.3. Ter zitting heeft [geopposeerde] de vordering van € 10.601,35 verhoogd naar € 13.440,61, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [geopposeerde] heeft de dagvaarding op 7 november 2014 laten betekenen aan het adres [adres 1] te [woonplaats], waar [opposant] in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven stond en waarheen eerdere correspondentie steeds (ook) is gezonden. [opposant] heeft niet betwist dat hij destijds (zij het: onregelmatig) ook op dat adres verbleef. Eén en ander maakt het tot het zijn woonplaats als bedoeld in artikel 1:10 BW waar [geopposeerde] krachtens artikel 46 Rv de dagvaarding mocht - of zelfs moest - laten betekenen. Uit het feit dat [opposant] ook - of zelfs voornamelijk - verbleef en overnachtte in de van [geopposeerde] gehuurde bovenwoning (zie 2.1) en dat volgens artikel 24.1 van de algemene bepalingen de verhuurder mededelingen aan dit adres richt, volgt niet dat de dagvaarding daar rechtsgeldig mocht - laat staan moest - worden betekend. Overigens stuit het beroep van [opposant] op de nietigheid ook af op het feit dat hij door enig gebrek in de dagvaarding niet onredelijk in zijn belangen is geschaad als bedoeld in art. 122 Rv. Hij heeft immers in deze verzetprocedure uitgebreid verweer gevoerd. De vraag naar de juistheid van de betekening is dan nog slechts van belang voor de proceskostenveroordeling, waarover hierna onder 4.13. wordt beslist. 4.2. In de inleidende dagvaarding van 7 november 2014 heeft [geopposeerde] de vordering tot ontruiming van het gehuurde door [opposant] gebaseerd op de tekortkoming van [opposant] in de nakoming van zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. [geopposeerde] heeft ter zitting aangevoerd dat de betalingsachterstand thans € 13.440,61 bedraagt. Hij heeft daarbij toegelicht dat de huurachterstand over de maanden september tot en met december 2014 in totaal € 1.709,83 bedraagt inclusief de over die maanden verschuldigde premies opstalverzekering. Ten aanzien van die betalingsachterstand wordt als volgt overwogen. 4.3. Volgens [geopposeerde] bedraagt de over de maand september 2014 verschuldigde huurprijs (exclusief premie opstalverzekering) € 2.110,51. [opposant] stelt niet dat [geopposeerde] met betrekking tot die maand van een te hoge huur uitgaat. [opposant] heeft zelfs gesteld dat de huur (exclusief premie) over die maand € 2.129,50 bedraagt. De kantonrechter gaat er derhalve vanuit dat de over de maand september 2014 verschuldigde huur (exclusief premie) € 2.110,51 bedroeg. Tussen partijen staat verder vast dat over de maanden oktober 2014 tot en met december 2014 de (geïndexeerde) huurprijs exclusief de premie opstalverzekering € 2.129,50 bedroeg. Verder staat vast dat door [opposant]: a. over de maand september 2014 € 2.035,00 is betaald op de kwaliteitsrekening van mr. Schnabel; b. over de maanden oktober en november 2014 telkens € 2.035,00 rechtstreeks betaald is aan het door hem ingeschakelde dakdekkersbedrijf Dakcentrum [naam dakdekkersbedrijf] (hierna: [naam dakdekkersbedrijf]); - over de maand december 2014 € 1.2850,00 rechtstreeks aan [geopposeerde] betaald is. 4.4. Strikt genomen heeft [geopposeerde] gelijk waar hij stelt dat de rechtstreekse betalingen van [opposant] aan [naam dakdekkersbedrijf] in oktober en november 2014 (zie 4.3. onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.