RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 14 april 2015 Zaaknummer: C/03/200177 / FA RK 14-4104 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van: [voornamen nieuw] [verzoeker], verzoeker, verder te noemen: [verzoeker],wonend te [woonplaats], advocaat mr. E.H.J. Plass, kantoorhoudend te Horst. Als belanghebbenden worden aangemerkt:[belanghebbende],verder te noemen: [belanghebbende],wonend te [woonplaats],en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade. Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van deze rechtbank van 19 december
(2010)5 is het ten onzent ook mogelijk dat de vermelding van het geslacht wordt gewijzigd in documenten die niet van de overheid of overheidsinstellingen afkomstig zijn, zoals school- en universiteitsdiploma’s. Desgevraagd, en overeenkomstig het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling, nr. 2010/175, van 30 november 2010, dient ook de desbetreffende niet-overheidsonderwijsinstantie het document aan te passen. De beperkende bijzin in artikel 28c lid 1 («De wijziging van de vermelding van het geslacht heeft haar gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf ….») betekent dat alleen de gevolgen die voortvloeien uit het gedeelte van het Burgerlijk Wetboek dat over het personen- en familierecht gaat, aan het ex nunc regime van artikel 28c zijn onderworpen. Het is ook daarom zeer wel mogelijk en ligt wel zo voor de hand dat desgevraagd op onderwijsdiploma’s de desbetreffende persoon alsnog met het gewenste geslacht en een daarmee overeenkomende voornaam per de datum van uitreiking ervan wordt vermeld. Mede naar aanleiding van een opmerking van de Commissie Gelijke Behandeling is nagegaan of wijziging van wetgeving in formele zin hiervoor nodig is. Dat is niet het geval.’ Voorts heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2011-2012, nr. 6, blz. 10) bij de behandeling van de wet in de Tweede Kamer opgemerkt: ‘Met de benadering waarbij geen terugwerkende kracht wordt verleend aan de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht voor zover het zaken betreft waarop Boek 1 BW ziet, stemt overeen met de bepaling van het huidige artikel 28c lid 2, eerste volzin. Daarvoor is destijds gekozen om reden van rechtszekerheid en omdat de belangen van derden, waaronder de kinderen van transgenders, zouden kunnen worden aangetast (zie de toelichting op het toenmalige ontwerpartikel 29d lid 2, Kamerstukken II, 1981/82, 17 297, nr. 3, blz. 25). Ik heb geen reden om daarover nu anders te denken.’ Niet onvermeld mag verder blijven dat, in verband met de gevolgen van de wijziging van het geslacht buiten het personen- en familierecht, de Nederlandse regering op 31 maart 2010 de aanbeveling van het Comité van Europese ministers heeft aangenomen. Eén daarvan stelt dat het voor een volledige juridische erkenning van een geslachtsverandering nodig is dat officiële sleuteldocumenten, zoals school- en werkdiploma’s, op een snelle, transparante en toegankelijke manier kunnen worden bijgesteld. De aanbeveling heeft, in het bijzonder op het terrein van school- en universiteitsdiploma’s, ertoe geleid dat de wetgever de totstandkoming van het Besluit van 18 januari 2013 tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO in verband met het verstrekken van een vervangend opleidingsdocument bij naams- en geslachtsverandering, heeft bewerkstelligd. Dit besluit regelt door middel van een wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO dat personen, zoals transgenders, die hun voornaam of achternaam (hun geslachtsnaam) hebben gewijzigd, een vervangend opleidingsdocument, zoals een diploma, certificaat of cijferlijst, kunnen aanvragen. Hiermee wordt het zowel voor transgenders van wie de voornamen op grond van artikel 1:28b, tweede lid, van het BW zijn gewijzigd, als voor personen die om andere redenen hun voornamen of geslachtsnaam hebben laten wijzigen, mogelijk om een vervangend opleidingsdocument te verkrijgen. 6.
- In het licht van de hiervoor aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis moet worden vastgesteld dat de wetgever bij de totstandkoming van de wet uitdrukkelijk heeft stilgestaan bij de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte zowel op het terrein van het personen- en familierecht als daarbuiten. Daarbuiten, mede om tegemoet te komen aan internationale verplichtingen, heeft de wetgever een aantal wettelijke voorzieningen getroffen die het mogelijk maken ‘andere documenten’ in overeenstemming te brengen met de wijziging van het geslacht die heeft plaatsgevonden. Op het terrein van het personen- en familierecht heeft de onwenselijkheid van de gevolgen voor derden, de wetgever ertoe gebracht in artikel 1:28c, eerste lid, van het BW vast te leggen dat de gevolgen die voortvloeien uit het gedeelte van het Burgerlijk Wetboek dat over het personen- en familierecht gaat, geen terugwerkende kracht hebben. Dat betekent dat de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte in zoverre steeds haar gevolgen heeft vanaf de dag waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van geboorte een latere vermelding van wijziging van het geslacht toevoegt. Weliswaar is in het hele wetgevingstraject niet uitdrukkelijk stilgestaan bij de wenselijkheid van een wettelijke voorziening voor die situaties waarin, na wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte, de huwelijkse band tussen de echtgenoten intact blijft maar in het licht van de doelbewuste en met argumenten omklede keuze van de wetgever aan de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte op het terrein van het personen- en familierecht terugwerkende kracht te onthouden, is die vaststelling onvoldoende voor de conclusie van [verzoeker] dat sprake is van een leemte in de wet. 6.
- Daarmee ontbreekt voor [verzoeker], die in goed overleg met [belanghebbende] ervoor heeft gekozen na zijn transitie van vrouw naar man de huwelijkse band in stand te laten, de mogelijkheid (ook) de huwelijksakte in overeenstemming te brengen met de door hem actueel beleefde genderidentiteit. Aanwijzingen dat de wetgever binnen afzienbare tijd verruiming van de mogelijkheden overweegt, zijn er niet. 6.
- [verzoeker] heeft nog een beroep gedaan op de bescherming van de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onmogelijkheid de huwelijksakte te wijzigen, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [verzoeker], levert een ongeoorloofde inmenging op in zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven en daardoor is tevens sprake van een door artikel 14 verboden discriminatie van transgenders waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Een verdere uitwerking van zijn stellingen heeft [verzoeker] achterwege gelaten. 6.
- De genderidentiteit en het vastleggen van gegevens over die identiteit dienen zonder twijfel te worden geschaard tot het privéleven en het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM. Daarmee vallen zij onder de bescherming van artikel 8, eerste lid, EVRM. In het midden kan evenwel blijven of het beroep van [verzoeker] op artikel 8 al dan niet in verbinding met artikel 14 van het EVRM slaagt. Ook namelijk indien zou moeten worden aangenomen dat de wens van [verzoeker] de huwelijksakte aan te passen aan en in overeenstemming te brengen met de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte, een verdergaande erkenning behoeft, met name ook in juridische zin, dan op grond van de huidige stand van de Nederlandse wetgeving mogelijk is, geldt dat de wijze waarop daarin moet worden voorzien in de allereerste plaats rechtspolitieke keuzes vergt. Zo zal de principiële vraag moeten worden beantwoord of de mogelijkheid tot wijziging van de huwelijksakte — al dan niet met doorbreking van het gesloten stelsel van akten van de burgerlijke stand — wenselijk is, in het licht van het doel van de registers van de burgerlijke stand, de belangen en rechten van derden én het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen de aan een akte van geboorte en aan andere akten van de burgerlijke stand toekomende bewijskracht. De wetgever zal in dat kader onder ogen moeten zien dat de huwelijksakte overeenkomstig het bepaalde in artikel 157, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dwingend bewijs oplevert van hetgeen de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard en dat een wijziging van de huwelijksakte zoals [verzoeker] dat verlangt afbreuk doet aan die bewijskracht. Bovendien brengt de mogelijkheid tot wijziging van de huwelijksakte mee dat de wetgever zal moeten afstappen van de door hem gemaakte keuze dat de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte op het terrein van het personen- en familierecht terugwerkende kracht dient te worden onthouden. Bezien tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot het oordeel dat het haar rechtsvormende taak als rechter in eerste aanleg ver te buiten zou gaan indien de rechtbank [verzoeker] zou toestaan, zonder enige wettelijke grondslag, en zonder enig aanknopingspunt te hebben voor een op handen zijnde wetswijziging, de huwelijksakte te wijzigen in de door hem verlangde zin. 6.
- Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verzoeker] zijn geslacht in de huwelijksakte te (doen) wijzigen, zal worden afgewezen. 7De beslissing De rechtbank: Wijst het verzoek van [verzoeker] af. Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.A.J. Rings-Martens. Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.