Rechtbank Limburg Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Zaaknummer: C/03/201353 / BZ RK 15-96 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking van 20 maart 2015 gegeven inzake: [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, wonende [woonplaats], thans verblijvende bij Mondriaan Zorggroep, locatie Heerlen, advocaat mr. N.R. Heilhof, kantoorhoudend te Maastricht; tegen: de stichting ‘STICHTING MONDRIAAN’ verder te noemen: de stichting, zetelend te Heerlen. 1Het procesverloop Bij verzoekschrift, op 20 januari 2015 ingekomen ter griffie, heeft verzoeker een verzoekschrift als bedoeld in artikel 41a, vijfde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) ingediend ter verkrijging van een beslissing over de door hem bij de klachtencommissie ingediende klachten en te bepalen dat het intrekken van de vrijheden onrechtmatig is en dat de stichting verslaglegging dient over te leggen waaruit blijkt dat verzoeker als wilsbekwaam ten aanzien van de behandeling wordt behandeld. Tevens heeft hij op de voet van artikel 41b Wet Bopz om toekenning van schadevergoeding verzocht, een en ander met veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure. Het verzoek is mondeling behandeld ter zitting van 30 januari 2015, waar zijn gehoord verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat. De stichting heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. drs. C. Vleugels, geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis dat de stichting in stand houdt. 2De beoordeling 2.1 Verzoeker verbleef ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoek op grond van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 Wet Bopz, door de rechtbank verleend op 9 oktober 2014, zaaknummer C/03/196584 / BZ-RK 14/1256, in het psychiatrisch ziekenhuis Mondriaan. 2.2. Op 19 november 2014 heeft verzoeker met bijstand van de patiëntenvertrouwenspersoon klachten ingediend bij de klachtencommissie van het psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 41 Wet Bopz. Deze klachten betreffen: het beperken van de bewegingsvrijheid van verzoeker; de wilsonbekwaamheidsverklaring ten aanzien van verzoekers behandeling. 2.3. Bij beslissing van 9 december 2014 heeft de klachtencommissie de klachten ongegrond verklaard. 2.4. Op 20 januari 2015 heeft verzoeker op grond van artikel 41a Wet Bopz een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de klachten van verzoeker alsnog gegrond verklaart, naar de rechtbank begrijpt met vernietiging van de bestreden beslissing waartegen de klachten zijn gericht en dat de rechtbank bepaalt dat het beperken van de bewegingsvrijheid onrechtmatig is en dat de stichting verslaglegging dient over te leggen waaruit blijkt dat verzoeker als wilsbekwaam ten aanzien van de behandeling wordt behandeld, een en ander met toekenning aan verzoeker van een schadevergoeding van € 50,- per dag van de verdere vrijheidsbeperking van verzoeker sinds 16 september 2014, met veroordeling van de stichting in de kosten van het geding. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft verzoeker de rechtbank verzocht de inhoud van zijn klachten, zoals voorgelegd aan de klachtencommissie, als in zijn verzoekschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. 2.5. De stichting heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd. 2.6 Op de in dat kader betrokken stellingen wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan. 3De beoordeling 3.1. De klacht betreffende de wilsonbekwaamverklaring ten aanzien van verzoekers behandeling Voorop moet worden gesteld dat de geneesheer-directeur zorg draagt dat voor een patiënt zo spoedig mogelijk na zijn opneming een behandelingsplan wordt opgesteld. Daarbij heeft te gelden dat altijd eerst getracht moet worden om met de patiënt zelf te overleggen over het behandelingsplan. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 38a, derde lid, Wet Bopz, dat voorschrijft dat het behandelingsplan door de behandelaar na overleg met de patiënt wordt opgesteld. Indien de voor de behandeling verantwoordelijke persoon beslist dat de patiënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling, wordt het behandelingsplan, en in zoverre in afwijking van het derde lid, opgesteld in overleg met de wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt of, indien deze ontbreekt, met de persoon die door de patiënt schriftelijk is gemachtigd. Ontbreekt ook zodanige persoon of treedt deze niet op, dan wordt het behandelingsplan opgesteld in overleg met de echtgenoot van de patiënt, tenzij deze dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, met een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, een en ander voor zover dit overleg verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. Ingevolge artikel 41, eerste lid, Wet Bopz kan de patiënt, elke andere in het ziekenhuis verblijvende patiënt en ieder der in artikel 4, eerste lid, Wet Bopz bedoelde personen tegen (onder andere) een beslissing als bedoeld in artikel 38a, vierde lid, Wet Bopz een schriftelijke klacht indienen bij het bestuur van het psychiatrisch ziekenhuis. Verzoeker heeft ter toelichting en in aanvulling op de klacht ter zake de wilsonbekwaamheid - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende naar voren gebracht. De stichting, althans de voor de behandeling verantwoordelijk persoon maakt niet duidelijk waar het oordeel dat verzoeker wilsonbekwaam is ten aanzien van de behandeling op is gebaseerd noch op welke wijze het behandelingsplan en de toe te passen behandeling met verzoeker is besproken, nu verzoeker kennelijk wilsonbekwaam wordt geacht maar van de andere kant wel als wilsbekwaam persoon wordt behandeld. De stichting heeft ter zitting nader doen toelichten dat van wilsonbekwaamheid in de zin van artikel 38a, vierde lid, Wet Bopz geen sprake is. Bovendien heeft verzoeker geen aangewezen (wettelijk) vertegenwoordiger. De stichting stelt voorts weliswaar twijfels te hebben over de vraag of verzoeker zijn belangen altijd op een goede manier kan behartigen, maar zij heeft daaraan toegevoegd te beseffen dat, voordat het überhaupt tot een beslissing tot wilsonbekwaamheid kan komen, de stichting een procedure dient te starten om een vertegenwoordiger voor verzoeker te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank is een formele beslissing als bedoeld in artikel 38a, vierde lid, Wet Bopz van de voor de behandeling van verzoeker verantwoordelijke persoon, waarbij deze verklaart dat verzoeker niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling, niet aanwijsbaar. Dat in het aan de geneeskundige verklaring van 17 september 2014 gehechte behandelingsplan, enigszins ongelukkig, is verwoord dat verzoeker door de psychiater ‘wilsonbekwaam ter zake van de behandeling’ wordt beschouwd, is niet met zo’n schriftelijk beslissing op een lijn te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de geneesheer-directeur bovendien verklaard dat er een verschil is tussen wilsonbekwaam verklaren en wilsonbekwaam beschouwen en dat de Wet Bopz hierin niet nuanceert maar dat, wat daar ook van zij, verzoeker niet wilsonbekwaam is. Aldus moet worden vastgesteld dat in zoverre geen beslissing voorligt, waarover ingevolge artikel 41, eerste lid, Wet Bopz kan worden geklaagd. Dientengevolge kan de rechtbank verzoeker niet op grond van artikel 41a van de Wet Bopz in zijn klacht betreffende de wilsonbekwaamheid ter zake zijn behandeling ontvangen. De klacht is mitsdien niet-ontvankelijk. 3.2. De klacht betreffende de beperking van de bewegingsvrijheid van verzoeker De tweede klacht van verzoeker heeft betrekking op de ‘verdergaande’ beperking van de bewegingsvrijheid die voor hem sinds 16 september 2014 in en rond het psychiatrisch ziekenhuis van kracht is. De beperking komt volgens verzoeker erop neer dat hij voortaan effectief en alleen onder begeleiding – waar hij dat voordien onbegeleid mocht – ten hoogste vijftien minuten per dag de (gesloten) afdeling waar hij verblijft, mag verlaten. Verzoeker acht dit een substantiële wijziging van zijn bewegingsvrijheid die in strijd komt met de vereisten van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Verzoeker stelt voorts dat hem in dat verband ten onrechte geen kennisgeving als bedoeld in artikel 40a Wet Bopz is uitgereikt terwijl de feiten waarop deze verdergaande beperking steunt zijn gebaseerd op niet veel meer dan ‘roddel en achterklap’. Verzoeker ontkent vrouwen binnen het psychiatrisch ziekenhuis lastig te vallen, is sinds 2010 überhaupt niet meer fysiek agressief geweest naar personen en hij heeft het gevoel dat het geweldsincident van 11 juli 2010, naar aanleiding waarvan hij gesepareerd is geweest, hem nog steeds wordt nagedragen. Van de zijde van de stichting is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat de bewegingsvrijheid van verzoeker sinds 30 januari 2013 is beperkt. Het gaat dan om het beperken van zijn bewegingsvrijheid op het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis, inclusief de afdeling waar hij verblijft, waarvoor verzoeker ook een kennisgeving als bedoeld in artikel 40a Wet Bopz is uitgereikt. Verzoeker is niet verdergaand beperkt sinds september 2014. Ook vóór september 2014 is verzoeker al onder begeleiding buiten de afdeling geweest. De tijd dat hij buiten de afdeling mag zijn, is vanwege een aantal incidenten (zoals het seksueel lastig vallen van medepatiënten en het ongeoorloofd meenemen van uit Duitsland afkomstige medicijnen naar de afdeling), wel bekort. De structuur van de vrijheidsbeperking is hetzelfde gebleven, maar de modaliteiten binnen de beperking wisselen. De grondslag van de beperking is de kennisgeving als bedoeld in artikel 40a Wet Bopz van 30 januari 2013; het staat verzoeker vrij bij elke verdergaande beperking van de vrijheid, ook zonder dat daarvoor een kennisgeving als bedoeld in artikel 40a Wet Bopz is uitgereikt, zich te wenden tot de klachtencommissie. Volgens de stichting dient de klacht van verzoeker ongegrond te worden verklaard en dient het verzoek tot schadevergoeding te worden afgewezen. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de door de stichting ter zitting overlegde stukken, in het bijzonder het multidisciplinair behandelplan van 16 september 2014 en de brief aan de klachtencommissie Mondriaan van 28 november 2014, heeft vanaf 16 september 2014 op grond van artikel 40, derde lid, Wet Bopz een intensivering van de beperking van de bewegingsvrijheid van verzoeker in en rond het psychiatrisch ziekenhuis plaatsgevonden in die zin dat die vrijheid is ingeperkt tot verblijf op de afdeling en tot vrijheden buiten de afdeling onder begeleiding. Ingevolge artikel 40, derde lid, Wet Bopz kunnen beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels, anders dan als middel of maatregel, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 39, tweede lid, Wet Bopz worden opgelegd: a. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel b. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is. In beide situaties gaat het steeds om een individuele beslissing, door de behandelverantwoordelijke genomen in de vorm van een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en waartegen degene die door de beslissing rechtsreeks in zijn belangen wordt getroffen op de voet van het bepaalde in artikel 41 Wet Bopz een klacht bij de klachtencommissie kan indienen. Van de oplegging van beperkingen wordt mededeling gedaan aan de geneesheer-directeur. Bovendien bepaalt artikel 40a Wet Bopz dat de patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van artikel 41, eerste lid, een klacht kan worden ingediend, schriftelijk wordt geïnformeerd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.