RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht parketnummer: 03/830041-12 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 april 2015 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboortegegevens verdachte], wonende te [adresgegevens verdachte]. Raadsman is mr. L. Bien, advocaat te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18 februari 2014 en 7 april 2015, waarbij op laatstgenoemde zitting de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] is overleden en waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte als beginnend bestuurder zodanig hard over een donkere, smalle weg met hoge zachte bermen heeft gereden – waar een maximum snelheid gold van 50 km/u – dat hij de controle over zijn auto is verloren en tegen een boom is gebotst. Daardoor is de mede inzittende [slachtoffer 1] overleden en zijn de andere twee inzittenden [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zwaar gewond geraakt. Laatstgenoemden hebben verklaard dat verdachte er een onbesuisde rijstijl op na hield. De officier van justitie acht hier sprake van grove schuld en zeer onvoorzichtig rijgedrag. Niet bewezen acht de officier van justitie dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat hij onder invloed van verdovende middelen verkeerde. In zijn bloed zijn weliswaar sporen van softdrugs aangetroffen, maar de hoeveelheid werkzame stof was te gering om effect te hebben. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het bestanddeel roekeloosheid en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat hij vindt dat er sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en geen grove fout. Het feit dat er wel ernstige gevolgen zijn maakt de fout niet groter. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Op 3 maart 2012 omstreeks 23:00 uur heeft een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden op [straatnaam 1] te Heerlen. Verdachte reed, als bestuurder van een personenauto van het merk BMW, over [straatnaam 1] in de richting van [straatnaam 2] en botste hierbij op een gegeven moment tegen een boom. Met betrekking tot het soort weg, het wegverloop, de manier van rijden en de gevolgen is een rapport opgesteld. Hieruit blijkt onder andere het volgende: De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 50 km/u. De weg vervult de functie van een erftoegangsweg. In het wegverloop van [straatnaam 1] zijn verschillende opeenvolgende bochten gelegen, die onoverzichtelijk zijn en bovendien is sprake van een glooiend verloop van de rijbaan. De aan weerszijden grenzende bos- en landbouwgronden zijn, met een variërend hoogteverschil, hoger gelegen dan de rijbaan. Bij nadering van de plaats van de botsing tegen de boom heeft het verloop van de rijbaan een recht en dalend verloop. Dit recht wegverloop sluit aan op een hiervoor gelegen flauwe bocht naar rechts. Het zicht was op verschillende posities door de in het wegverloop gelegen bochten beperkt en deels onmogelijk. Bij het uitkomen van de flauwe, dalende bocht naar rechts brak de betrokken BMW met de achterzijde naar links uit, waarbij de linker wielen in de links gelegen verhoogde berm/bosrand terecht kwamen. Verdachte kon nog een stuurbeweging naar links maken, waarna hij met de rechter wielen door de rechter berm reed. De BMW bewoog zich vervolgens, draaiend om zijn hoogte-as (linksom), in de richting van de betrokken boom en botste daar met de rechterflank tegen aan. Ten gevolge van deze botsing vervormde de personenruimte van de auto en raakten de inzittenden gewond. De rechts achter gezeten passagier raakte dusdanig gewond, dat hij ter plaatse overleed. Volgens berekeningen van verbalisanten van de VerkeersOngevalAnalyse reed verdachte met een snelheid gelegen tussen 99 en 136 km/u. Indien hij zijn snelheid aan het verloop van de weg en aan de aard en gesteldheid van de rijbaan had aangepast en hij niet harder had gereden dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km/u, had hij de controle over zijn voertuig niet hoeven kwijt te raken en had het ongeval niet hoeven plaatsvinden. De conclusie over de gereden snelheid is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut.. Daar komt men tot de conclusie dat verdachte met een snelheid tussen 94 en 136 km/u gereden heeft. Ook onderzoek door een buitenlandse deskundige – die over meer ervaring beschikt betreffende het berekenen van gereden snelheden op glooiende wegen – heeft uitgewezen dat verdachte in elk geval sneller dan 95 km/u heeft gereden. Ten gevolge van het ongeval is [slachtoffer 1] overleden. [slachtoffer 2] liep ribfracturen rechts op, alsmede longletsel, een leverlaceratie, een nierlaceratie en een radiuskop(pols) fractuur. [slachtoffer 3] liep een bovenbeenbreuk, een breuk in het bekken, een schaambeenbreuk en een staartbeenbreuk op. Voor de vraag of verdachte schuld heeft aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In de onderhavige zaak spelen de volgende omstandigheden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 3 maart 2012 als bestuurder heeft opgetreden, dat hij zich niet meer veel van het ongeluk kan herinneren, maar dat hij zich niet kan voorstellen dat hij zo hard gereden heeft als uit de deskundigenrapporten blijkt. Nu de snelheid waarmee verdachte reed echter door zowel een deskundige van het NFI als door een buitenlandse deskundige is berekend en zij beiden tot nagenoeg dezelfde minimum snelheid komen, namelijk dat verdachte in ieder geval ten minste 95 km/u heeft gereden, gaat de rechtbank daar van uit bij de beoordeling van deze zaak. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op [straatnaam 1] bijna twee keer zo hard heeft gereden als daar is toegestaan. Verdachte was ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder, wat naar het oordeel van de rechtbank inhoudt dat hij een onervaren bestuurder was. Het was donker en het betrof een smalle weg, met een bochtig, glooiend, onoverzichtelijk wegverloop en hoger gelegen zachte bermen aan weerszijden van de rijbaan. Door op deze weg zo hard te rijden heeft verdachte de controle over zijn auto verloren en is hij via de bermen aan beide zijden van de weg tegen een boom gebotst. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan een grove verkeersfout met desastreuze gevolgen. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest, ten gevolge waarvan een botsing met een boom is ontstaan waardoor [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van roekeloosheid zoals bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet noch van rijden onder invloed van verdovende middelen en zij zal verdachte van deze bestanddelen van de tenlastelegging vrijspreken. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 03 maart 2012 te Heerlen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1], in een aldaar gelegen flauwe, dalende bocht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig - als beginnend bestuurder - met hoge snelheid, in elk geval op zodanige wijze te rijden dat hij het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend (volledig) onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in de linkerberm en rechterberm terecht is gekomen en vervolgens in botsing is gekomen met een boom, door welk verkeersongeval - [slachtoffer 1] werd gedood en - [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten ribfracturen rechts, longletsel, leverlaceratie, nierlaceratie en een radiuskopfractuur werd toegebracht en - [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een bovenbeenbreuk, een breuk in het bekken, een schaambeenbreuk en een staartbeenbreuk werd toegebracht. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 5De strafoplegging 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden en een rijontzegging voor de duur van vier jaar. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het tijdsverloop (het ongeval is inmiddels meer dan drie jaar geleden) en het feit dat verdachte inmiddels een baan heeft. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in zijn ogen buitensporig. De raadsman heeft bepleit een taakstraf op te leggen voor de maximale duur, maar daarvan een groot deel voorwaardelijk. Verdachte heeft zijn straf de afgelopen drie jaar al “uitgezeten”, aldus de raadsman. Nu verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om naar zijn werk te gaan, is een rijontzegging van vier jaar veel te lang. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte trad op 3 maart 2012 – na een avondje karten met zijn vrienden – op als bestuurder van zijn BMW. In de auto zaten ook [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verdachte reed op een gegeven moment over [straatnaam 1] te Heerlen met een snelheid van ten minste 95 km/u. Dat is bijna het dubbele van de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 km/u. Het betreft een donkere, smalle weg met onoverzichtelijke bochten en aan weerszijden zachte hoge bermen en bomen. In een van de bochten van deze weg is de auto door deze hoge snelheid “uitgebroken” en met de achterwielen in de berm terecht gekomen. Verdachte heeft door dit uitbreken vervolgens de macht over het stuur verloren en is tegen een boom gebotst. [slachtoffer 1] heeft deze botsing niet overleefd. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben beiden zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waarvan zij – zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen – hun leven lang last zullen blijven houden. De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.