RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 4007259 CV EXPL 15-3196 Vonnis in kort geding van 22 april 2015 in de zaak van [eiseres], wonend te [woonplaats], eisende partij, gemachtigde: mr. J.J.M. Goltstein tegen [gedaagde], wonend te [woonplaats], gedaagde partij, gemachtigde: mr. Y. Kunze. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding d.d. 7 april 2015 de van de zijde van [gedaagde] voorafgaand aan de zitting ingebrachte producties de mondelinge behandeling van de zitting op 20 april
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 8 augustus 2012 met registratienummer 99997 HA ZA 05-276 met [eiseres] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde, is [gedaagde] veroordeeld om - voor zover hier van belang - € 17.189,33 aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.212,30 vanaf 18 mei 2005 tot aan de dag van voldoening. 2.
- Naar aanleiding van dat vonnis heeft [eiseres] op 12 oktober 2012 € 15.000,00 aan [gedaagde] betaald, en een paar dagen later op 19 oktober 2012 nog eens € 5.811,27, in totaal derhalve € 20.811,
- 2.
- [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis, waarna het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 20 januari 2015 met registratienummer HD. 200.114.501/01 voornoemd vonnis heeft vernietigd en [eiseres] veroordeeld heeft om een lager bedrag aan [gedaagde] te betalen, te weten € 13.539,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.606,78 vanaf 18 mei 2005 tot aan de dag van voldoening. 3De vordering en het geschil 3.
- Bij voormeld exploot vordert [eiseres] de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.168,54, subsidiair € 4.109,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2012, een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- [eiseres] beroept zich op genoemd arrest. [eiseres] berekent de wettelijke rente over 9.606,78 over de periode van 18 mei 2005 tot 19 oktober 2012 op € 3.103,30, [gedaagde] heeft die op € 3.162,10 becijferd. [eiseres] heeft derhalve - achteraf bezien - € 4.168,54 dan wel € 4.109,74 onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. 3.
- [gedaagde] heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Het spoedeisende belang is door [eiseres] ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt. 4.
- Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt. 4.
- Gelet op de inhoud van voornoemd arrest, in combinatie met de naar omvang onbetwiste betalingen van [eiseres] op 12 en 19 oktober 2012, is voornoemde redelijke mate van zekerheid (meer dan) voldoende aanwezig. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen in een financieel moeilijke situatie verkeert, doet - wat daar ook verder van zij - niet af aan de terugbetalingsverplichting van hetgeen [eiseres] onverschuldigd aan hem heeft betaald. De gevorderde voorziening zal derhalve toegewezen worden, waarbij - zoals ter zitting reeds is toegelicht - uitgegaan zal worden van het bedrag van € 4.109,
- 4.
- De proceskosten zullen - zoals ter zitting eveneens reeds is toegelicht - worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] € 4.109,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2012, 5.
- compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken. RK