← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2015:3472

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 04/650054-06 Datum uitspraak : 23 april 2015 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, Nieuw Vosseveld 2 EBI, Lunettenlaan 501 Vught. 1Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 november en 20 december in het jaar 2013, 10 januari, 23, 24 en 25 april, 16 juni, 8 en 9 september, 4, 6 en 11 november, 4 en 9 december in het jaar 2014, 26 en 27 februari, 5 en 6 maart, 19 en 20 maart en 9 april in het jaar

  1. Op 4 november 2014 heeft in de loods aan de [adres 1] te Venray een schouw plaatsgevonden. Daarbij waren de officieren van justitie, de verdachte en mr. M.P.J.C. Heuvelmans aanwezig. Op 9 april 2015 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. Heuvelmans, advocaat te Venlo en mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2De tenlastelegging De ter terechtzitting van 26 februari 2015 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1 : [slachtoffer 1] heeft vermoord dan wel [slachtoffer 1] heeft gedood; Feit 2 : [slachtoffer 2] heeft vermoord dan wel [slachtoffer 2] heeft gedood; Feit 3 : de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verborgen/weggevoerd/weggemaakt/vernietigd; Feit 4 : opzettelijk 910 hennepplanten heeft geteeld/bereid/bewerkt/verwerkt dan wel aanwezig heeft gehad. 3De voorvragen De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De rechtbank heeft het openbaar ministerie ter terechtzitting van 10 januari 2014 ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 4 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat de verjaringstermijn inmiddels was verstreken. De rechtbank overweegt wat betreft de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 3 als volgt. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 10 januari 2014 geoordeeld dat er geen sprake is van verjaring van het onder feit 3 ten laste gelegde voor zover de tenlastelegging ziet op het wegmaken of verbergen van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit zijn immers voortdurende en dus doorlopende delicten. Het openbaar ministerie is ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging dan ook zonder meer ontvankelijk. Met betrekking tot de overige elementen van het onder feit 3 ten laste gelegde was nader onderzoek nodig, met name naar de vraag of er op enig moment een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt voorop dat de verjaringstermijn voor de overige hiervoor genoemde elementen 6 jaar bedraagt (artikel 70 Wetboek van Strafrecht). Dat betekent dat het onder feit 3 ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging ziet op het wegvoeren of vernietigen van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], op 12 mei 2012, zou verjaren. De verjaringstermijn vangt namelijk aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71 Wetboek van Strafrecht). Elke daad van vervolging stuit echter de verjaring, waarna een nieuwe verjaringstermijn van - in dit geval 6 jaar - aanvangt. Volgens het openbaar ministerie is de verjaring gestuit door opening van het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte] op 2 december 2006 en de aanhouding op 30 oktober
  2. Uit de stukken, de vordering gerechtelijk vooronderzoek van het openbaar ministerie en het bevel inverzekeringstelling van de hulpofficier van justitie, blijkt alleen dat die zien op de verdenking van moord c.q. doodslag van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en niet op het vernietigen of verbergen van de lichamen als bedoeld in artikel 151 Wetboek van Strafrecht. Een beschuldiging op basis van dat artikel komt in die stukken in het geheel niet voor. Nu andere daden van vervolging niet door het openbaar ministerie zijn aangevoerd en de rechtbank niet zijn gebleken uit het onderzoek, moet worden geconcludeerd dat feit 3 voor zover de beschuldiging ziet op het wegvoeren of vernietigen van de lichamen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] sinds 12 mei 2012 is verjaard. Daarmee is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot die onderdelen. Zoals reeds is beslist geldt dit niet voor het wegmaken of verbergen van die stoffelijke overschotten. De beschuldiging op deze onderdelen blijft dus in stand. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 primair bewezen kunnen worden verklaard, in die zin dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de loods aan de [adres 1] te Venray heeft vermoord. Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdachte vervolgens samen met medeverdachte [medeverdachte] de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verborgen gehouden en weggevoerd. Feit 3 kan dus ook bewezen worden verklaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging stelt dat de aangetroffen (forensische) sporen op de plaats delict uitsluiten dat de verdachte degene is die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedood en hun stoffelijke overschotten heeft verborgen en weggevoerd. Daarnaast kan niet worden bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Leeswijzer De rechtbank zal in verband met de overzichtelijkheid eerst aangeven hoe de beslissing is opgebouwd. De rechtbank zal allereerst, na een korte inleiding

(1)bespreken wat aan [verdachte] (hierna: “[verdachte]”) en [medeverdachte] (hierna: “[medeverdachte]”) wordt verweten
(2). Na enkele algemene feiten die uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken en voor een goed begrip van de verdere inhoud van het vonnis noodzakelijk zijn opgesomd te hebben
(3), is kort weergegeven wat de verdachten hebben verklaard over het ten laste gelegde
(4). Nu de beide verdachten in feite naar elkaar wijzen als de (enige) schuldige, is de beslissende vraag voor de rechtbank aan welke verklaring, die van [medeverdachte] of die van [verdachte], geloof wordt gehecht. Om die vraag te beantwoorden zal de rechtbank vervolgens
(5)de criteria benoemen die gebruikt zijn bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide verdachten. Daarna
(6)worden de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] aan die criteria getoetst om beredeneerd tot een keuze te komen. Het volgende onderdeel
(7)betreft een bespreking van de feitelijke toedracht, onderverdeeld in diverse onderdelen. Vervolgens
(8)zal de rechtbank in het vonnis van elke verdachte de rol die hij al dan niet bij deze gebeurtenissen heeft gespeeld, bespreken. Daarna zal de rechtbank daaraan de conclusie verbinden of deze rol een strafrechtelijk verwijt met zich mee brengt en zo ja, welk. Daar waar de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zal het vonnis overwegingen met betrekking tot de strafmaat en een bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen bevatten. Het oordeel van rechtbank zal dus bestaan uit de volgende onderdelen: Inleiding; Verwijt aan [verdachte] en [medeverdachte]; Algemene feiten en omstandigheden die uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken
  1. Verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] over het ten laste gelegde;
  2. Criteria voor toetsing van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte];
  3. De beoordeling van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte];
  4. Bespreking van de feitelijke toedracht en weergave van de bewijsmiddelen;
  5. Rollen verdachten en strafrechtelijke kwalificatie. 1Inleiding Op 11 mei 2006, omstreeks 16:00 uur, werd de politie in kennis gesteld van de vermissing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Uit politieonderzoek bleek dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de nacht van 10 op 11 mei 2006 hadden ingebroken in een loods achter café [naam café] aan de [adres 1] te Venray, terwijl [persoon 1] op de uitkijk stond. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich de toegang tot deze loods verschaft door de houten luiken aan de achterkant van de loods, open te breken. In de loods bevond zich zowel op de begane grond als op de eerste verdieping een hennepkwekerij. Deze kwekerijen waren in opdracht van [verdachte] gebouwd en ingericht. [medeverdachte] heeft diverse werkzaamheden verricht ten behoeve van deze kwekerijen. 2Verwijt aan [verdachte] en [medeverdachte] [verdachte] en [medeverdachte] worden beiden beschuldigd betrokken te zijn geweest bij het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de nacht van 10 op 11 mei 2006 in de loods en het nadien verbergen, wegvoeren, wegmaken of vernietigen van hun stoffelijke overschotten. 3Algemene feiten en omstandigheden die uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken Werkzaamheden van [verdachte] en [medeverdachte] in 2006 [verdachte] was in 2006 werkzaam in de grootschalige hennepteelt en had ongeveer 10 hennepkwekerijen in woningen gebouwd. Deze hennepkwekerijen werden professioneel ingericht: de kwekerijen waren onder meer voorzien van warmtewerende folie en automatische brandblussers. Daarnaast hingen er camera’s in de hennepkwekerijen die dienden ter voorkoming van diefstal en om de temperatuur in een kwekerij te monitoren. Rolverdeling [verdachte] regelde alles rondom de hennepteelt. Hij kwam aan de adressen van de woningen waarin een hennepkwekerij kon worden opgebouwd. [verdachte] was - naar eigen zeggen - de architect: hij kon zien hoe een ruimte zo efficiënt mogelijk kon worden benut voor de hennepteelt. Op het moment dat een kwekerij werd opgebouwd, gaf [verdachte] aanwijzingen. Hij bouwde zelf geen kwekerijen op. [medeverdachte] hielp mee met de opbouw van de hennepkwekerijen, onderhield deze en had contact met de bewoners van de woningen van de hennepkwekerijen. Indien door een camera beweging werd gedetecteerd in een kwekerij of de temperatuur in een kwekerij toenam, kreeg [medeverdachte] van deze camera een alarmmelding op zijn mobiele telefoon. [verdachte] moest in ieder geval geïnformeerd worden als een hennepkwekerij werd geript, de politie een inval deed of de opbrengst van de hennepkwekerij op een andere wijze in gevaar kon komen. Voertuigen De volgende voertuigen werden ten behoeve van de hennepteelt gebruikt: een witte Ford Transit bus met het kenteken [kenteken 1] dat op naam van [persoon 2] stond en door [medeverdachte] en [persoon 2] werd gebruikt; een Mercedes-Benz bus type 212 D met het kenteken [kenteken 2], aanvankelijk geel met het opschrift en het logo “[naam bedrijf]”, maar ten tijde van de inbeslagneming wit aan de buitenzijde. Het kenteken van deze bus stond op naam van [persoon 3] en de bus werd door [medeverdachte] en [persoon 2] gebruikt. Medewerkers [verdachte] had onder meer [medeverdachte], [persoon 2] en [persoon 4] in dienst ten behoeve van de hennepteelt. Dit personeel betaalde [verdachte] uit de opbrengsten van de hennepteelt. Panden [verdachte] beschikte in 2006 over twee woningen, te weten: de woning aan de [adres 2] te Arcen en de woning aan [adres 3] te Brüggen-Bracht (Duitsland). Hij verbleef het grootste deel van zijn tijd in de laatstgenoemde woning. Verder had hij de volgende panden ter beschikking ten behoeve van de hennepteelt: de loodsen aan de [adres 4] te Tegelen werden door [verdachte] onder de naam [alias] (de meisjesnaam van [verdachte]’ moeder) gehuurd. Deze loodsen fungeerden als “basis”. In deze loodsen waren veel (gebruikte) kweekspullen opgeslagen; de loods aan de [adres 1] te Venray. In deze loods stonden ongeveer 1.000 hennepplanten verdeeld over de beneden- en de bovenverdieping; de garagebox aan de [adres 5] te Venlo. In deze garagebox stonden onder meer persoonlijke spullen van [verdachte]. 4Verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] over het ten laste gelegde Verklaring van [verdachte] heeft - op hoofdlijnen - het volgende verklaard over 11 en 12 mei
  6. In de nacht van 11 mei 2006 belde [medeverdachte] met de mededeling dat er problemen waren in de hennepkwekerij aan de [adres 1] in Venray. Het alarm was afgegaan. [verdachte] heeft hem gezegd dat hij er maar naar toe moest gaan. [verdachte] was toen in Brüggen-Bracht. Hij had aanvankelijk geen zin om er zelf naar toe te gaan, maar omdat [medeverdachte] hem nogmaals belde en in paniek was, heeft hij gezegd dat hij ook zou komen. Onderweg heeft [verdachte] nog telefonisch contact gehad met [medeverdachte] en heeft hij hem gezegd dat hij maar lawaai moest maken zodat ze zouden vluchten. Aangekomen in Venray heeft [verdachte] zijn auto om de hoek gezet. [medeverdachte] kwam naar hem toe lopen. [verdachte] zag dat [medeverdachte] drugs had gebruikt. Volgens [medeverdachte] waren er twee jonge Marokkanen in het weedhok. [verdachte] heeft hem nogmaals gezegd dat hij kabaal moest maken en [medeverdachte] gevraagd of hij “iets” bij zich had. [medeverdachte] zei dat hij ergens iets had neergelegd. Daarna ging [medeverdachte] weg, in de richting van het pand. [verdachte] is buiten blijven wachten en na ongeveer 10 minuten kwam [medeverdachte] terug. Hij vertelde dat er problemen waren geweest: een van de mensen had iets op hem gericht en toen had hij moeten schieten. [medeverdachte] zei dat ze daar lagen, die gasten. [verdachte] heeft toen tegen [medeverdachte] gezegd: weg hier. Ze zijn toen naar de loods in Tegelen gereden. Daar heeft [medeverdachte] aan [verdachte] verteld dat het wapen nog in het pand lag, waarop [verdachte] tegen [medeverdachte] gezegd heeft: “dan hebben ze je zo”. [medeverdachte] vroeg daarop of het anders zou zijn als hij het zou gaan opruimen. [verdachte] heeft dat beaamd en hem gezegd dat hij er niets mee te maken wilde hebben. [verdachte] is toen naar Brüggen-Bracht gereden en [medeverdachte] zou met de Ford bus naar Venray gaan. Een paar uur later (een tot anderhalf of twee tot tweeëneenhalf uur) is [medeverdachte] bij [verdachte] thuis gekomen, in Brüggen-Bracht. [verdachte] heeft toen buiten met hem op het terras gesproken. [medeverdachte] zei dat hij de lichamen in de bus had gelegd, dat hij het wapen of de wapens had weggegooid en dat de bus met daarin de lichamen in de loods aan de [adres 4] in Tegelen stond. Daar was [verdachte] woedend over. Volgens [verdachte] heeft zijn vriendin [naam vriendin] dit gesprek meegekregen. [naam vriendin] moest toen nog haar zoontje naar school brengen, aldus [verdachte]. [verdachte] en [medeverdachte] zijn daarna naar Tegelen gegaan. [persoon 2] en [persoon 4] waren daar ook. Ze zijn vervolgens naar de loods aan de [adres 1] in Venray gegaan om de hennep te oogsten. [persoon 2] en [persoon 4] zijn daarna naar Blerick gegaan om de geoogste hennep te knippen. [verdachte] is de hele tijd in de buurt van Blerick gebleven. Laat in de middag, rond 17:00-18:00 uur, heeft [verdachte] [medeverdachte] weer gezien, buiten bij de loods in Tegelen. [medeverdachte] heeft toen tegen hem gezegd, dat hij de Ford bus met de lichamen ’s avonds weg zou brengen. Laat in de avond heeft [verdachte] [medeverdachte] opnieuw ontmoet. [medeverdachte] vertelde toen dat alles was opgeruimd en dat de Ford bus leeg in de garagebox aan de [adres 5] in Venlo stond. Over de Ford bus wil [verdachte] verder niets zeggen, op advies van zijn advocaat. De dag erna moest [verdachte] naar Turkije. Hij heeft [medeverdachte] toen meegenomen omdat hij “helemaal van het padje was”. [verdachte] heeft nooit gevraagd aan [medeverdachte] waar hij de lichamen heeft begraven. Misschien heeft hij op de binnenplaats van de gevangenis in Duitsland iets gezegd over een bus en heeft een medegedetineerde genaamd [persoon 5] dat opgevangen. Inhoudelijk heeft hij [persoon 5] nooit iets verteld. Verklaring van [medeverdachte] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard over 11 en 12 mei
  7. In de nacht van 11 mei 2006 heeft [medeverdachte] op zijn telefoon een alarmmelding gekregen van een beveiligingscamera in de hennepkwekerij aan de [adres 1] in Venray. Conform afspraak heeft hij toen [verdachte] gebeld om hem te vertellen dat het alarm was afgegaan. [verdachte] heeft hem gezegd dat hij moest gaan kijken. Vanuit zijn woning in Venlo is [medeverdachte] naar de loods in Venray gereden. Hij was daar rond 3.50 uur. Hij is gaan kijken bij de loods en heeft gezien dat de luiken aan de achterkant openstonden. Hij zag ook dat er licht door de opening naar buiten kwam. Ook hoorde hij stemmen. Hij heeft [verdachte] gebeld om door te geven wat hij had gezien. [verdachte] heeft gezegd dat hij daar moest blijven en dat hij eraan zou komen. [verdachte] was daar rond 4:30 uur. Terwijl [verdachte] onderweg was heeft hij nog enkele keren telefonisch contact gehad met [medeverdachte]. Toen [verdachte] in Venray aankwam en zijn auto parkeerde, is [medeverdachte] naar hem toegelopen en heeft hem verteld wat hij had gezien. [verdachte] haalde uit zijn kofferbak een wapen dat eruit zag als een kleine Uzi met een geluiddemper. [medeverdachte] kreeg van [verdachte] een pistool, waarin [verdachte] een houder met patronen heeft geduwd. Na met elkaar te hebben gesproken, zijn [medeverdachte] en [verdachte], beiden bewapend, via de voordeur het pand binnen gegaan. Ze zijn direct binnendoor naar de achterdeur gelopen en [verdachte] is buiten op de binnenplaats met zijn wapen op de geforceerde luiken gericht, gaan staan. [medeverdachte] is terug naar binnen gelopen om het afgesloten luik bovenaan de trap naar de bovenverdieping vast te openen. Nadat hij het luik had geopend, is hij over de potten van de hennepplanten naar het voorste deel van de ruimte gelopen. [verdachte] kwam vlak achter hem aan. Daar stonden twee jongens. De jongen die bij het geopende luik stond was gewond. Op een gegeven moment heeft [verdachte] drie keer geschoten. Aan de precieze gang van zaken rondom het schieten heeft [medeverdachte] geen herinnering meer. Na het schieten heeft hij de luiken gesloten en zijn [verdachte] en hij naar beneden gelopen. Ze zijn naar de achterkant van het pand gelopen. Buiten zagen ze een jongen, naar wie [verdachte] nog heeft geroepen. Daarna hebben ze via de voordeur het pand verlaten. Ze zijn terug gelopen naar hun auto’s en naar de loods in Tegelen gereden. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat hij mee terug moest om de lichamen van de jongens op te halen. Vanuit Tegelen zijn ze echter eerst naar Brüggen-Bracht gereden, naar de woning van [verdachte]. Daar heeft [verdachte] van auto gewisseld. [medeverdachte] heeft gewacht in de auto. Vervolgens zijn ze weer terug gereden naar Tegelen, waarna [medeverdachte] met de Ford bus en [verdachte] met zijn eigen auto weer naar Venray zijn gegaan. Bij de loods in Venray heeft [medeverdachte] de Ford bus achteruit de binnenplaats opgereden. Hij is naar boven gegaan en heeft de jongens via het platte dak aan de achterkant naar beneden laten zakken. [verdachte] heeft de jongens beneden aangepakt. Ze zijn in de bus gelegd. Daarna zijn [medeverdachte] en [verdachte] weer terug gereden naar de loods in Tegelen, waar de Ford bus met daarin de lichamen is geparkeerd. Rond die tijd kwamen [persoon 2] en [persoon 4] ook bij de loods. Hoewel hij niet wilde, moest [medeverdachte] van [verdachte] met hen terug naar Venray om op te ruimen en de hennep veilig te stellen. [medeverdachte] heeft in opdracht van [verdachte] potgrond boven in de loods gegooid om de sporen en het bloed te bedekken. [persoon 2] en [persoon 4] zijn daarna met de hennep naar Blerick gereden. [medeverdachte] moest de rest van de dag bij [verdachte] blijven. Hij is samen met [verdachte] gaan rijden om locaties te bekijken waar de jongens achtergelaten konden worden. In Arcen is op aanwijzingen van [verdachte] een plek gevonden waar de jongens konden worden begraven. [verdachte] en [medeverdachte] zijn rond 16:00-17:00 uur spullen gaan kopen bij de [naam winkel] in Velden om een graf te delven. Ze hebben vervolgens in Arcen het graf gegraven. Op het moment dat ze klaar waren, was het schemerig. Ze zijn daarna nog terug gereden naar Venray omdat [verdachte] een beveiligingscamera die was blijven hangen in de loods, wilde ophalen. Dat is niet gebeurd omdat toen al veel politie aanwezig was. Het was toen 22:00 of 23:00 uur. Vanuit Venray zijn ze naar de loods in Tegelen gereden. Daar hebben ze de stoffelijke overschotten in plastic zeilen verpakt en weer terug gelegd in de Ford bus. Daarop zijn ze naar Arcen gereden en ruim na middernacht hebben ze de jongens in het graf gelegd. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte] naar Venlo gereden waar de Ford bus in een garagebox van [verdachte] is geparkeerd. Later heeft [medeverdachte], in opdracht van [verdachte], de vloer van die garagebox gereinigd. Van de vloer van de loods in Tegelen moest, op de plek waar de Ford bus had gestaan, de toplaag worden vervangen. In juni 2006 is door [verdachte] de Ford bus in Duitsland in brand gestoken. [persoon 2] en [medeverdachte] waren daarbij. 5De criteria voor toetsing van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] De vraag naar de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] heeft de rechtbank beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: Spoort de verklaring met de tijdlijn, zoals die op basis van het dossier en met name aan de hand van de telecomgegevens kan worden vastgesteld? Is voor de lezing van de een of de ander steun te vinden in
(1)andere verklaringen of
(2)andere bewijsmiddelen? Wat zegt het tijdstip en de wijze waarop de verklaringen door de verdachten zijn afgelegd ? Wat is een mogelijk motief van de een of de ander om de jongens dood te schieten? Wijzen de forensische bevindingen een bepaalde richting op? Bij de beoordeling aan de hand van deze criteria heeft de rechtbank de getuigenverklaringen die ter zitting of bij de politie zijn afgelegd door familieleden, vrienden en/of kennissen in 2014 en 2015 buiten beschouwing gelaten. De rechtbank kan niet meer vaststellen of deze verklaringen betrouwbaar zijn nu vrijwel al deze getuigen in een veel eerder stadium diametraal anders hebben verklaard, soms ook onder ede bij de rechter-commissaris, of hebben verklaard niet te weten van enige betrokkenheid van [medeverdachte] of [verdachte]. Hoewel de hiervoor genoemde criteria als afzonderlijke punten worden benoemd, heeft de rechtbank deze criteria in onderling verband en samenhang beschouwd, bij haar overwegingen betrokken. 6De beoordeling van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] Omwille van de leesbaarheid van het vonnis, heeft de rechtbank ervoor gekozen om haar tussenconclusies in kaders weer te geven. Na iedere tussenconclusie wordt vervolgens nader onderbouwd hoe de rechtbank tot deze tussenconclusie is gekomen. A. De tijdlijn Tussenconclusie De verklaring van [medeverdachte] bevat geen evidente tegenstrijdigheden met de tijdstippen en de geografische locaties die uit de op telecomgegevens gebaseerde tijdstippen volgen. De verklaring van [verdachte] is niet te verenigen met de bewegingsregistratie door camera 4 omstreeks 7:41 uur. De rechtbank heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting uitvoerig aandacht besteed aan de tijdlijn die aan de hand van de gegevens uit het onderzoek naar de telecommunicatie kan worden gereconstrueerd. Van de meeste betrokkenen zijn telefoongegevens bekend, waardoor zij op bepaalde tijdstippen op 11 mei 2006 op bepaalde geografische plaatsen geplaatst kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit vastliggende objectieve gegevens, verzameld aan het begin van het onderzoek, waaraan de betrouwbaarheid van de verklaringen op specifieke onderdelen getoetst kan worden. Zo is uit het onderzoek bekend geworden dat de loods aan de [adres 1] uitgerust was met vier beveiligingscamera’s die bij beweging of significante temperatuurverschillen alarmmeldingen verzonden aan gekoppelde mobiele alarmnummers. Eén beveiligingscamera was onderaan de trap bevestigd, die van de begane grond naar de bovenverdieping liep. Deze camera was volgens [medeverdachte] zo afgesteld dat in beginsel iedereen die de voordeur binnenkwam en vanuit daar de opslagruimte inliep binnen zijn bereik viel. Omdat de exacte locatie niet meer te achterhalen valt, is niet uitgesloten dat de camera niet elke beweging in de opslagruimte detecteerde. Gelet op de positie bij de trap, moet in ieder geval wel elke beweging bij de trap zijn waargenomen. Deze camera wordt door de politie in het dossier aangeduid als “bewakingscamera 4”. In de hennepkwekerij op de benedenverdieping bevond zich ook een beveiligingscamera. Deze camera is door de politie in die hennepkwekerij aangetroffen en in beslag genomen en in het dossier aangeduid als “bewakingscamera 3”. De andere twee camera’s waren op de bovenverdieping geplaatst. Een camera was aan de wand van de voorste ruimte bevestigd, de ruimte waar uiteindelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn doodgeschoten. Deze camera wordt door de politie in het dossier aangeduid als “bewakingscamera 1”. De andere camera was in de ruimte opgehangen waar de hennepplanten stonden. Deze camera wordt door de politie aangeduid als “bewakingscamera 2”. Elke bewakingscamera was gekoppeld aan een mobiel nummer, hierna te noemen “alarmnummer”. Waar gesproken wordt over een “contactnummer” gaat het om de nummers van de gebruikte mobiele telefoons die niet waren gekoppeld aan een bewakingscamera. De alarmnummers 1, 2 en 3 en de contactnummers 6, 12 en 15 worden in het politieonderzoek toegeschreven aan [medeverdachte]. Het alarmnummer 4 en het contactnummer 11 zijn in gebruik bij [verdachte]. Voorts volgt uit het politieonderzoek dat contactnummer 1 vermoedelijk in gebruik was bij [persoon 2]. Contactnummer 7 wordt toegeschreven aan [persoon 4]. Deze bevindingen zijn ter terechtzitting niet weersproken door de verdediging. Beide verdachten hebben bovendien bevestigd op bepaalde tijdstippen over en weer met elkaar te hebben gebeld. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid hiervan. Voordat de rechtbank verdere conclusies kan verbinden aan de gegevens die uit het telecomonderzoek volgen, verdient eerst de werking van de beveiligingscamera’s nadere uitleg en de manier waarop de rechtbank vervolgens de printlijsten interpreteert. Tijdens deze uitleg zal de nadruk op de werking van camera 4 liggen, aangezien deze camera in het vervolg een belangrijke rol zal spelen. De werking van de bewakingscamera’s in het algemeen De in de loods gebruikte bewakingscamera’s zijn van het merk en type Nokia PT-6, zo blijkt uit de in beslag genomen camera 3 en de (in een later stadium in het graf van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aangetroffen) camera 4. Uit de zich in het dossier bevindende handleiding van deze camera’s blijkt, dat deze standaard zo zijn ingesteld, dat zij bij beweging slechts één bewegingsdetectiebericht (de rechtbank begrijpt: één alarmmelding met een daarbij behorende foto) versturen. Vervolgens wordt de bewegingsdetectie automatisch uitgeschakeld. De bewegingsdetectie moet dan handmatig of op afstand (door verzending van een sms-bericht) opnieuw geactiveerd worden. Het handmatig inschakelen van de bewegingsdetectie gebeurt door kort op de aan-/uitknop van de camera te drukken. Men heeft dan 60 seconden om de omgeving te verlaten voordat de bewegingsdetectie opnieuw wordt geactiveerd. Op de printlijst die zich in het dossier bevindt, zijn alle acties van de bewakingscamera’s en de daaraan gekoppelde alarmnummers te zien. De rechtbank interpreteert deze printlijst, in navolging van hetgeen deskundige [persoon 6] ter zitting van 19 maart 2015 heeft verklaard, als volgt. Bij iedere activering van een bewakingscamera (door een bewegingsdetectie) volgt een automatisch daarop volgende alarmmelding aan het gekoppelde alarmnummer. Deze alarmmelding bestaat uit een reeks van 10 of 11 automatische acties, welke reeks van acties op de printlijst zichtbaar is. Uit die printlijst blijkt dat de bewakingscamera bij beweging eerst een sms stuurt naar het gekoppelde alarmnummer (duur 0). De verzending loopt via een sms-centrale, op de printlijst te herkennen aan telefoonnummers eindigend op 1314 of 1317. Vervolgens wordt door de bewakingscamera een foto verstuurd via MMS. Zowel voor de verzending als voor de ontvangst van dit MMS bestand is internet contact noodzakelijk. Internet contact is op de printlijst weergegeven als MMS.TRAFFIC en PORTALMMM. Het fotobestand (MMS) wordt - wederom via de sms-centrale als doorgeefluik - verzonden aan de ontvanger, zijnde het gekoppelde alarmnummer. Als het bestand te groot is worden meerdere sms’en achter elkaar verzonden. De ontvanger, het alarmnummer, maakt daarop weer contact met internet om het bericht te kunnen ontvangen. Hetgeen in het voorgaande woordelijk is omschreven, ziet er op de samengestelde printlijst dan zo uit: 04:50:30 uur: camera 4  alarmnummer 2 (duur: 0) 04:50:32 uur: camera 4  sms ontvangen (gebelde [telefoonnummer 1]) (duur: 0) 04:50:37 uur: sms versturen (beller: [telefoonnummer 1])  alarmnummer 2 (duur: 0) 04:50:42 uur: camera 4  MMS.TRAFFIC 04:50:42 uur: camera 4  PORTALMMM 04:51:03 uur: camera 4  alarmnummer 2 (duur: 0) 04:51:15 uur: sms versturen (beller: [telefoonnummer 2])  alarmnummer 2 (duur: 0) 04:51:25 uur: sms versturen (beller: [telefoonnummer 2])  alarmnummer 2 (duur: 0) 04:51:30 uur: alarm 2  MMS.TRAFFIC 04:51:30 uur: alarm 2  PORTALMMM Uit vorenstaande gegevens kan worden afgeleid dat bewakingscamera 4 om 04:50:30 uur is geactiveerd (doordat die camera beweging detecteert). Deze activering mondt uit in een reeks van 10 automatische acties, welke reeks eindigt met de ontvangst van het verzonden fotobestand door alarmnummer 2 om 04:51:30 uur. Er is, anders dan door de politie gesuggereerd en het openbaar ministerie gesteld, dan ook geen sprake van een tweede bewegingsdetectie om 04:51:03 uur. De werking van bewakingscamera 4 Op de printlijst is vanaf 04:50:30 uur slechts de reeks zichtbaar die hoort bij één alarmmelding en de daarbij behorende foto, eindigend om 04:51:30 uur. De rechtbank leidt hieruit af dat camera 4 standaard ingesteld stond en dat deze dus werd uitgeschakeld nadat hij één alarmmelding (inclusief foto) had verstuurd. Na die eerste alarmmelding om 04:50:30 uur is op de printlijsten namelijk geen actie meer te zien, terwijl vaststaat dat - los van de vraag of “de versie [medeverdachte]” of “de versie [verdachte]” gevolgd wordt - de schutter of schutters weer via dezelfde trap en dus langs dezelfde camera 4 naar beneden moet(
  1. en)zijn gekomen. Die beweging is echter door camera 4 niet meer gedetecteerd, omdat deze camera na de melding van 04:50:30 uur automatisch uitschakelde en kennelijk toen niet opnieuw is aangezet. Vanuit camera 4 wordt echter om 07:41:11 uur opnieuw een alarmmelding verzonden. Dat betekent dat de bewegingsdetectie van deze camera op dat moment (weer) is ingeschakeld. De rechtbank stelt op basis van dit gegeven vast, dat er geen andere mogelijkheid is dan dat deze camera 4 opnieuw maar dan handmatig is aangezet (geactiveerd) ná de alarmmelding om 04:50:30 uur. Immers een aansturing op afstand (het via een sms opnieuw activeren van de camera) zou op de printlijst terug te zien moeten zijn. Op de samengestelde printlijst, noch op de originele printlijst van camera 4 is een dergelijke sms (verzonden van het gekoppelde alarmnummer 2 naar camera 4) te vinden in de tijdspanne tussen 04:51:30 uur en 07:41:11 uur. Toetsing van de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] aan de hand van de tijdlijn In samenhang bezien met het voorgaande, trekt de rechtbank op basis van de printlijst de volgende conclusies. Omstreeks 3:26 uur zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de bovenverdieping van de loods binnengekomen via de geforceerde luiken aan de achterkant. Op dat tijdstip zoekt camera 1 namelijk contact met de telefoon van [medeverdachte]. Omstreeks 4:50 uur is er op de benedenverdieping beweging in de buurt van de trap. Op dat tijdstip zoekt camera 4 namelijk contact met de telefoon van [medeverdachte]. Uit de printlijst blijkt dat [persoon 1] na 4:56 uur geen telefonisch contact meer krijgt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit is opmerkelijk, aangezien in de tijd daarvoor veelvuldig telefonisch contact plaats vindt tussen [persoon 1] en de jongens. Omstreeks 7:41 uur is er weer beweging op de benedenverdieping in de buurt van de trap. Camera 4 stuurt dan weer een melding naar een alarmnummer. Daarvóór, vanaf 4:50 uur tot 7:41 uur, is de camera niet geactiveerd. Na 7:41 uur is deze camera ook niet meer geactiveerd. Omstreeks 9:19 uur wordt camera 3 geactiveerd, de camera die in de hennepplantage op de benedenverdieping hing. Dit betekent dat op dat moment gestart moet zijn met het leeghalen van de plantage op de benedenverdieping door onder meer [persoon 2] en [persoon 4]. De verklaring van [medeverdachte] bevat geen evidente tegenstrijdigheden met de tijdstippen en de geografische locaties die uit de op telecomgegevens gebaseerde tijdlijn volgen. Met andere woorden: de verklaring van [medeverdachte] kan op dit punt kloppen, wanneer deze verklaring wordt gelegd naast de tijdlijn zoals die uit de telecomgegevens blijkt. Dat geldt niet voor de verklaring van [verdachte]. Hij heeft verklaard dat hij vanuit de loods in Tegelen om een uur of 5:30 uur naar zijn huis in Brüggen-Bracht is gereden. [medeverdachte] is toen met de Ford bus terug gereden naar Venray. Uren later - [verdachte] houdt hierbij een marge aan van één tot tweeëneenhalf uur - is [medeverdachte] in Brüggen-Bracht gekomen. Daar heeft hij [verdachte] verteld dat de lichamen van de jongens uit de loods aan de [adres 1] in Venray weg waren en in de Ford bus lagen en dat die bus met de lichamen in de loods in Tegelen stond. De vriendin van [verdachte], [naam vriendin], heeft [medeverdachte] toen ook gezien. Zij heeft gehoord wat hij zei. Zij moest toen haar zoon nog naar school in Tegelen brengen, aldus [verdachte]. Deze verklaring kan niet kloppen. Nazoeking op internet ([naam website]) leert dat de school van de zoon van [naam vriendin] om 8:30 uur begint. Het is van de [adres 3], Brüggen-Bracht (de woning van [verdachte]) naar de school De [naam school] in Tegelen, afhankelijk van de gekozen route, 19 of 20 minuten rijden (www.google.nl/maps). Om op tijd op school te kunnen zijn zal [naam vriendin] dus met haar zoontje uiterlijk om 8:10 uur uit Brüggen-Bracht moeten zijn weggereden. Dit betekent dat de ontmoeting van [medeverdachte], [verdachte] en [naam vriendin] in de ochtend van 11 mei 2006 vóór 8:10 uur moet hebben plaats gevonden. Volgens de verklaring van [verdachte] heeft [medeverdachte] hem tijdens deze ontmoeting verteld dat hij de lichamen van de jongens al had weggehaald uit de loods in Venray, dat hij ze in de Ford bus had gelegd én dat hij die bus had geparkeerd in de loods aan de [adres 4] in Tegelen. De reistijd van de [adres 1] in Venray naar de [adres 4] in Tegelen bedraagt 21 minuten (www.google.nl/maps). Van de loods in Tegelen naar de woning van [verdachte] in Brüggen-Bracht is het, via het toen bestaande wegennet, 22 minuten rijden (www.google.nl/maps). De totale reistijd van Venray, via Tegelen, naar Brüggen-Bracht was dus 43 minuten. Daarbij verdient opmerking dat dit de reistijden zijn in de situatie waarin er geen verkeer op de weg is. [medeverdachte] zou, uitgaande van de verklaring van [verdachte], evenwel op een doordeweekse dag tussen 7:00 en 8:00 uur, dus in de ochtendspits hebben gereden, zodat verondersteld kan worden dat er toen wél verkeer op de weg was. Met het verplaatsen van de beide lichamen van de bovenverdieping van de loods in Venray in de Ford bus, het parkeren van de bus met de lichamen in de loods in Tegelen en het overstappen in [medeverdachte] eigen auto moet daarnaast ook enige tijd zijn gemoeid. Tijd die er volgens de rechtbank niet was wanneer de lezing van [verdachte] wordt gevolgd. Dat wordt hierna uitgelegd. [verdachte] heeft gesteld dat [medeverdachte] rond 5:30 uur vanuit Tegelen, meteen nadat [verdachte] naar Brüggen-Bracht reed, naar de loods in Venray is gereden. Hij zal daar dan om een uur of 6:00 uur zijn aangekomen. Vreemd genoeg wordt er echter na 4:50 uur (de enige alarmmelding van camera 4 die nacht) tot 7:41 uur (de eerstvolgende en tevens laatste alarmmelding van camera 4 van die dag) geen enkele beweging door bewakingscamera 4 geregistreerd. Dit was de camera die beweging zou moeten hebben opgemerkt als er iemand de trap naar boven zou zijn opgegaan, waar de lichamen van de jongens lagen. Dat betekent dat [medeverdachte] - nog altijd uitgaande van de versie van [verdachte] - tussen 6:00 uur en 7:41 uur de lichamen van de jongens moet hebben weggehaald zonder dat hij daarbij door camera 4 is “opgepikt”. Dat lijkt een onmogelijke opgave. Mogelijk is [medeverdachte] tussen 6:00 uur en 7:41 uur nog ergens anders geweest of heeft hij buiten de loods in Venray gewacht, een reden daarvoor is niet gebleken. Als hij pas om 7:41 uur naar binnen is gegaan dan past dat bij de melding van camera 4. In dat geval had [medeverdachte] echter daarna veel te weinig tijd om de beide lichamen vanaf de bovenverdieping van de loods in Venray via het platte dak van de garage naar beneden te laten zakken en vervolgens in de bus te leggen, de bus met de lichamen naar Tegelen te rijden en daar te parkeren én vanuit daar naar Brüggen-Bracht te rijden, waar hij dan vóór 8:10 uur aan [verdachte] zou hebben verteld wat hij had gedaan. De periode tussen 7:41 uur en 8:10 uur bedraagt namelijk maar 29 minuten en alleen de reistijd van Venray, via Tegelen, naar Brüggen-Bracht (43 minuten) is al beduidend meer. Het zou misschien nog zo kunnen zijn dat [medeverdachte] tussen 6:00 uur en 7:41 uur wel degelijk in de loods in Venray is geweest en dat hij in die tijd niet is opgepikt door camera 4, omdat die op dat moment uitgeschakeld stond. In dát geval had hij tussen 6:00 uur en 7:41 uur voldoende tijd om de lichamen naar beneden te brengen, in de bus te leggen en de bus te parkeren in Tegelen. In deze lezing zou [medeverdachte] dan bij het verlaten van de loods in Venray, dus nadat hij de lichamen in de bus had gelegd, opnieuw camera 4 moeten hebben ingeschakeld. Om 7:41 gaat het alarm van die camera immers af. Dat betekent dus dat om dat tijdstip iemand in de buurt van de trap in de loods in Venray is geweest. In de visie van [verdachte] kan dit niemand anders geweest zijn dan [medeverdachte] die het pand binnen komt. Nog los van de vraag waarom [medeverdachte] dan om 7:41 uur nogmaals naar binnen ging in de loods in Venray, is het ook in die lezing onmogelijk voor [medeverdachte] om tijdig, dat wil zeggen vóór 8:10 uur in Brüggen-Bracht op het terras te zitten. Immers, de reistijd van Venray naar Brüggen-Bracht bedraagt via het toen bestaande wegennet - de brug bij de A73 was in 2006 nog niet voor doorgaand verkeer richting Roermond ontsloten - 36 minuten (www.google.nl/maps). Dat betekent dus dat als [medeverdachte] om 7:41 uur nog in het pand aan de [adres 1] in Venray binnenkomt om te doen waarvoor hij daar komt, vervolgens het pand moet verlaten, naar zijn auto moet lopen en naar Brüggen-Bracht moet rijden, hij nooit vóór 8:10 uur op het terras in Brüggen-Bracht aan de koffie kan hebben gezeten. Kortom, welke lezing ook gevolgd wordt, de verklaring van [verdachte] dat hij in de ochtend van 11 mei 2006 vóór 8:10 uur met [medeverdachte] op het terras heeft gezeten in Brüggen-Bracht en dat [medeverdachte] hem daar vertelde wat hij met de lichamen van de jongens had gedaan, kan niet kloppen. B. Getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen Tussenconclusie De rechtbank komt tot het tussenoordeel dat de eerdere verklaring(
  2. en)van [medeverdachte] ook te verifiëren is/zijn aan de hand van later door getuigen afgelegde verklaringen en enkele overige bewijsmiddelen. De verklaring van [verdachte] daarentegen lijkt op zichzelf te staan, nu deze door niets of niemand wordt bevestigd. Integendeel, de getuigen [persoon 1], [naam vriendin] en [persoon 5] weerspreken zijn verklaring. B.1 Getuigenverklaringen De verklaringen van [persoon 5], [persoon 2] en [persoon 4] gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen. Hierna is uiteengezet waarom de rechtbank aan deze verklaringen wel geloof hecht, in tegenstelling tot de eerder genoemde verklaringen van diverse vrienden en familieleden afgelegd in 2014 en 2015. Ook is aangegeven hoe deze verklaringen zich verhouden tot de verklaringen van [medeverdachte] dan wel tot die van [verdachte]. De getuige [persoon 5] Door de verdediging van [verdachte] is de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 5] betwist. [persoon 5] heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in de gevangenis te Ratingen (Duitsland) aantekeningen heeft bijgehouden van hetgeen medegedetineerde [verdachte] tegen hem heeft verteld. In de kern komen deze aantekeningen erop neer dat [verdachte] tegen [persoon 5] heeft verteld dat hij de twee Marokkanen in Venray heeft vermoord en hen heeft laten verdwijnen. De aantekeningen zijn, zoals [persoon 5] later zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft bevestigd, door hem zelf opgeschreven en vormen een verslag van hetgeen hij in de maanden oktober tot en met december 2012 van [verdachte] in Ratingen heeft gehoord. Deze aantekeningen vormen dus de meest authentieke bron van de verklaring van [persoon 5]. De rechtbank zal zich tot deze aantekeningen beperken. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aantekeningen van [persoon 5] acht de rechtbank van belang dat [persoon 5] hierin noteert: 1. de persoonsgegevens van [medeverdachte], te weten dat [medeverdachte] 38 jaar oud is, twee kinderen heeft en dat [verdachte] en [medeverdachte] 1 jaar geleden ruzie hadden; 2. de persoonsgegevens van [verdachte], te weten dat hij twee vrouwen heeft; een vrouw in Arcen en een vrouw in Duitsland; 3. dat [verdachte] vanaf de voorgeleiding bij de rechter-commissaris zou worden bijgestaan door mr. Knoops. Ook heeft [persoon 5] de naam van de behandelende officier van justitie, mr. Smits, juist genoteerd; 4. dat [persoon 2] werkzaamheden voor [verdachte] verrichtte; 5. dat [verdachte] bij zijn aanhouding in 2012 een vuurwapen droeg; 6. dat [verdachte] tegen hem had verteld dat een vrouw van ongeveer 50 jaar met kinderen een anonieme verklaring tegen hem had afgelegd. [verdachte] had een weedhok bij deze vrouw gebouwd en zou nog € 5.000,- van haar krijgen. [persoon 5] noteerde dat [verdachte] in 2007 op papier had gezet wie degene was die de anonieme verklaring had afgelegd en dat [verdachte] deze brief bij een notaris had gedeponeerd; 7. dat de uitgebrande bus van [verdachte] was, maar op naam stond van [persoon 2] en dat de verzekering voor deze bus nog zo’n 2 jaar is doorbetaald. 8. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat achter de aantekeningen van [persoon 5] een briefje zit dat - naar [verdachte] ter zitting heeft bevestigd - door [verdachte] is geschreven met daarop de telefoonnummers van de vrouw, de vriendin en de zoon van [verdachte]. De hiervoor door [persoon 5] opgeschreven feiten en omstandigheden kunnen niet uit een andere bron komen dan uit de mond van [verdachte] zelf. Zo waren de telefoonnummers, de persoonsgegevens van [medeverdachte] (diens leeftijd en het gegeven dat hij 2 kinderen heeft), en het gegeven dat mr. Knoops vanaf de inbewaringstelling zou optreden voor [verdachte], niet bekend gemaakt in de media. Evenmin is aannemelijk geworden dat die gegevens [persoon 5] op een andere wijze bekend zouden zijn geworden. Datzelfde geldt voor de overige feiten en omstandigheden die [persoon 5] heeft genoteerd. Zo is pas sinds 21 november 2014, dus bijna twee jaar nádat [persoon 5] en [verdachte] samen gedetineerd zaten en [persoon 5] zijn aantekeningen opschreef, bekend dat [verdachte] en [medeverdachte] een handgeschreven en door hen ondertekende brief over de anonieme getuige (nu bekend als de getuige [persoon 8]) bij de notaris hebben gedeponeerd. In deze brief, gedateerd 11 augustus 2007, komt het detail van € 5.000,- terug. Over de bus die verbrand is en waarvoor een aantal kosten 2 jaar lang zijn doorbetaald, zijn pas details naar voren gekomen in verhoren en onderzoek vanaf december 2012. Zo heeft [persoon 2] daarover verklaard op 8 december 2012, zijnde enkele dagen vóórdat [verdachte] - volgens de aantekeningen van [persoon 5] - daarover tegen [persoon 5] zegt dat de uitgebrande bus van hem was, maar op naam stond van [persoon 2] en dat de uitgebrande bus niet is opgegeven aan de verzekering, maar dat de verzekering juist nog 2 jaar is doorbetaald. Ook heeft [verdachte] daarover tegen [persoon 5] gezegd dat hij hoopt dat [bijnaam persoon 2] (een bijnaam van [persoon 2]) niet al te veel over die bus zegt. De details met betrekking tot de tenaamstelling en het twee jaar doorbetalen van de verzekering van de bus uit de aantekening van [persoon 5] zijn later bevestigd door de gegevens van het CJIB en de RDW. [verdachte] heeft in juli 2014 aangegeven volledige openheid van zaken te willen geven en een verklaring te willen afleggen in de onderhavige zaak. Toch heeft [verdachte] zich op vragen over het afbranden van de Ford bus altijd beroepen op zijn zwijgrecht. Dat gegeven wekt bevreemding. De rechtbank acht hetgeen de raadsman als verklaring voor dit zwijgen heeft aangevoerd niet overtuigend. Ze ziet volstrekt niet in waarom [verdachte] niet zelf en voorts niet in een veel eerder stadium heeft verklaard - zo al de waarheid - dat hij op 6 juni 2012, dus op het moment dat de Ford bus in Duitsland in brand werd gestoken, nog in Kroatië verbleef. Ook heeft [verdachte] niet kunnen aangeven waarom [persoon 5] toch bijzondere details over deze bus wist te vertellen, en ook niet voor het gedurende 2 jaar doorbetalen van de verzekering door [verdachte]. De getuigen [persoon 2] en [persoon 4] De betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 4] zijn door de verdediging niet betwist. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. [persoon 2] heeft, als gezegd, in 2012 verklaard over het in de brand steken van de Ford bus en het doorbetalen van de verzekering. Daarnaast heeft hij in juni 2014 verklaard over het afbikken en opnieuw afsmeren van de vloer van de loods in Tegelen in opdracht van [verdachte]. Hij heeft daarmee de eerder door [medeverdachte] afgelegde verklaring op dit punt bevestigd. [persoon 2] heeft verder een verklaring afgelegd over de ontmoeting in de loods in Tegelen in de ochtend van 11 mei 2006. Hij vertrok rond 8:00 uur met [persoon 4] naar een klus, toen zij de opdracht kregen terug te gaan naar de loods in Tegelen. Daar waren [medeverdachte] en [verdachte]. [verdachte] gaf hier de opdracht om hennep te gaan oogsten in de loods aan de [adres 1] in Venray. [verdachte] stelde daarbij uitdrukkelijk dat het vlot moest, dat ze de monden dicht moesten houden en dat niemand behalve [medeverdachte] naar de bovenverdieping mocht. [persoon 4] heeft deze gang van zaken bevestigd. Onderzoek naar de telecommunicatie bevestigt dat contactnummer 1 - in gebruik bij [persoon 2] - vanaf 08:19:06 uur nabij de loods in Tegelen is geweest. Vervolgens zijn zowel contactnummer 1 als contactnummer 7 ([persoon 4]) in Venray onder een zendmast waaronder ook de loods aan de [adres 1] valt. Ook verklaart [persoon 4] over het feit dat hij, samen met zijn grootvader, in opdracht van [verdachte] mensen heeft moeten volgen om vast te stellen wie de anonieme getuige was. [persoon 4] is hierover gehoord naar aanleiding van een eerdere verklaring van [medeverdachte] terzake en bevestigt hetgeen [medeverdachte] hier eerder over verklaarde. De getuige [persoon 1] Daarnaast betrekt de rechtbank de eerste verklaring van [persoon 1] bij haar overwegingen. Deze verklaring, afgelegd op 11 mei 2006 en dus direct na het gebeuren, wordt bevestigd door wat [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard van [persoon 1] te hebben gehoord. In latere verhoren stelt [persoon 1] zijn verklaring bij, kennelijk om zijn eigen rol - de betrokkenheid bij de diefstal van hennep uit de loods - te verhullen. [persoon 1] heeft in die eerste verklaring tegenover de politie verteld wat hij heeft gezien die nacht. [persoon 1] heeft verklaard dat hij die bewuste nacht omstreeks 5:00 uur, nadat hij geen contact meer kon krijgen via de telefoon met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], twee blanke mannen heeft gezien, een dikke en een dunne, die achter de poort stonden aan de achterzijde van het pand aan de [adres 1]. De dikkere man heeft naar hem geroepen. Hij omschrijft een grote man gezien te hebben met een dikke buik tussen de 45 en 50 jaar oud. De andere man was duidelijk jonger, had een normaal postuur en had kort donker haar. De rechtbank acht uitgesloten dat omstreeks dat tijdstip, 5:00 uur, twee andere mannen dan [medeverdachte] en [verdachte] door [persoon 1] zijn gezien achter het hek op de binnenplaats van de loods. [verdachte] woog in die tijd 165 kilo. De verklaring van [persoon 1] bevestigt dus de verklaring van [medeverdachte] en is in tegenspraak met die van [verdachte], die verklaart die nacht niet op de binnenplaats aan de achterzijde van het pand te zijn geweest. Ook [persoon 5] noemt in zijn aantekeningen een derde persoon. De getuige [naam vriendin] , de vriendin van [verdachte], heeft op 26 maart 2013 onder ede bij de rechter-commissaris verklaard op de vraag wat de rol van [medeverdachte] is in de moord in Venray: “niets”. Ze zegt voorts nooit met [verdachte] over de moord te hebben gesproken. Ook heeft zij - naar eigen zeggen - “geen specifieke herinneringen aan de ochtend van 11 mei 2006”. Dit is in tegenspraak met de verklaring van [verdachte] dat [naam vriendin] een gesprek tussen hem en [medeverdachte] zou hebben gehoord in de ochtend van 11 mei 2006 in Brüggen-Bracht en zijn stelling dat hij later nog met [naam vriendin] over dit gesprek heeft gesproken. B.2 De overige bewijsmiddelen De kassabon [medeverdachte] heeft in mei 2014 verklaard dat [verdachte] en hij, nadat ze een plek hadden gevonden waar het graf kon worden gedolven, meerdere scheppen, overalls, een bladerhark, laarzen en twee blauwe afdekzeilen zijn gaan kopen. [verdachte] heeft deze spullen volgens [medeverdachte] contant betaald. In september 2014 heeft [medeverdachte] dit nader in de tijd geplaatst en verklaart dat deze goederen rond 16:00-17:00 uur bij de [naam winkel] in Velden werden gekocht. Op 25 november 2014 is een kassabon van de [naam winkel] te Velden aan het dossier toegevoegd. Hierop staan goederen vermeld die gebruikt kunnen worden om een graf te graven. Die transactie is op 11 mei 2006 om 17:05 uur tot stand gekomen. Op deze bon stonden de volgende goederen vermeld: 1 overall, 2 werkhandschoenen, 1 paar knielaarzen maat 45, 1 paar kuitlaarzen maat 43, 1 hark, 1 spade, 1 bats en 2 groene dekzeilen verkocht. [medeverdachte] heeft zijn verklaring dus afgelegd op een moment dat de hiervoor genoemde kassabon nog geen deel uitmaakte van het dossier. Dat maakt dat deze bon een duidelijke ondersteuning is voor de verklaring van [medeverdachte]. Het feit dat op deze bon staat dat de meeste artikelen in tweevoud zijn gekocht, is bovendien beter passend bij de verklaring van [medeverdachte], dan bij die van [verdachte]. [verdachte] verklaart immers dat [medeverdachte] alles alleen heeft gedaan. Waarom [medeverdachte] dan twee paar laarzen, en nog wel in verschillende maten, heeft gekocht, ontgaat de rechtbank. Het aantreffen van de stoffelijke overschotten en het sporenonderzoek De rechtbank betrekt bij haar beslissing over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] dat de stoffelijke overschotten op aanwijzen van [medeverdachte] in 2014 zijn gevonden. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Verder heeft [medeverdachte] vanaf april 2014 in politieverhoren verklaard over omstandigheden die pas later - dus na zijn verhoren - tijdens nader onderzoek juist bleken te zijn, dan wel niet bleken uit eerder aan hem ter beschikking staande dossierstukken. De rechtbank wijst op de volgende omstandigheden: [medeverdachte] heeft verklaard over de positie van beide slachtoffers toen zij op de grond lagen in de voorruimte op de bovenverdieping van de loods. De door hem aangegeven plekken stemmen overeen met de in die voorruimte aangetroffen en geanalyseerde bloedsporen van elk van de slachtoffers. Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat een van beide jongens al gewond was aan zijn rechterzijde (arm of hand). Bij de latere gerechtelijke sectie op de stoffelijke overschotten is gebleken dat [slachtoffer 2] inderdaad schotletsel in zijn rechter bovenarm had. [medeverdachte] heeft verklaard over de die nacht door [verdachte] ingenomen positie op de binnenplaats aan de achterzijde van het pand. Volgens [medeverdachte] stond [verdachte] met zijn wapen omhoog gericht naar de opengebroken luiken. Op de achtermuur van het pand, op de plek waar [verdachte] bewapend moet hebben gestaan volgens [medeverdachte], zijn daadwerkelijk schotresten aangetroffen. De precieze locatie van de aangetroffen schotresten stond niet in het stamproces-verbaal waarover [medeverdachte] beschikte voorafgaande aan de door hem in april en mei 2014 afgelegde verklaringen. C. Wijze en moment van totstandkoming van de verklaringen Tussenconclusie De eerste negen verklaringen van [medeverdachte] vanaf 18 april 2014 tot 11 juli 2014 zijn het meest authentiek in de zin van aantoonbaar het minst beïnvloed door van buiten komende omstandigheden of verklaringen of bevindingen van anderen, onder wie de andere verdachte [verdachte]. De authenticiteit van de verklaringen van de verdachte [verdachte] kan niet beoordeeld worden, aangezien op het moment dat [verdachte] een verklaring heeft afgelegd op 11 juli 2014, aan zijn advocaat het volledige dossier ter beschikking was gesteld. Daaronder bevonden zich ook de tot dan toe door [medeverdachte] afgelegde verklaringen. Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen tijdsverloop geen gunstige invloed heeft op het geheugen. In de loop van 2014 hebben beide verdachten voor het eerst hun visie gegeven op de gebeurtenissen in mei 2006, meer dan acht jaar later dus. Dit tijdsverloop komt geheel voor de verantwoordelijkheid van de verdachten zelf. Zij zijn het immers die hebben nagelaten eerder openheid van zaken te geven. Met dit gegeven moet de rechtbank hoe dan ook rekening houden, maar dit brengt niet mee dat reeds om die reden de verklaring van de een (on)betrouwbaarder is dan die van de ander of omgekeerd. Dit tijdsverloop brengt ook mee dat mogelijkheden tot het verifiëren van de verklaringen van [verdachte] en/of [medeverdachte] steeds schaarser en onzekerder worden. Deze omstandigheid kan evenmin ten voordele van de verdachten strekken. Het betekent wel dat daar waar de mogelijkheid tot verificatie is benut, bijvoorbeeld aan de hand van telecomgegevens, verklaringen van anderen, opgedoken gegevens als een brief gedeponeerd bij de notaris of een bon van de [naam winkel] en pathologische gegevens, die verificatie zwaar weegt. Bij een positieve verificatie van een verklaring immers wordt een hogere graad van geloofwaardigheid gegeven aan die verklaring, en dat ondanks het tijdsverloop van jaren. Zoals aangegeven heeft [medeverdachte] nadat hij inzicht had gekregen in de aantekeningen en verklaring van [persoon 5] van 23 december 2013 en de “afscheidsbrieven” van [verdachte] (door hem geschreven naar aanleiding van een mogelijke ontsnappingspoging), op 18 april 2014 een verklaring afgelegd. Daarin heeft hij voor het eerst uitvoerig uit de doeken gedaan wat volgens hem op 11 en 12 mei 2006 is gebeurd. Daarvoor heeft [medeverdachte] zich, overeenkomstig de daartoe - binnen de groep van personen die voor [verdachte] werkten - gemaakte afspraak, op zijn zwijgrecht beroepen. In de eerste verhoren van [medeverdachte] wordt hij door de politie zelf veel aan het woord gelaten en pas later, na een drietal verhoren, wordt hij meer op detailniveau bevraagd. Op dat moment beschikte [medeverdachte] naar eigen zeggen en volgens het daarover opgemaakte proces-verbaal over een samenvatting van 80 pagina’s van het politieonderzoek, het verhoor van [persoon 2] van 8 december 2012 en dat van [persoon 5] van 23 december 2012 (inclusief diens aantekeningen). [medeverdachte] heeft ook het verslag over de “ontsnappingspoging” van [verdachte] mogen inzien. [verdachte] heeft op dat moment nog geen verklaring over de gebeurtenissen afgelegd. In totaal is [medeverdachte] gedurende de periode vanaf 18 april 2014 tot december 2014 dertien keer gehoord door de politie en uitvoerig door de rechtbank tijdens de schouw op 4 november 2014. [verdachte] heeft pas voor het eerst zijn verklaring over 11 en 12 mei 2006 afgelegd in een verhoor op 11 juli 2014 onder leiding van de rechter-commissaris. Hij wilde pas een verklaring afleggen na “groen licht van zijn advocaat” en nadat hij de beschikking had gekregen over “de stukken”. De advocaten moesten eerst hun strategie bepalen en [verdachte] moest hier zo goed mogelijk uit zien te komen. Voorts heeft hij te kennen gegeven niet door de politie te willen worden gehoord. Een tweede keer is [verdachte] op zijn voorwaarden op 16 oktober 2014 onder leiding van de rechter-commissaris gehoord. Bij beide verhoren was zijn advocaat aanwezig. Daarvoor heeft [verdachte] in de verhoren van de politie elke betrokkenheid ontkent en aangegeven niet te willen praten over anderen. Tijdens de schouw op 4 november 2014 is [verdachte] slechts kort gehoord omdat hij naar zijn zeggen die nacht niet in de loods is geweest. Overigens is zijn advocaat wel aanwezig geweest tijdens het uitvoerige verhoor van [medeverdachte] in de loods die dag tijdens de schouw. Beide verdachten zijn tijdens de zittingen nog uitvoerig bevraagd door de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat [medeverdachte] bereidwillig probeert hiaten in zijn geheugen op te vullen maar daarbij gauw in speculaties vervalt. Een wezenlijk andere verklaring dan eerder door hem bij de politie afgelegd, heeft [medeverdachte] evenwel niet gegeven. [verdachte] heeft tijdens de zitting meermalen zijn verklaring aangepast naar aanleiding van de voorgehouden bevindingen uit het dossier. Zo blijft hij wisselvallig over de gebeurtenissen nadat zij beiden de eerste keer bij de loods in Venray zijn geweest in de nacht van 11 mei 2006, kan hij nimmer specifiek aangegeven waar hij die 11e mei in de middag tijd heeft doorgebracht in of rond Blerick en blijft hij (zowel eerder bij de RC als) ter zitting zwijgen over zijn betrokkenheid bij de (uitgebrande) Ford bus. Als zijn advocaat ten slotte bij pleidooi aangeeft dat hij ten tijde van het in brand steken van de bus in Kroatië was, kan hij desgevraagd niet aangeven waarom hij dat niet veel eerder heeft verklaard. Ook over [persoon 5] laat [verdachte] onduidelijkheid bestaan. Had hij eerst die [persoon 5] nooit over de zaak Venray gesproken, ter zitting verklaart [verdachte] dat [persoon 5] mogelijk een gesprek tussen hem en een ander heeft afgeluisterd waarop ten slotte zijn advocaat bij pleidooi aanvoert dat [verdachte] wel met [persoon 5] heeft gesproken. Uit hetgeen hiervoor is weergegeven trekt de rechtbank drie conclusies: [medeverdachte] heeft zijn verklaringen grotendeels afgelegd op een moment dat [verdachte] zijn verklaring nog niet heeft gegeven. [verdachte] heeft pas een verklaring afgelegd nadat [medeverdachte] al 9 verklaringen had afgelegd (in de periode van 18 april - 11 juli 2014). [medeverdachte] beschikte tijdens het afleggen van zijn verklaring(
  3. en)niet over het gehele dossier maar alleen over de door de politie aangegeven stukken in het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 april 2014. Op het moment dat [verdachte] een verklaring heeft afgelegd op 11 juli 2014, was aan zijn advocaat het volledige dossier ter beschikking gesteld. Daaronder bevonden zich ook de tot dan toe door [medeverdachte] afgelegde verklaringen. Anders dan bij [medeverdachte] was de advocaat van [verdachte] wel aanwezig bij zijn verhoren en heeft [verdachte] tussendoor overleg met zijn advocaat gepleegd en mocht de advocaat vragen stellen. De rechtbank stelt vast dat mogelijke beïnvloeding van [medeverdachte] bij zijn “eerste negen verhoren” door reeds afgelegde verklaringen van [verdachte] niet mogelijk is geweest. Ook afstemming door [medeverdachte] van zijn verklaring(
  4. en)op de verklaring(
  5. en)van [verdachte] was niet mogelijk. De rechtbank stelt ook vast dat [verdachte] in de gelegenheid was zijn verklaringen af te stemmen op die van [medeverdachte] (en het dossier). Of dit daadwerkelijk gebeurd is, kan de rechtbank niet vaststellen. Tot slot van dit onderdeel merkt de rechtbank op dat de “eerste negen verklaringen” van [medeverdachte] vanaf 18 april 2014 tot aan 11 juli 2014 de meest authentieke zijn. Authentiek in de zin van aantoonbaar het minst beïnvloed door van buiten komende omstandigheden of verklaringen of bevindingen van anderen, waaronder [verdachte]. Het zijn dan ook de in die periode door [medeverdachte] afgelegde verklaringen, waarop de rechtbank zich bij de beoordeling van het dossier baseert. Hierop wordt slechts dan een uitzondering gemaakt indien in een latere verklaring nadere invulling is gegeven aan bepaalde feiten en omstandigheden. Het is de rechtbank wel opgevallen en het heeft de rechtbank ook verbaasd dat [medeverdachte] zich weinig wist te herinneren of mogelijk wilde herinneren over de wijze waarop precies is geschoten en de positie van de slachtoffers op dat moment. [medeverdachte] weet nog veel details van de gebeurtenissen op 11 en 12 mei 2006 maar op dit punt niet. Op dit onderdeel, het moment van schieten, heeft de rechtbank de gang van zaken dan ook moeten afleiden uit de door de politie veronderstelde schotrichting van de schutter, de bevindingen van de gerechtelijke sectie over de in- en uitschotopeningen en de schotbanen in de hoofden van de slachtoffers (de twee zogenoemde nekschoten) en de aangetroffen situatie op de bovenverdieping van de loods. D. Motief Tussenconclusie De rechtbank kan aan de hand van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken alleen mogelijke motieven afleiden. Uit die motieven volgt dat [verdachte] een groter financieel belang had dan [medeverdachte] om ontdekking van deze en de andere wietplantages te voorkomen. Deze enkele vaststelling kan echter niet van doorslaggevend belang zijn in de keuze voor de verklaring van een van beide verdachten. Uit de in het vonnis geschetste contouren in mei 2006 van de groepering rond [verdachte], leidt de rechtbank af dat naast 10 weedplantages bij “mensen thuis” [verdachte] en de zijnen voor het eerst in 2006 in de loods in Venray een grootschalige plantage hebben opgezet. Per oogst werd hier alleen al een (bruto) opbrengst verwacht van € 100.000,-, bij 5 te verwachten oogsten een half miljoen euro bruto opbrengst per jaar. Het behoeft geen verdere uitleg dat [verdachte] een groot financieel belang had bij het in stand houden van zijn netwerk met plantages en het afschermen van deze plantages van justitie maar ook van rippers. Ook werd door hem veel aandacht besteed aan het afschermen van zijn eigen betrokkenheid. Uit de nasleep na de gebeurtenissen op 11 mei 2006 blijkt hoe ver [verdachte] hierin gaat. Zo betaalde hij alle advocaten van zijn werknemers, zolang zij bij de politie zwegen. Ook liet hij personen schaduwen om erachter te komen wie de anonieme getuige was. Voorts heeft hij zelfs enkele maanden in het buitenland verbleven om uit beeld te zijn. Ook [medeverdachte] had financieel belang bij het beschermen van de plantages, zij het een afgeleid financieel belang. Hij kreeg maandelijks loon uitbetaald voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de hennepplantages, en mogelijk een deel dat afhankelijk was van de opbrengst van een plantage bij hem thuis. Het neerschieten van rippers kan bedoeld zijn om deze plantage (met een hoge opbrengst) en het netwerk van andere plantages te beschermen tegen rippers of een voorbeeld te stellen voor andere betrokkenen zoals opdracht- of tipgevers, ofwel om te voorkomen dat [verdachte] en/of [medeverdachte] aan de plantage aan de [adres 1] kon worden gelinkt. Volgens [medeverdachte] heeft [verdachte] tegen hem gezegd dat hij, [verdachte], de rippers moest neerschieten, omdat zij zijn gezicht gezien hadden. Uit de aantekeningen van [persoon 5] blijkt dat [verdachte] zich ook in dergelijke bewoordingen tegen hem heeft uitgelaten. E. Forensisch dossier Tussenconclusie De rechtbank constateert dat voor beide verdachten geen relevante sporen zijn aangetroffen die wijzen in de richting van [medeverdachte] of [verdachte]. Hoewel aan dit onderdeel op de zitting relatief veel tijd is besteed, kunnen de resultaten van het forensisch onderzoek niet van doorslaggevend belang zijn in de keuze voor de verklaring van een van beide verdachten. Vooropgesteld moet worden dat door de verdediging van [verdachte] de resultaten van het forensisch onderzoek geïsoleerd, dus zonder de resultaten van het overige onderzoek daarbij te betrekken, zijn afgezet tegen de verklaringen van [medeverdachte]. Bovendien ontbreekt in die benadering een analyse van dat forensisch onderzoek afgezet tegen de verklaringen van [verdachte]. De stelling van de verdediging van [verdachte] dat de verklaringen van [medeverdachte], aangeduid als “de hypothese [medeverdachte]”, zich niet laten verenigen met de bevindingen van het forensisch onderzoek, deelt de rechtbank niet. Voor die stelling is gebruik gemaakt van niet eenduidig te interpreteren (
  6. a)of onjuist geïnterpreteerde (
  7. b)verklaringen van [medeverdachte] over de wijze waarop hij de lichamen vanaf de bovenverdieping naar beneden heeft gebracht. Daarnaast zijn bevindingen van het forensisch onderzoek niet altijd juist (
  8. c)of volledig (
  9. d)weergegeven. [medeverdachte] heeft in april 2014 en november 2014 wisselend verklaard over het naar beneden brengen van de stoffelijke overschotten. Uit de verklaringen van april 2014 valt mogelijk af te leiden dat hij beide lichamen op het platte dak heeft gelegd, terwijl [medeverdachte] in november 2014 verklaart dat hij de lichamen één voor één naar het platte dak heeft gebracht. Ook over de precieze plaats waar hij de lichamen naar de begane grond heeft laten zakken, is [medeverdachte] niet eenduidig. Deze onzekerheden leiden ertoe dat de rechtbank niet de conclusie van de verdediging deelt dat “het verhaal van [medeverdachte] niet wordt gestaafd door de bloedsporen die zijn aangetroffen aan de buitenkant” (pagina 6 pleitnota) van het pand. Desgevraagd heeft de verdediging niet kunnen aangeven waar [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de lichamen langs de muur van de garage heeft laten zakken, een muur die haaks staat op de muur met de groene deur aan de achterzijde van het pand. [medeverdachte] heeft gezegd dat hij meende dat hij de lichamen ter hoogte van die groene deur heeft laten zakken. De stelling dat er amper bloedsporen zijn aangetroffen op de muur van de garage (pagina 7 pleitnota) zegt dan ook niets over de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte]. c.
(1)Op pagina 2 van productie 1 van de pleitnota wordt gesproken over een “schotwond in zijn voorhoofd” maar een dergelijke schotwond blijkt niet uit het forensisch onderzoek.
(2)Ook de stelling dat het letsel aan het gebit van een van de slachtoffers beter past bij het laten vallen van de lichamen van de slachtoffers, verdraagt zich niet met de bevindingen van het NFI, te weten dat die gebitsletsels ook vóór het overlijden kunnen zijn ontstaan. d.
(1)Op pagina 1 van productie 1 worden de aangetroffen schotresten op de achtermuur en de hulzen op de binnenplaats buiten het pand niet vermeld. De conclusie dat enkel binnen is geschoten, is dan ook onvoldoende onderbouwd.
(2)Op pagina 9 van de pleitnota wordt aangegeven dat in de auto van [verdachte] geen bloedsporen van de slachtoffers zijn aangetroffen. Niet is vermeld dat in de auto van [medeverdachte], de Volkswagen Vento, evenmin bloedsporen van de slachtoffers zijn aangetroffen. Anders dan betoogd, valt voor de stelling van de verdediging van [verdachte] evenmin steun te ontlenen aan de verklaring van de deskundige [persoon 9] ter zitting. Die heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij geen uitspraken doet op “activiteitenniveau” (kort gezegd: wat kan gezegd worden over de gebeurtenissen aan de hand van de aangetroffen sporen). [persoon 9] heeft alleen verklaard op bronniveau, hetgeen betekent: wat voor soort spoor is het. De conclusie van zijn (beperkte schriftelijk) onderzoek en zijn mondelinge toelichting ter zitting was voor de rechtbank duidelijk: hij onderschreef de bevindingen van het NFI. Eindconclusie onderdeel 6 : Voornoemde punten, in onderling verband en samenhang bezien, leiden de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar is. Zijn verklaringen, in hoofdzaak afgelegd tijdens zijn verhoren in april en mei 2014, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, zijn daarmee bepalend voor de vaststelling van de feitelijke toedracht op 11 en 12 mei 2006, zoals in het vervolg uiteen zal worden gezet. 7Bespreking van de feitelijke toedracht en weergave van de bewijsmiddelen Wat is er gebeurd in de nacht van 10 op 11 mei 2006? Omwille van de leesbaarheid van het vonnis, heeft de rechtbank ervoor gekozen om ook in dit onderdeel haar tussenconclusies in kaders weer te geven. Na iedere tussenconclusie wordt vervolgens nader onderbouwd hoe de rechtbank tot die tussenconclusie is gekomen. Gelet op de begrijpelijkheid van het vonnis zijn ook afbeeldingen opgenomen, die afkomstig zijn uit het dossier. Tussenconclusie 1 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben de voorruimte op de bovenverdieping van het pand aan de [adres 1] te Venray op 11 mei 2006 om 3:26 uur betreden, nadat zij de houten luiken die toegang gaven tot deze ruimte hadden geforceerd. Vervolgens kreeg [medeverdachte] een alarmmelding en een foto van de camera die zich in deze voorruimte bevond, waarna hij twee maal foto’s opvroeg van deze camera en [verdachte], die zich op dat moment in Brüggen-Bracht (Duitsland) bevond, conform instructies belde en informeerde. [verdachte] gaf [medeverdachte] de opdracht naar de loods aan de [adres 1] te gaan. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht 10 op 11 mei 2006 in zijn woning te Venlo een melding kreeg op zijn gsm dat er beweging was in de hennepkwekerij aan de [adres 1] te Venray. Die melding kreeg hij om 3:26:44 uur. Op dat moment hadden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de voorruimte betreden na het forceren van de houten luiken op de bovenverdieping boven de garage. Op de ontvangen foto’s was niets te zien. Vervolgens heeft [medeverdachte] - conform instructies - naar [verdachte] gebeld en hem gezegd dat hij een alarmmelding had ontvangen. [verdachte] zei toen dat [medeverdachte] via de bewakingscamera’s foto’s moest opvragen om te kijken of er wat te zien was en dat hij moest gaan kijken. [verdachte] heeft bevestigd dat hij in de nacht van 10 op 11 mei 2006 op een gegeven moment telefoon van [medeverdachte] kreeg. Hij was op dat moment in Brüggen-Bracht. [medeverdachte] zei dat er problemen waren in het weedhok in Venray, waarna [verdachte] tegen [medeverdachte] zei dat hij er maar naar toe moest gaan. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij ook foto’s van camera 1, 2 en 4 heeft opgevraagd. Camera 1 verzond geen foto’s meer. Deze verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] worden ondersteund door de telecomgegevens in het dossier. Hieruit blijkt namelijk dat [medeverdachte] een sms-bericht verzond vanaf alarmnummer 2 naar bewakingscamera 1, waarna deze camera een foto verzond naar alarmnummer
  1. Dat gebeurde vervolgens nogmaals. Om 3:33:07 uur en om 3:33:33 uur was er telefonisch contact tussen een telefoonnummer dat door de politie contact 15 wordt genoemd en wordt toegeschreven aan [medeverdachte] en een telefoonnummer dat door de politie contact 21 wordt genoemd, een telefoonnummer dat zich dan in Duitsland bevindt. Tussenconclusie 2 Na de alarmmelding van camera 1 om 3:26 uur is [medeverdachte] omstreeks 3:34 uur vanuit zijn woning te Venlo naar Venray gereden nadat hij eerst - conform instructies - [verdachte] had gebeld. Hij was in ieder geval om 3:50 uur in Venray, nabij de loods aan de [adres 1] te Venray en heeft toen [verdachte] gebeld. [medeverdachte] is gaan kijken aan de achterzijde van het pand en zag dat de luiken waren opengebroken en constateerde dat nog meerdere personen in het pand waren. Acht minuten later, om 3:58 uur, belde [verdachte], die zich op dat moment nog in zijn woning in Brüggen-Bracht bevond, naar [medeverdachte]. [medeverdachte] bracht verslag uit aan [verdachte] van wat hij had gezien en gehoord, waarna [verdachte] in zijn auto is gestapt en naar Venray is gereden. Onderweg hadden zij nog een aantal keren telefonisch contact. Om 4:30 uur bevond [verdachte] zich in de nabijheid van de loods aan de [adres 1] te Venray. Nadat [verdachte] in het telefoongesprek tegen hem zei dat hij moest gaan kijken, is [medeverdachte] met zijn auto, een Volkswagen Vento, naar Venray is gereden. Ter plekke is [medeverdachte] via een steeg (de rechtbank begrijpt: de steeg die op de [adres 6] te Venray uitkomt) naar de achterzijde van de hennepkwekerij gelopen, waar hij zag dat de luiken voor de opening boven het platte dak openstonden. [medeverdachte] zag dat er licht door deze opening naar buiten kwam. Dit licht was waarschijnlijk afkomstig uit de hennepkwekerij. [medeverdachte] hoorde op dat moment ook stemmen, waarna hij [verdachte] heeft gebeld om door te geven wat hij had gezien. [verdachte] zei dat [medeverdachte] daar moest blijven en dat hij eraan zou komen. Op weg naar Venray hebben [verdachte] en [medeverdachte] met elkaar gebeld. Immers om 3:34:55 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte]. Duur van het telefoongesprek is 500 seconden (ruim 8 minuten). Tijdens dit telefoongesprek verplaatste [medeverdachte] zich vanuit Venlo in de richting van Venray. Uit de zich in het dossier bevindende telecomgegevens blijkt dat [medeverdachte] om 3:50:34 uur belde met [verdachte]. Op dat moment bevond [medeverdachte] zich onder de zendmast aan de [adres 7] te Venray, waaronder ook de loods aan de [adres 1] valt. [verdachte], bevond zich tijdens dit 77 seconden durende gesprek nog in Duitsland. Om 3:58:20 uur belde [verdachte] 50 seconden naar [medeverdachte]. Ook op dat moment bevond [verdachte] zich nog in het buitenland. Om 4:05:50 uur belde [verdachte] opnieuw met [medeverdachte]. [verdachte] bevond zich dan inmiddels in Nederland en wel in Venlo onder de mast aan de [adres 8], waarna hij om 4:19 uur werd geflitst op de [adres 9] te Venlo omdat hij te hard reed. Daarna verplaatste hij zich via de [adres 10] te Venlo naar de zendmast [adres 7] te Venray, waaronder als gezegd ook de loods aan de [adres 1] valt, waar hij om 4:30:44 uur was. Tussenconclusie 3 [verdachte] en [medeverdachte] hebben hun auto’s in Venray geparkeerd op een afstand van ongeveer 180 meter van de ingang aan de voorzijde van de loods, waar zij - na het arriveren van [verdachte] aldaar om 4:30 uur - met elkaar hebben gesproken. [medeverdachte] heeft “verslag” uitgebracht van zijn bevindingen bij het pand aan [verdachte] en [verdachte] heeft zichzelf en [medeverdachte] van een wapen voorzien. Het wapen van [medeverdachte] was in ieder geval geladen en het wapen van [verdachte] was voorzien van een geluiddemper. Zij bewapenden zich. Toen [verdachte] belde dat hij er was, is [medeverdachte] in zijn richting gelopen. Beide verdachten hebben verklaard dat ze hun auto op de hoek [adres 11] te Venray hebben geparkeerd. Deze plek is zo’n 180 meter verwijderd van de voordeur van het pand aan de [adres 1] te Venray. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij daar aan [verdachte] heeft medegedeeld gezien te hebben dat de luiken van de bovenverdieping aan de achterzijde van het pand openstonden en dat er licht brandde. Hij had van buitenaf meerdere stemmen gehoord. [verdachte] haalde vervolgens een wapen uit de kofferbak van zijn auto. Dat wapen zag eruit als een kleine Uzi. Het was groter dan een pistool, met een steun die uitgeklapt en vervolgens tegen de schouder aangezet kon worden. Er zat geen vizier op. [medeverdachte] heeft tijdens zijn verhoor op 22 mei 2014 een tekening van het wapen van [verdachte] gemaakt. Deze tekening is hieronder weergegeven: [medeverdachte] had ook een wapen van [verdachte] gekregen. Dit was een pistool. Hij heeft dit in zijn rechterbroekzak gestoken. [verdachte] zei dat dit ter bescherming was. [medeverdachte] meent dat erover gesproken is dat de aanwezige rippers mogelijk bewapend waren. Er zat een demper op het wapen van [verdachte]. [verdachte] heeft handelingen aan dit vuurwapen verricht toen ze nog bij de auto stonden. Hij heeft gezien dat [verdachte] een houder met patronen in het pistool duwde dat hij vervolgens aan [medeverdachte] gaf. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij nooit heeft geweten of het pistool daadwerkelijk was doorgeladen. De wapens zag hij liggen op een kleine sporttas in de kofferbak van de auto van [verdachte]. Tussenconclusie 4 [verdachte] en [medeverdachte] zijn rond 4.50 uur samen aan de voorzijde van het pand aan de [adres 1] de loods binnengegaan. Tussen de aankomst van [verdachte] en het betreden van het pand zijn 20 minuten verstreken. In die tijd doet [medeverdachte] in ieder geval verslag van zijn bevindingen bij het pand en bewapenen ze zich met vuurwapens, welke [verdachte] in de auto had liggen. Na het betreden van het pand zijn beiden meteen doorgelopen naar de achterkant. [verdachte] is daar op de binnenplaats blijven staan met een wapen gericht op de luiken. [medeverdachte] is teruggelopen naar de trap en is daar omhoog gegaan om, in opdracht van [verdachte], daar het luik naar de bovenverdieping vast open te maken. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] en hij vervolgens, beiden bewapend, het pand aan de [adres 1] via de voordeur hebben betreden. Ze zijn binnendoor naar de witte kunststofdeur aan de achterzijde gelopen, die alleen via de binnenzijde te openen is. Vanuit die positie was het mogelijk om de groene luiken te zien aan de achterzijde van de bovenverdieping. [verdachte] is daar buiten onder het luik gaan staan met een wapen en richtte het wapen naar boven in een hoek van ongeveer 50 graden, op de opening van de luiken. [medeverdachte] is ondertussen terug naar binnen gelopen. Hij moest namelijk in opdracht van [verdachte] het luik bovenaan de trap vast openen, dat toegang gaf tot de bovenverdieping. Uit de analyse van de telecomgegevens en een samengevoegde printlijst blijkt dat camera 4, de camera bij de trap naar de bovenverdieping, om 4:50:30 uur werd geactiveerd en een alarmmelding heeft verstuurd naar alarmnummer
  2. Dit betekent dat de desbetreffende camera op dat moment beweging heeft gedetecteerd. Gelet op hetgeen onder 6A. uiteen is gezet over de werking van de camera’s, is er naar het oordeel van de rechtbank (anders dan het openbaar ministerie heeft betoogd) om 4:50:30 en 4:51:03 geen sprake van twee aparte alarmmeldingen (getriggerd door twee aparte bewegingsdetecties), maar van één activering van camera 4 met een daaropvolgende verzending van een fotobestand door camera 4 en ontvangst daarvan door alarmnummer
  3. Uit de melding is niet af te leiden hoeveel mensen er binnen komen. Deze bewegingsdetectie/alarmmelding van camera 4 om 4:50:30 uur is ofwel gedaan op het moment van binnenkomst van [verdachte] en [medeverdachte] via de voorzijde van het pand ofwel op het moment dat [medeverdachte], kort daarna, de trap naar de bovenverdieping is opgelopen. Uit het onderzoek is namelijk niet duidelijk naar voren gekomen welk bereik camera 4 precies had. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gelet op de positie van de camera, in ieder geval de ruimte voor de doorgang naar de trap geweest. Het is mogelijk dat (een deel van) de ruimte tussen de deur aan de voorzijde en de deur aan de achterzijde (op de zich in het dossier bevindende plattegrond aangeduid als: “opslagruimte”) ook binnen het bereik van deze camera viel. In dat geval moet de cameramelding van 4:50:30 uur betrekking hebben op het moment dat [medeverdachte] en [verdachte] samen de voordeur binnenkwamen. In het geval dit deel van deze opslagruimte niet binnen het detectieveld van de camera viel, heeft de camera pas beweging gedetecteerd toen [medeverdachte], naar zijn zeggen “vast”, de trap opliep. Tussenconclusie 5 [verdachte] heeft op de achterplaats met een machinepistool, vermoedelijk type Skorpion, richting de houten luiken geschoten, waarbij [slachtoffer 2] aan zijn arm gewond is geraakt. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat er op de binnenplaats, waar [verdachte] volgens de verklaring van [medeverdachte] met een wapen is gaan staan, schotresten op de muur zijn aangetroffen. Deze resten zaten op de muur naast de witte achterdeur, 33 centimeter links van die achterdeur en op een hoogte van 151 centimeter. Ook zijn er twee kogelhulzen aangetroffen op die binnenplaats. Onderzoek naar deze munitiedelen én de drie kogelhulzen, die in de zolderruimte zijn aangetroffen, heeft opgeleverd dat zij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten uit één en hetzelfde vuurwapen, vermoedelijk een machinepistool type Skorpion. Hoewel uit het forensisch onderzoek niet blijkt wanneer deze schotresten en munitiedelen op de binnenplaats zijn achtergelaten, is de rechtbank van oordeel dat deze onderzoeksbevindingen niet op zichzelf moeten worden beschouwd maar in het licht van de overige bevindingen in het dossier. Zo heeft [medeverdachte] verklaard dat hij zag dat een van beide jongens gewond was aan een arm of hand op het moment dat hij boven de ruimte betrad waar de jongens zich bevonden. Hij zag bloed aan de rechterzijde van deze jongen. Voorts is op basis van het onderzoek door de patholoog aan de stoffelijke overschotten komen vast te staan dat [slachtoffer 2] onder andere schotletsel aan de buitenzijde van zijn rechterbovenarm had. Dit letsel was gelegen op circa 12 centimeter onder de schouder en circa 19 centimeter boven de elleboog. Het betreft een inschot. Tussenconclusie 6 [medeverdachte] heeft de deur naar de middelste ruimte, waar de hennepplanten stonden, geopend. Vrijwel meteen daarna werd hij gevolgd door [verdachte], waarna beiden over de potten naar de voorruimte zijn gelopen. [medeverdachte] heeft verklaard dat het luik, dat toegang verschafte tot de bovenverdieping, dicht zat. Hij heeft de hangsloten opengemaakt met de bijbehorende sleutel, heeft de schuiven van het luik geschoven en vervolgens het luik geopend. Hij hoorde alleen de afzuiging op dat moment. [medeverdachte] is naar de eerste deur, die je tegenkomt vanaf de trap, gelopen. Hij is die deur door gegaan en kwam in de ruimte waarin de hennepplanten stonden. Hij zag dat de potten er nog stonden, maar de hennepplanten waren weg. [medeverdachte] is over de potten gelopen in de richting van de voorruimte. [verdachte] kwam op dat moment achter hem aan. De deur naar de voorruimte waar de afzuigingen stonden, stond open. [verdachte] en [medeverdachte] zijn daar naar binnen gegaan. Tussenconclusie 7 Er is door [verdachte] in de voorruimte driemaal staand geschoten, waarbij hij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] in het hoofd heeft geraakt waarna de dood vrijwel onmiddellijk is ingetreden. Beide slachtoffers zijn door middel van een nekschot gedood. Alle schoten zijn afgevuurd met hetzelfde wapen. [medeverdachte] zag daar twee jongens. Een bij het luik die gewond was aan zijn rechterzijde. De andere jongen was aan het bellen. [medeverdachte] stelt amper alleen te zijn geweest met de jongens, omdat [verdachte] hem op de voet volgde. Op dat moment werd geroepen dat er niet gebeld moest worden, waarop de jongen zijn telefoon wegdeed. De jongens waren in paniek. Het linker luik stond open. [medeverdachte] had het idee dat de gewonde jongen niet naar buiten durfde. Op een gegeven moment werd er door [verdachte] staand driemaal geschoten. [medeverdachte] omschrijft het geluid van die schoten als gedempte, zachte geluiden, klinkend als een zacht “sjoek, sjoek, sjoek”. Het geluid kwam van het vuurwapen dat [verdachte] in zijn hand vasthield met de voorzijde gericht op die jongens. Op het vuurwapen van [verdachte] zat een geluiddemper. De getuige [persoon 5] heeft in zijn aantekeningen genoteerd dat hij uit de mond van [verdachte] heeft gehoord dat [verdachte] de twee Marokkanen “kapot heeft gemaakt” en dat hij geen andere keuze had. [verdachte] had de twee Marokkanen in Venray vermoord en heeft ze laten verdwijnen. Sectie aan het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] heeft uitgewezen dat aan hem een nekschot is toegebracht en voorts is er schotletsel aan de buitenzijde van zijn rechterbovenarm geconstateerd. De patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer 2] volledig wordt verklaard door uitval van hersenfuncties ten gevolge van het schotletsel aan het hoofd indien bij leven toegebracht. Sectie aan het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] heeft uitgewezen dat aan hem een doorschot door de hersenhelften van de grote hersenen is toegebracht, verlopend vrij recht van links naar rechts en vrijwel horizontaal. Daarnaast is ook bij [slachtoffer 1] letsel geconstateerd passend bij een nekschot. Ook ten aanzien van [slachtoffer 1] concludeert de patholoog dat het overlijden volledig wordt verklaard door uitval van hersenfuncties ten gevolge van voornoemde letsels aan zijn hoofd, indien deze letsels bij leven zijn toegebracht. Tijdens het forensisch onderzoek is de schotbaan gereconstrueerd. Deze reconstructie is hier inzichtelijk gemaakt door middel van onderstaande foto. Op het laagst gelegen punt is een inschotopening aangetroffen. De rechtbank begrijpt uit het vergelijkend kogel- en hulzenonderzoek dat de aangetroffen kogels op de plaats delict en de kogel(delen) die in de stoffelijke overschotten zijn aangetroffen, zeer waarschijnlijk zijn afgevuurd uit een en dezelfde loop. De aangetroffen kogel(delen) zijn zeer waarschijnlijk allemaal van het kaliber 7.65 mm Browning. Tussenconclusie 8 [medeverdachte] heeft de luiken van de voorruimte gesloten. Daarna zijn [verdachte] en [medeverdachte] naar beneden gelopen, naar de aan de achterkant gelegen binnenplaats. Op die plek zijn ze gezien door [persoon 1], die zich - nadat hij na 4:56 uur geen telefonisch contact meer kreeg - in de steeg naar de [adres 6] bevond. De omschrijving die [persoon 1] geeft van het postuur van beide mannen past bij het uiterlijk van [verdachte] en [medeverdachte] destijds. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij na het schieten de luiken heeft gesloten en dat [verdachte] en hij naar beneden zijn gelopen. Ze zijn naar de achterzijde van het pand gelopen, in de richting van het aldaar gelegen hek. De poort van het hek was op dat moment gesloten. Zij zagen toen dat er iemand in de steeg stond. Deze persoon stond meer in de richting van de [adres 6]. Ze hebben naar die jongen geroepen, maar zijn niet (naar de rechtbank begrijpt: lopend) achter hem aan gegaan. [persoon 1] heeft tijdens zijn eerste getuigenverhoor bij de politie verklaard dat hij op enig moment geen telefonisch contact meer kreeg met [slachtoffer 2]. Dit wordt bevestigd door de telecommunicatiegegevens. Daaruit blijkt dat [persoon 1] tussen 4:56:12 uur en 5:02:46 uur 15 maal naar [slachtoffer 2] probeerde te bellen, maar dat er geen contact tot stand kwam. Daarvoor was er wel regelmatig telefonisch contact. Nadat de eerste poging tot telefonisch contact om 4:56:12 uur is mislukt, is [persoon 1] de steeg vanaf de [adres 6] een aantal meters ingelopen in de richting van het pand. Hij zag toen dat er twee mannen achter de poort stonden van de loods aan de [adres 1] in Venray. Deze mannen waren bezig om van binnenuit het slot van de poort te openen. Het waren twee blanke mannen. [persoon 1] omschrijft de eerste man als groot met een dikke buik met kortgeknipt blond haar. De tweede man zat gebukt bij de poort. Hij had een normaal tot slank postuur en was duidelijk jonger dan de dikke man. Hij had donker kort haar. Beide mannen keken hem aan en de dikke kwam, na het openen van de poort, heel rustig in zijn richting gelopen. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] en hij zijn terug gelopen naar het pand en de witte kunststof achterdeur hebben afgesloten. Vervolgens hebben ze via de voordeur het pand verlaten. Ook de voordeur hebben ze afgesloten. Ze zijn naar hun auto’s terug gelopen. Tussenconclusie 9 Omstreeks 5:02 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte] (apart) vertrokken vanaf de [adres 1] te Venray met de bedoeling om elkaar vervolgens bij de loods aan de [adres 4] te Tegelen weer te ontmoeten. Beiden rijden niet de meest rechtstreekse route naar Tegelen, maar een verklaring hiervoor is niet gegeven. [verdachte] en [medeverdachte] hebben nog naar de derde persoon ([persoon 1]) gezocht. Omstreeks 5:27 uur zijn zij aanwezig bij de loods in Tegelen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij van [verdachte] de opdracht heeft gekregen om terug te rijden richting Venlo, dat hij naar de loods in Tegelen moest gaan en dat hij daar moest wachten. Tijdens het rijden heeft [medeverdachte] nog een keer telefonisch contact met [verdachte] gehad. Hierna stond zijn telefoon uit. Om 05:02:10 uur wordt er door [verdachte] (alarmnummer 4) gebeld naar [medeverdachte] (alarmnummer 3). Op de printlijsten is zichtbaar dat de twee alarmnummers daarna voortdurend contact met elkaar zoeken en zich daarbij verplaatsen. [verdachte] belt in totaal zeven keer uit naar [medeverdachte], [medeverdachte] belt één keer uit naar [verdachte]. Uit voornoemde telecomgegevens en de daaraan te koppelen geografische zendmastgegevens volgt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] niet de meest rechtstreekse route naar Tegelen zijn gereden vanaf de plaats delict. Tegelen ligt ten zuidoosten van Venray, terwijl uit de analyse van de telecomgegevens blijkt dat [verdachte] zich vanaf de [adres 1] eerst in noordwestelijke richting verplaatst en dat [medeverdachte] zich eerst in oostelijke richting beweegt. Daarna verplaatsen beide verdachten zich inderdaad richting Tegelen. Ook valt op dat beide verdachten niet achter elkaar aan rijden, terwijl zij toch hetzelfde vertrek- en eindpunt hebben. Uit de aantekeningen van de getuige [persoon 5] blijkt dat hij uit de mond van [verdachte] heeft gehoord dat als [verdachte] “de derde Marokkaan ook nog te pakken had gekregen, er drie dode Marokkanen zouden zijn geweest”. Op grond van de telecomgegevens in combinatie met de aantekeningen van de getuige [persoon 5], leidt de rechtbank af dat [verdachte] en [medeverdachte] naar de derde persoon, [persoon 1] hebben gezocht. Uit de analyse van de telecomgegevens blijkt dat [verdachte] om 05:27:27 uur bij de loods in de [adres 4] te Tegelen is. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij de loods in Tegelen tegen [verdachte] heeft gezegd dat hij niet meer terug wilde naar Venray. [verdachte] had hem echter gezegd dat hij mee terug moest om de jongens op te halen. Tussenconclusie 10 Vanuit Tegelen zijn [verdachte] en [medeverdachte] eerst samen naar de woning van [verdachte] in Brüggen-Bracht gereden om de auto van [verdachte] te wisselen. Vervolgens zijn ze teruggereden naar de loods aan de [adres 4] te Tegelen. Vanaf die loods zijn ze apart van elkaar naar de loods aan de [adres 1] te Venray gereden. [medeverdachte] reed in de Ford bus. Om 7:41 uur wordt de loods door aan de [adres 1] betreden om de stoffelijke overschotten weg te voeren. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 11 mei 2006 nog bij de woning van [verdachte] in Brüggen-Bracht is geweest. Daar heeft [verdachte] de donkerkleurige Audi verwisseld voor de zilverkleurige Audi. Vervolgens zijn beiden teruggereden naar de loods aan de [adres 4] in Tegelen. Vanuit deze loods is [medeverdachte] met de Ford bus en [verdachte] met zijn eigen auto naar Venray gereden. Uit de analyse van de telecomgegevens is gebleken dat camera 4 voor het eerst weer sinds 4.50 uur beweging detecteert om 7:41 uur. De camera heeft op dat moment een alarmmelding verzonden. De gebruikelijke reeks, zoals in het voorgaande omschreven, wordt namelijk zichtbaar op de printlijst met dien verstande dat deze reeks na de verzending van de sms ophoudt. Uit het stoppen van de reeks leidt de rechtbank af dat de camera dan kennelijk handmatig uitgezet wordt. Dit is namelijk het laatste contact van deze camera blijkens de printlijst. Indien er geen contacten zichtbaar zijn, is er ook geen activiteit geweest, ook niet het op afstand uitzetten van camera
  4. Op basis van deze gegevens stelt de rechtbank vast dat iemand om 7:41 uur het pand aan de [adres 1] te Venray is binnengekomen. In samenhang met de verklaring van [medeverdachte] en gelet op het feit dat er tussentijds geen beweging is geregistreerd door deze camera, is de rechtbank van oordeel dat op dat tijdstip het pand is betreden door [medeverdachte] en/of [verdachte] om de stoffelijke overschotten weg te halen. Tussen 4.50 uur en 7:41 uur is in ieder geval niemand binnen geweest. Tussenconclusie 11 [verdachte] en [medeverdachte] hebben de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van de bovenverdieping van de loods via de luiken naar de binnenplaats aan de achterkant van de loods verplaatst en in de daar geparkeerde Ford bus geladen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de Ford bus achteruit de binnenplaats aan de achterzijde van de kwekerij (naar de rechtbank begrijpt de loods [adres 1]) heeft opgereden, langs de garage. De achterzijde van de bus stond voor de witte kunststof achterdeur. [medeverdachte] is naar boven gelopen en heeft de jongens via het platte dak naar beneden laten zakken, waarna [verdachte] ze in de bus heeft geladen. De lichamen waren niet verpakt. Tijdens de schouw op 4 november 2014 is [medeverdachte] hieromtrent nader bevraagd. Hij verklaart dan dat hij de jongens onder hun oksels heeft beetgepakt en naar buiten heeft gesleept, op het platte dak. Via dat platte dak, ongeveer ter hoogte van de groene deur heeft hij ze omlaag laten zakken. [verdachte] stond beneden en heeft de jongens beneden vastgepakt. [medeverdachte] heeft er niet op gelet hoe [verdachte] de jongens heeft vastgepakt. Toen de jongens beneden lagen, zijn ze in de bus gelegd. [medeverdachte] weet niet wat [verdachte] nog met de jongens heeft gedaan toen ze op de grond lagen. De Ford bus stond op ongeveer anderhalve meter afstand van de muur van de achtergevel. Op de binnenplaats, het platte dak en de gevels zijn bloedsporen aangetroffen van beide slachtoffers. Deze bloedsporen zijn door het NFI geanalyseerd. De verklaring van [medeverdachte] past bij de analyses van het NFI van de bloedsporen aangetroffen aan de achterzijde van de loods en op de binnenplaats. Over het weghalen van de stoffelijke overschotten heeft [medeverdachte] nog verklaard dat hijzelf mogelijk een stuk folie van de wand af heeft getrokken en dat dit met de jongens is mee gegaan tijdens het vervoer in de bus. Ook kan [medeverdachte] zich herinneren dat hij van [verdachte] de opdracht heeft gekregen om potten met potgrond over de hele vloer boven in de loods leeg te gooien, om het bloed te verwijderen (de rechtbank begrijpt: om bloedsporen aan het oog te onttrekken). Tussenconclusie 12 [medeverdachte] heeft de Ford bus, met daarin de stoffelijke overschotten, naar de loods aan de [adres 4] te Tegelen gereden. [verdachte] reed apart naar Tegelen in zijn eigen Audi. In Tegelen heeft [medeverdachte] de Ford bus in de loods geparkeerd. Bij de loods heeft een ontmoeting plaats gevonden met andere werknemers van [verdachte]. De werknemers kregen de opdracht om de plantage in Venray zo snel mogelijk te oogsten, waarbij nadrukkelijk gezegd werd door [verdachte] dat zij niet naar de bovenverdieping mochten. Alleen [medeverdachte] had toestemming van [verdachte] om naar de bovenverdieping te gaan. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met de Ford bus met daarin de lichamen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de loods aan de [adres 4] te Tegelen is gereden. [verdachte] reed wederom apart van [medeverdachte], in zijn eigen Audi, van Venray naar de loods in Tegelen. [medeverdachte] heeft de Ford bus in een van de twee loodsen aan de [adres 4] te Tegelen geparkeerd, namelijk in de loods die niet voor opslag werd gebruikt. Rond die tijd kwam [persoon 2] ook aan bij de loods. Op een gegeven moment waren in Tegelen bij de loods [persoon 2], [persoon 4] en [persoon 10]. [medeverdachte] wilde niet, maar van [verdachte] moesten ze weer terug naar Venray om het weedhok leeg te maken. Er zijn daarover afspraken gemaakt bij de loods in Tegelen. Er werd onder andere gezegd door [verdachte] dat alleen [medeverdachte] naar boven mocht. De anderen moesten achterom rijden met de [naam bedrijf] bus en [medeverdachte] moest via de voordeur de achterdeur open maken. [verdachte] is ook mee gegaan naar Venray om de boel in de gaten te houden. [medeverdachte] kan zich niet meer herinneren of hij met zijn eigen auto of met een witte Mitsubishi bus naar Venray is gereden. Voornoemde verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door zowel [persoon 2] als [persoon 4]. Zij verklaren bovendien dat [verdachte] uitdrukkelijk de instructie gaf dat zij niet naar de bovenverdieping mochten, dat de hennepplanten snel geoogst moesten worden en dat ze “moesten redden wat er te redden viel”. Tussenconclusie 13 Op 11 mei 2006 om 9:19 uur werd gestart met het ruimen van de hennepplantages in loods. [medeverdachte] heeft de plantage op de bovenverdieping van het pand geruimd en de beveiligingscamera’s die daar hingen meegenomen. [persoon 2], [persoon 4] en [persoon 10] knipten op dat moment de hennepplanten die in de kwekerij op de benedenverdieping van het pand werden geteeld. [verdachte] had de leiding, was telefonisch bereikbaar en reed rond in de omgeving. Uit de telecommunicatiegegevens blijkt dat bewakingscamera 3, de camera die zich in de hennepkwekerij op de begane grond bevond, om 09:19:37 uur contact opnam met alarmnummer 1 dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat [persoon 2], [persoon 4] en [persoon 10] achterom moesten met de [naam bedrijf] bus en dat hij de deur zou openen. [verdachte] is in een van zijn auto’s naar Venray gereden, maar zou buiten blijven om de boel in de gaten te houden. [medeverdachte] is in Venray naar boven gegaan en heeft de bewakingscamera’s daar meegenomen. Boven lagen 2 of 3 plastic zakken met weed die [medeverdachte] door het luik naar beneden heeft gegooid. [persoon 4] en [persoon 2] hebben verklaard dat zij met de [naam bedrijf] bus naar de loods aan de [adres 1] te Venray zijn gereden om daar de hennepplanten te oogsten. Uit politieonderzoek is gebleken dat tussen 09:13:36 uur en 10:00 uur een gele Mercedes bestelbus met het opschrift “[naam bedrijf]” bij de loods aan de [adres 1] te Venray werd gezien. [verdachte] had telefonisch de leiding, maar was niet ter plekke; hij reed rond in de regio. Tussenconclusie 14 [verdachte] en [medeverdachte] zijn op zoek gegaan naar een plek om de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te begraven. [verdachte] wees een plek aan om de stoffelijke overschotten te begraven. Op aanwijzen van [medeverdachte] werd het graf op 5 en 6 mei 2014 aangetroffen waarin zich de stoffelijke overschotten bevonden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het graf bevond zich op hemelsbreed ongeveer 200 meter afstand van een van de woningen van [verdachte], te weten: de woning aan de [adres 2] te Arcen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de hele dag bij [verdachte] moest blijven. [medeverdachte] is samen met [verdachte] meegereden om locaties te bekijken waar die jongens achtergelaten konden worden. [medeverdachte] reed in zijn Volkswagen Vento en [verdachte] wees hem waar hij heen moest rijden. Op een gegeven moment zijn ze in Arcen gaan rijden. [verdachte] vertelde [medeverdachte] toen hoe hij moest rijden. Ze zijn over de [adres 2] in Arcen gereden en zijn de provinciale weg overgestoken, waarna [verdachte] zei dat de jongens hier begraven moesten worden. [medeverdachte] wees in een bosperceel gelegen langs de provinciale weg N271, Venlo-Nijmegen, mogelijke locaties aan waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden begraven. Op 5 en 6 mei 2014 werd forensisch onderzoek verricht in het door [medeverdachte] aangewezen gebied van dit bosperceel. Op 6 mei 2014 werden er twee stoffelijke overschotten in een graf aangetroffen. De stoffelijke overschotten werden geïdentificeerd als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De afstand tussen het graf en een van de woningen van [verdachte], te weten: de woning aan de [adres 2] te Arcen bedroeg (de rechtbank begrijpt: hemelsbreed) ongeveer 200 meter. Tussenconclusie 15 [medeverdachte] is omstreeks 17:05 uur samen met [verdachte] bij de [naam winkel] in Velden goederen gaan kopen die gebruikt zouden worden voor het delven van het graf waarin de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden worden begraven. [medeverdachte] heeft in april 2014 verklaard dat [verdachte] en hij, nadat ze een plek hadden gevonden waar het graf kon worden gedolven, meerdere scheppen, overalls, een bladerhark, laarzen en twee blauwe afdekzeilen zijn gaan kopen bij de [naam winkel] in Velden. [verdachte] heeft deze spullen volgens [medeverdachte] contant betaald. In september 2014 heeft [medeverdachte] dit nader in de tijd geplaatst en verklaart dat deze goederen rond 16:00-17:00 uur bij de [naam winkel] in Velden werden gekocht. Door een medewerker van de [naam winkel] te Velden werd in 2014 een afdruk gemaakt van een kassabon gedateerd 11 mei 2006 om 17.05 uur. Op deze bon stonden de volgende goederen vermeld: 1 overall, 2 werkhandschoenen, 1 paar knielaarzen maat 45, 1 paar kuitlaarzen maat 43, 1 hark, 1 spade, 1 bats en 2 groene dekzeilen verkocht. De laarzen, werkhandschoenen en de bats waren in 2014 niet meer in het assortiment van de [naam winkel] aanwezig. Het dekzeil had volgens de verkoper in 2006 een groene buitenzijde en een blauwe binnenzijde. [medeverdachte] heeft - naar eigen zeggen - schoenmaat 41-
  5. [verdachte] heeft ter zitting op 5 maart 2015 slippers met schoenmaat 45 gedragen, zo bleek de rechtbank toen hij deze desgevraagd toonde. Tussenconclusie 16 [verdachte] en [medeverdachte] zijn na het bezoek aan de [naam winkel] in Velden naar Arcen gereden om daar het graf te delven met de bij de [naam winkel] gekochte scheppen. Het delven heeft geduurd tot het schemerig was. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] met de scheppen die zij bij de [naam winkel] in Velden hadden gekocht, het graf in Arcen hebben gegraven. Het graf moest volgens [verdachte] een bepaalde diepte hebben, zodat dieren de stoffelijke overschotten niet konden ruiken. Op het moment dat het graf gedolven was, was het schemerig. [medeverdachte] heeft bijna het hele graf moeten delven. [verdachte] heeft slechts de contouren van het graf met een schop aangegeven. Bij het delven van het graf droeg [medeverdachte] de overall en laarzen die eerder bij de [naam winkel] waren gekocht. Uit het forensisch archeologisch onderzoek dat naar het graf is verricht, blijkt dat de kuil waarin de stoffelijke overschotten werden aangetroffen, handmatig was gegraven met behulp van graafgereedschap. Het graf was ovaal van vorm en was maximaal circa 130 centimeter breed en circa 195 centimeter lang. De bodem lag op circa 170-180 centimeter onder het maaiveldniveau, had een langwerpige vorm en was vrij plat. De bodem zelf was maximaal circa 85 centimeter breed en circa 180 centimeter lang. Het zuidelijke deel van de kuilwand verliep vrijwel loodrecht. De rest van de kuilwand verliep schuin. Tussenconclusie 17 [verdachte] en [medeverdachte] zijn vanuit Arcen naar de loods aan de [adres 4] te Tegelen gereden, waar zij enige tijd later aankwamen. Daar hebben zij de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit de Ford bus gehaald en op de door hen neergelegde dekzeilen gelegd. Vervolgens hebben zij de stoffelijke overschotten afzonderlijk in de dekzeilen gewikkeld en naar Arcen gereden waar de stoffelijke overschotten werden begraven in het eerder gegraven graf. Vanuit Arcen zijn [medeverdachte] en [verdachte] enige tijd later aangekomen bij de loods aan de [adres 4] in Tegelen. Daar zijn zij de stoffelijke overschotten gaan inpakken. Eenmaal binnen in de loods in Tegelen hebben [medeverdachte] en [verdachte] overalls en handschoenen aangetrokken. Daarna hebben zij de schuifdeur aan de zijkant van de Ford bus geopend, waarna [medeverdachte] en [verdachte] de zeilen op de grond hebben gelegd. Vervolgens hebben zij 1 jongen uit de bus gehaald en op het zeil gelegd. De uiteinden van het zeil werden dichtgeknoopt met elektriciteitsdraad. De tweede jongen is op dezelfde manier ingepakt. Nadat de stoffelijke overschotten waren ingepakt, zijn zij teruggelegd in de bus en zijn [medeverdachte] en [verdachte] naar Arcen gereden. [medeverdachte] heeft de bus achteruit een pad ingereden vlakbij het gedolven graf. Dit gebeurde ruim na middernacht, maar vóór 4:00 uur. Uit het forensisch archeologisch onderzoek dat naar het graf is verricht, blijkt dat in de grafkuil twee verpakte stoffelijke overschotten lagen begraven. Beide stoffelijke overschotten waren, afzonderlijk van elkaar, gewikkeld in een groen plastic zeil en omwikkeld met geel/groene elektriciteitsdraden. Het bovenste stoffelijk overschot lag gebogen over het onderlichaam van het onderste stoffelijk overschot. Nadat de stoffelijke overschotten waren begraven is [medeverdachte] met de Ford bus naar de garagebox in Venlo gereden, waar de bus werd geparkeerd. Tussenconclusie 18 Na het begraven van de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het bosperceel in Arcen, zijn mogelijke sporen in opdracht van [verdachte] zoveel mogelijk verwijderd. Zo is de Ford bus waarmee de stoffelijke overschotten zijn vervoerd, in Duitsland in brand gestoken. De vloeren van de garagebox in Venlo en de loods in Tegelen, waar de Ford bus had gestaan, zijn daarna schoongemaakt en zelfs, in het geval van de loods in Tegelen, afgebikt en opnieuw afgesmeerd. De Ford bus werd later in Duitsland door [verdachte] in brand gestoken in het bijzijn van [medeverdachte] en [persoon 2]. Dit blijkt ook uit de reacties op internationale rechtshulpverzoeken, de verklaring van [medeverdachte] en de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 5]. Tijdens zijn verhoor op 27 mei 2014 is [medeverdachte] nader bevraagd over de garagebox in Venlo en de loods in Tegelen. Hij heeft in dat verhoor verklaard dat hij in opdracht van [verdachte] de vloer in de garagebox in Venlo moest schrobben met een of ander chemisch spul. Dit spul kon je ook in het zwembad gebruiken, maar het was geen chloor. [verdachte] had tegen [medeverdachte] gezegd dat dit moest omdat de Ford bus daar had gestaan en er mogelijk sporen van de jongens op de vloer waren achtergebleven. [medeverdachte] meent dat hij de vloer heeft geschrobd een week nadat de bus in brand was gestoken. Nadat de vloer van de loods in de [adres 4] te Tegelen was geschrobd, wilde [verdachte] toch dat de vloer eruit werd gehaald. [medeverdachte] heeft vervolgens de bovenlaag van het beton afgehaald. Mogelijk dat [persoon 2] hem hierbij heeft geholpen. [persoon 2] heeft die vloer later weer afgesmeerd. Hier zat een paar dagen tussen. [persoon 2] heeft tijdens zijn verhoor onder leiding van de rechter-commissaris op 18 juni 2014 verklaard dat hij de vloer in de loods in Tegelen eruit heeft gekapt en heeft afgesmeerd. Daartoe heeft hij van [verdachte] opdracht gekregen. Hij weet niet precies wanneer dit is gebeurd, maar meent dat dit een paar weken na 11 mei 2006 is geweest. Eindconclusie onderdeel 7 [verdachte] heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 11 mei 2006 in de hennepkwekerij in de loods aan de [adres 1] te Venray neergeschoten. [verdachte] heeft viermaal raak geschoten. Twee van de vier schoten waren zogenaamde “nekschoten” ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onmiddellijk zijn overleden. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte] de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] begraven in het bosperceel in Arcen. Daarna hebben [verdachte] en [medeverdachte] de mogelijke sporen gewist. Op 6 mei 2014 zijn de stoffelijke overschotten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op aanwijzen van [medeverdachte] gevonden. 8Rollen verdachten en strafrechtelijke kwalificatie De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de wapens heeft geleverd, het pistool dat hij aan [medeverdachte] gaf heeft geladen en zelf een machinepistool voorzien van een geluiddemper ter hand heeft genomen. Vervolgens heeft [verdachte] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doodgeschoten. Daarmee is [verdachte] pleger van de feiten 1 en
  6. De volgende (juridische) vragen die de rechtbank dient te beantwoorden, zijn: Wat is de strafrechtelijke betrokkenheid van [medeverdachte] bij het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]? Is er sprake van medeplegen? Is er gehandeld met voorbedachte raad of niet? Is er sprake van moord of van doodslag? Juridisch kader Voor de kwalificatie van medeplegen (vraag 1) is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474) vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De vraag, wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Uitgangspunt daarbij is, dat de kwalificatie “medeplegen” alleen dán gerechtvaardigd is, als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. De bijdrage kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. De rechter kan daarbij rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Als het gaat om voorbedachte rade (vraag 2) moet vast staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761). Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Context van de zaak Voor de beoordeling van beide vragen is naar het oordeel van de rechtbank van belang, in welke context en tegen welke achtergrond een en ander zich heeft afgespeeld. Op 11 mei 2006 hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ingebroken in de hennepplantage, gelegen in de loods aan de [adres 1] te Venray. Dit was een van de kwekerijen van [verdachte], die zich in die tijd bezig hield met grootschalige hennepteelt. Het was de eerste van zijn kwekerijen die niet gevestigd was bij mensen thuis en zou - naar eigen zeggen - zijn grote financiële klapper moeten worden. In de wereld van de grootschalige hennepteelt is het, naar het oordeel van de rechtbank, een feit van algemene bekendheid dat in geval van een inbraak of rip, geen politie wordt gebeld door de eigenaren of exploitanten van de kwekerijen, maar dat dergelijke berovingen zelf worden “opgelost”. Immers, inschakeling van politie zal automatisch leiden tot het oprollen van de desbetreffende plantage, waarbij niet alleen de exploitatie van die kwekerij, maar van de hele handel gevaar loopt. Een grote financiële strop voor de eigenaar is dan het gevolg. Deze wijze van conflictoplossing gaat niet zelden gepaard met (fors) fysiek geweld. Potentiele inbrekers weten dit en calculeren dit risico in. Niet zelden gaan ook zij bewapend met vuurwapens op pad. Eigenaren en exploitanten weten op hun beurt dat zij zelf zullen moeten ingrijpen om verlies van hun lucratieve handel te voorkomen en dat zij maatregelen zullen moeten nemen om dit risico zo klein mogelijk te houden. Het aanleggen van een camerabewakingssysteem is zo’n maatregel. Daarbij zal dan een alarmmelding, anders dan wellicht gebruikelijk is, niet naar een meldkamer of naar de politie gaan, maar naar een van de direct betrokkenen bij de hennepkwekerij. Daarna zal - zoals te verwachten valt - vervolgens zelf actie worden ondernomen. Beoordeling van deze zaak Ook in deze zaak was de beveiliging op die wijze geregeld. De hennepplantage aan de [adres 1] te Venray was beveiligd met vier camera’s. [medeverdachte], in die tijd werkzaam voor [verdachte], was belast met de beveiliging; hij kreeg een eventuele alarmmelding binnen op zijn mobiele telefoon. De afspraak was dat in geval van een rip altijd [verdachte] moest worden gebeld. Als [medeverdachte] op 11 mei 2006 omstreeks 3:26 uur een alarmmelding ontvangt van één van de bewakingscamera’s aan de [adres 1], neemt hij - conform die afspraak - onmiddellijk telefonisch contact op met [verdachte]. Vervolgens gaat [medeverdachte], op instructie van [verdachte], poolshoogte nemen ter plaatse. Onderweg van zijn woning in Venlo naar Venray vraagt hij beelden op van alle bewakingscamera’s om erachter te komen wat zich in het pand afspeelt. Als hij rond 3:50 uur ter plaatse komt, constateert hij dat de luiken aan de achterzijde van het pand zijn opengebroken en dat er op dat moment nog meerdere personen binnen zijn. Hij weet dan dat hij te maken heeft met een (nog op handen zijnde) rip. Om 3:58 uur belt hij nogmaals naar [verdachte] om hem te informeren over wat hij gehoord en gezien heeft. [verdachte] vertrekt vervolgens onmiddellijk vanuit zijn woning in Brüggen-Bracht en rijdt zelf ook naar Venray. Onderweg hebben [medeverdachte] en [verdachte] nog enkele malen telefonisch contact. Als [verdachte] rond 4:30 uur arriveert in Venray, parkeert hij zijn auto op de hoek [adres 11], zo’n 180 meter verwijderd van de voordeur van het pand aan de [adres 1]. [medeverdachte] loopt dan naar de auto van [verdachte] en brengt aan [verdachte] verslag uit van wat hij heeft gezien en gehoord. Er is ingebroken in het pand via de luiken aan de achterzijde en er zijn nog meerdere personen in het pand aanwezig. [verdachte] opent hierop de kofferbak van zijn auto en haalt daaruit twee wapens. Een pistool voorziet hij van munitie en geeft dat aan [medeverdachte]. Hij neemt zelf een machinepistool, vermoedelijk type Skorpion, met daarop een geluiddemper, en verricht daaraan enkele handelingen. [medeverdachte] en [verdachte] staan dan nog bij de auto. Op dat moment meent [medeverdachte] dat ook gesproken is over het feit dat de rippers in de plantage mogelijk ook bewapend zouden kunnen zijn. De periode tussen het moment dat [verdachte] in Venray aankomt tot het moment dat [verdachte] en [medeverdachte] samen het pand binnengaan, bedraagt 20 minuten. Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat [verdachte] zich om 4:30 uur bevindt onder de zendmast waaronder ook de [adres 1] valt. Vervolgens is er met elkaar gesproken en zijn [verdachte] en [medeverdachte] uiteindelijk, beiden bewapend, de 180 meter gelopen vanaf de auto van [verdachte] naar de voordeur van het pand aan de [adres 1]. Omstreeks 4:50 uur gaan ze naar binnen. Dat laatste tijdstip is immers het moment dat bewakingscamera 4, die bij de trap op de begane grond van het pand hing, beweging detecteert en een alarmmelding verzendt. [medeverdachte] had de (enige) sleutel van de voordeur. Gedurende die 20 minuten kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders, dan dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben besproken hoe nu verder te handelen. Immers, op het moment dat [medeverdachte] en [verdachte] het pand aan de [adres 1] via de voordeur betreden, lopen zij - op dat moment zonder nader overleg - meteen door naar de achterdeur, die alleen van binnenuit te openen is. Zij openen de achterdeur en vervolgens gaat [verdachte] op de binnenplaats staan en richt zijn machinepistool op de luiken. Eerder die nacht zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] via die luiken het pand binnen gekomen. Door deze positie van [verdachte] wordt de vluchtweg van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], via de luiken en het platte dak van de garage, afgesneden. De enige andere vluchtmogelijkheid is op dat moment via de trap binnen in het pand, die leidt van de bovenste verdieping naar de begane grond. Terwijl [verdachte] positie kiest aan de achterkant van het pand, is [medeverdachte] weer terug naar binnen gegaan - bewapend met een geladen pistool. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werden op die manier vanaf de andere kant benaderd. [medeverdachte] moest daar, in opdracht van [verdachte], vast het afgesloten luik boven aan de trap openen. Nadat hij het luik heeft geopend, opent [medeverdachte] ook alvast de tussendeur in de scheidingswand op de bovenste verdieping. De vrije doorgang naar de hennepkwekerij en de voorste ruimte van de bovenste verdieping, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, is nu een feit. Door zo te handelen hebben [verdachte] en [medeverdachte] de beide rippers doelbewust ingesloten. Dit insluiten kan naar het oordeel van de rechtbank geen ander doel hebben gehad dan het doelbewust en gewapend opzoeken van een confrontatie met de beide slachtoffers in het pand. Uit het feit dat beide verdachten na het betreden van het pand aan de [adres 1] via de voordeur meteen, zonder nader overleg ter plekke, doorlopen naar de achterdeur, die openen, waarna [verdachte] buiten gaat staan met zijn machinepistool en [medeverdachte] meteen terug naar binnen loopt om het luik bij de trap vast te openen, leidt dat rechtba

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.