RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Zaaknummer : C/03/211082 / HA RK 15-202 en C/03/211276 / HA RK 15-206 Datum uitspraak : 8 oktober 2015 Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. B.M. Beg, (hierna: verzoeker), dat strekt tot wraking van mr. P.H.M. Kuster, rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter). 1Het verloop van de procedure Ter terechtzitting op 9 september 2015 is namens verzoeker de wraking verzocht van de politierechter in de bij deze rechtbank aanhangige zaak met parketnummer 03/147346-13 betreffende de tenuitvoerlegging van een aan verzoeker opgelegde voorwaardelijke straf (hierna: het eerste verzoek). De rechter heeft de wrakingskamer op 16 september 2015 schriftelijk bericht dat zij niet in het verzoek berust. Zij heeft een reactie bijgevoegd en meegedeeld dat zij gehoord wenst te worden. Namens verzoeker is op 18 september 2015 per e-mailbericht opnieuw een verzoek tot wraking ingediend (hierna: het tweede verzoek). De raadsman van verzoeker heeft in verband met dit verzoek een door hem opgesteld verslag van de zitting van 9 september 2015 bijgevoegd. Op 21 september 2015 heeft de rechter schriftelijk bericht in dit tweede verzoek evenmin te berusten. Zij wenst ook daarop gehoord te worden en zal geen schriftelijke reactie geven. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 september 2015, waar verzoeker met zijn raadsman, de rechter en de officier van justitie, mr. Van den Eshof, zijn verschenen. [verweerschrift] De rechtbank heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden. 2Standpunt van verzoeker 2.1 Het eerste verzoek De raadsman van verzoeker voert aan dat door althans op instigatie van de rechter tegen hem een klacht bij de Deken van de Orde van Advocaten te Amsterdam is ingediend, over zijn gedrag op de vorige terechtzitting en op de zitting waar een nog eerder verzoek tot wraking werd behandeld. Hij heeft van de Deken zeer recent een brief betreffende deze klacht ontvangen. Omdat de rechter zich ondanks daartoe strekkend verzoek in verband met deze nieuwe omstandigheid niet wenst te verschonen, zijn er voldoende redenen om de rechter te wraken. Gelet op de eenheid van verdediging - de veroordeelde en zijn raadsman moeten worden beschouwd als één geheel - vormt de manier waarop de rechter de advocaat heeft geschoffeerd en daarmee is doorgegaan na voornoemde zittingen, grond om haar onpartijdigheid tegenover verzoeker te betwijfelen. 2.2 Het tweede verzoek De raadsman van verzoeker voert aan dat het opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van 9 september 2015 geen zakelijke weergave is van hetgeen ter zitting is voorgevallen. De rechter zich heeft bezondigd aan het opmaken van een vals proces-verbaal, aldus de raadsman. 3De beoordeling De wrakingskamer stelt voorop dat als regel na afwijzing van een verzoek tot wraking de behandeling van de zaak wordt voortgezet door dezelfde rechter. Het toewijzen van de zaak aan een andere dan de ten onrechte gewraakte rechter zou een ontkrachting van de wrakingsprocedure betekenen, omdat een verzoeker dan zijn wens (“een andere rechter graag”) ingewilligd ziet terwijl daarvoor geen grondslag in het recht bestaat. Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of deze situatie zich voordoet, staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. Uit artikel 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief gezien afgeleid moet kunnen worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of dat de vrees van een partij daarvoor subjectief gerechtvaardigd is. [t.t.z. geen bewijs van oproeping van verweerder overgelegd]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.