← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2016:2423

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/04/120450 / HA ZA 13-9 Vonnis van 23 maart 2016 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [plaatsnaam] ,

  1. [eiser sub 2], wonende te [plaatsnaam] , eisers, advocaat mr. G.A. Stibbe-Huisman, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [plaatsnaam] ,
  2. [gedaagde sub 2], wonende te [plaatsnaam] , gedaagden, advocaat mr. S.A. Wensing. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] (beiden mannelijk enkelvoud), alsmede van [eiser sub 1] (eiser sub 1), [eiser sub 2] (eiseres sub 2), [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1) en [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2) genoemd worden. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 24 juni 2015 de akte uitlating van [eisers] de akte van [gedaagden] de akte uitlating productie van [eisers] 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  5. De rechtbank verwijst vooreerst naar haar vonnis van 24 juni 2015, bij de inhoud waarvan wordt volhard. 2.
  6. Bij dat vonnis heeft de rechtbank overwogen dat door [gedaagde sub 1] uitdrukkelijk is gesteld dat reeds middels het echografische onderzoek bij de aankoopkeuring een afwijking aan de pees is geconstateerd en dat de keuringsarts ( [dierenarts 1] ) [eisers] heeft geattendeerd op het risico van de gemaakte bemerking, alsmede dat door [gedaagde sub 1] is betwist dat het paard vanwege het letsel niet meer geschikt zou zijn als sportpaard. De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over beide aspecten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. 2.
  7. De rechtbank overweegt als volgt. 2.
  8. In artikel 7:17 BW is bepaald dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. In lid 2 is bepaald dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. 2.
  9. Vooropgesteld kan worden dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van de verkoop van een dressuurpaard, althans een paard dat geschikt is voor de dressuursport. De rechtbank overweegt daartoe dat het paard immers te koop stond bij een dressuurstal, verkocht is voor de prijs van € 42.500,= en dat het paard al op hoog niveau gelopen had. Deze aspecten duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat er geen sprake is geweest van de koop van een recreatiepaard, maar van een paard waaraan hogere eisen gesteld konden worden en dat het paard in elk geval geschikt dient te zijn voor de dressuursport en de daarvoor gebruikelijke (meer intensieve) trainingen. 2.
  10. Het paard is enkele weken na de aankoop kreupel gevallen. Door [eisers] is gesteld dat het paard niet geschikt was en zal zijn voor de dressuursport en dat het reeds ten tijde van de aankoop behept was met dat gebrek. [gedaagde sub 1] heeft de stellingen van [eisers] betwist. 2.
  11. In zijn akte is door [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de rechtbank erkend dat door de [dierenarts 1] ten tijde van de keuring geen bemerking is gemaakt over de pezen van het paard en dat het paard door de dierenarts is goedgekeurd (randnummers 3 en 6 van de akte). Daarmee staat in rechte vast dat door [dierenarts 1] niet is geattendeerd op (een) afwijking(en) aan de pezen, zoals door [gedaagde sub 1] was gesteld. Dat impliceert dat het verweer van [gedaagde sub 1] , daarop neerkomend dat [eisers] wetenschap had van het gebrek aan het paard en het desondanks heeft gekocht, geen doel treft. De stelling van [gedaagde sub 1] dat er (ook) een zwelling van de kogels is geconstateerd maakt het vorenstaande niet anders: gesteld noch gebleken is dat het enkele feit dat er sprake is van gezwollen kogels reeds een gebrek van het paard voor de dressuursport impliceert. 2.
  12. Naar het oordeel van de rechtbank is daarenboven door [gedaagde sub 1] - impliciet - erkend dat het paard ten tijde van de verkoop behept was met een gebrek aan de pezen, nu immers door [gedaagde sub 1] is gesteld dat [eisers] ten tijde van de aankoop redelijkerwijs met het gebrek bekend had kunnen zijn. Dat verweer veronderstelt immers de aanwezigheid van het gebrek op het moment van de keuring. De rechtbank verwijst voor de beantwoording van de vraag of het paard ten tijde van de verkoop reeds behept was met het gebrek bovendien naar de inhoud van de door de dierenartsen [dierenarts 2] en [dierenarts 3] opgestelde rapporten, die deels al zijn geciteerd onder de vaststaande feiten, opgenomen in het vonnis van 10 juli
  13. Door [eisers] is verder bij akte een rapport in het geding gebracht van [dierenarts 4] , erkend keurings- en paardenarts, verbonden aan Paardenkliniek Venlo (verder: [dierenarts 4] ), van 10 juli
  14. Door [eisers] is gesteld dat [dierenarts 4] het rapport heeft opgesteld met als doel de aangeleverde stukken (van de beide hiervoor genoemde dierenartsen) leesbaar te maken voor niet-veterinaire professionals. Door [gedaagde sub 1] (die de deskundigheid van [dierenarts 4] niet heeft betwist) is aangevoerd dat aan de rapportage van [dierenarts 4] geen waarde toekomt omdat zij niet onpartijdig is. Aan dat verweer gaat de rechtbank voorbij: het enkele feit dat [dierenarts 4] heeft gerapporteerd op verzoek van [eisers] brengt niet met zich mee dat de resultaten van dat onderzoek buiten beschouwing dienen te blijven. Nu door [gedaagde sub 1] geen argumenten naar voren zijn gebracht op grond waarvan aan de bevindingen van [dierenarts 4] voorbijgegaan dient te worden is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het rapport meegenomen kan worden in het oordeel. 2.
  15. [dierenarts 4] heeft de bevindingen van [dierenarts 3] als volgt omschreven: “Paard is in goede conditie. Een zwelling is zichtbaar ter hoogte van het vastgestelde probleemgebied door [dierenarts 2] . Het paard reageert er mild op wanneer er op de afwijkende plek in de pees wordt gedrukt, wat of betekent dat het om een milde blessure of om een langdurige blessure gaat. Het feit dat het hard aanvoelt duidt op een langduriger probleem. Tijdens het kreupelheidonderzoek loopt het paard e uit 5 (gradering) kreupel. Wanneer het om een milde blessure gaat loopt het paard niet of nauwelijks (minder dan 1 uit 5) kreupel. Wanneer het een acuut probleem is loopt het paard ernstig kreupel (3 of 4 uit 5). Er wordt hierna aanvullende diagnostiek gedaan om te concluderen of er sprake is van een milde acute blessure of een reactie uit een oude blessure. Op de röntgenfoto van de kogel rechtsvoor zijn al plekken zichtbaar op het betreffende bot (“sesambeen”) waar het bot opgelost is. Dit komt voor wanneer er langdurig te veel tractie wordt uitgeoefend door een pees of een band aan het bot. In dit geval zijn de plekken zichtbaar precies op de plek waar de aangedane pees (interosseus/sespensory) vast hecht. Deze plekken treden op in een tijdsbestek van meerdere maanden . Met de echo is te zien dat de gehele aftakking van de pees te dik is, maar ook te wit. Dit betekent dat het peesletsel uit de acute fase is en dat er littekens zijn ontstaan om de krachten op die manier op te vangen. Echter, er zijn ook plekken zichtbaar waas deze littekens wederom zijn stuk getrokken (acuut letsel in combinatie met langdurig letsel). Waar de pees op het bot (sesambeen) vastzit is het bot ook onregelmatig geworden. Dit duidt op herhaald en langdurig verrekken van de pees in dit gebied. Ook zijn de omringende weefsels en de ondersteunende bandjes van deze pees verdikt. [dierenarts 3] evalueert alle bevindingen als zijnde een oudere, langdurige blessure. Deze zwakke plek is nu wederom geïrriteerd geraakt. [dierenarts 3] stelt dat het paard met deze blessure in het beste geval - na een revalidatieperiode - pijnvrij in de weide kan staan. Het paard zal niet de wedstrijden, en de daarbij behorende trainingen voor dat niveau, aankunnen. Bij een poging tot het hervatten van de trainingen na de revalidatieperiode, is de kans zeer groot dat het paard wederom in dat gebied een hernieuwde blessure oplevert.” 2.
  16. Uit het vorenstaande, in samenhang met de conclusie van [dierenarts 2] , blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het paard ten tijde van de verkoop was behept met het gebrek. Uit de rapporten blijkt immers dat het gaat om een oudere, langdurige blessure: het peesletsel was uit de acute fase, er was sprake van littekenweefsel en van opgelost bot. Volgens de dierenartsen volgt uit die bevindingen dat het letsel ten minste een aantal maanden oud was. Dat impliceert dat het paard het gebrek reeds vóór de verkoop gehad moet hebben, althans dat het niet in de korte tijd dat [eisers] het paard onder zich had kan zijn ontstaan: het paard is immers enkele weken na de levering kreupel gevallen en de keuringen door [dierenarts 2] en [dierenarts 3] hebben zeer kort nadien plaatsgevonden. 2.
  17. Los van de vraag of [gedaagde sub 1] bekend was met het letsel/gebrek is er aldus naar het oordeel van de rechtbank sprake van non-conformiteit: het door [gedaagde sub 1] afgeleverde paard was behept met een gebrek en uit de rapporten volgt dat dit gebrek niet zal herstellen: geconstateerd is dat het paard - ook na een revalidatieperiode - de dressuurwedstrijden en de daarbij behorende trainingen niet zal aankunnen en dat de kans dat er een hernieuwde blessure ontstaat, groot is. Aldus bezit het paard naar het oordeel van de rechtbank niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik van het paard als dressuurpaard nodig zijn, zodat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt. 2.
  18. Het vorenstaande geldt temeer nu [gedaagde sub 1] de bevindingen van de dierenartsen inhoudelijk onweersproken heeft gelaten. Het had op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om zijn verweer dat het gebrek niet aanwezig was op het moment van verkoop en levering van het paard, met stukken of anderszins, te onderbouwen. 2.
  19. Het verweer van [gedaagde sub 1] , daarop neerkomend dat aan [eisers] ondanks het gebrek aan het paard ten tijde van de verkoop geen beroep toekomt op non-conformiteit omdat hij zijn onderzoeksplicht heeft geschonden, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. [eisers] heeft het paard, zoals uit de stukken blijkt, voorafgaand aan de koop laten keuren en heeft daarbij ook een onderzoek laten doen naar de pezen van het paard, hoewel een dergelijk onderzoek volgens [gedaagde sub 1] niet standaard is. Aldus heeft [eisers] het paard niet gekocht zonder te (laten) onderzoeken of het geschikt is als dressuurpaard en gelet op die handelswijze vermag de rechtbank niet in te zien in welke zin [eisers] desondanks zijn onderzoeksplicht zou hebben geschonden. Daar komt bij dat aan de onderzoeksplicht een mededelingsplicht van de verkoper vooraf gaat. Uit de rapporten blijkt dat het paard behept was met een oude peesblessure. Dat gegeven in combinatie met het feit dat door [gedaagde sub 1] gedurende langere periode op hoog niveau met het paard is gereden, veronderstelt naar het oordeel van de rechtbank dat er gedurende die periode sprake moet zijn geweest van kenbare problemen met het paard. 2.
  20. Door [eisers] is - met stukken onderbouwd en door [gedaagde sub 1] niet weersproken - gesteld dat de overeenkomst middels een buitengerechtelijke verklaring van 25 september 2012 is ontbonden. Gelet op het vorenstaande kon en mocht [eisers] tot ontbinding van de overeenkomst overgaan vanwege het gebrek aan het paard. De sub 1 gevorderde verklaring voor recht alsmede de sub 2 gevorderde veroordeling van [gedaagde sub 1] tot ongedaanmaking van de uitvoering van de verbintenis middels terugbetaling van de totale aankoopsom ad € 42.500,= ligt dan ook voor toewijzing gereed. 2.
  21. Ten aanzien van de door [eisers] sub 3 gevorderde wettelijke rente over de genoemde aankoopsom overweegt de rechtbank het navolgende. Nu de buitengerechtelijke ontbinding is ingeroepen bij schrijven van de advocaat van [eisers] van 25 september 2012 en [gedaagde sub 1] in dat schrijven een termijn heeft gekregen voor betaling van de door [eisers] geleden schade tot 1 oktober 2012, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde rente eerst vanaf laatstbedoelde datum toewijsbaar is. 2.
  22. Sub 4 is door [eisers] schadevergoeding gevorderd. De rechtbank zal de gevorderde kosten toewijzen tot een bedrag van € 1.305,30 (aankoopkeuring [naam 1] ad € 943,80 en veterinaire kosten [naam 2] ad € 361,50), nu die kosten met facturen zijn onderbouwd, door [gedaagde sub 1] niet is betwist dat [eisers] deze kosten heeft gemaakt en niet is gesteld of gebleken dat [eisers] daarvoor reeds schadeloos is gesteld. 2.
  23. Door [eisers] zijn verder veterinaire kosten [dierenarts 2] ad € 80,00, de stallingskosten ad € 500,= per maand en de kosten van het beslaan van het paard gevorderd. Die kosten zijn echter op generlei wijze (nader, met stukken) onderbouwd, zodat de vordering tot vergoeding van deze kosten reeds op die grond dient te worden afgewezen. 2.
  24. [gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op: - dagvaarding € 106,17 - griffierecht 842,00 - getuigenkosten 87,60 - salaris advocaat 4.917,00 (5,5 punten × tarief € 894,00) Totaal € 5.952,77 2.
  25. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie na antwoord is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen wegens organisatorische redenen. De rechter, ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met een benoeming elders. 3De beslissing De rechtbank 3.
  26. wijst de vordering jegens [gedaagde sub 2] af, 3.
  27. verklaart voor recht dat de overeenkomst middels de buitengerechtelijke verklaring van 25 september 2012 is ontbonden, 3.
  28. veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 43.805,00 (drieënveertigduizend achthonderdvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 42.500,00 met ingang van 1 oktober 2012 tot de dag van volledige betaling, 3.
  29. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 5.952,77, 3.
  30. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  31. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 23 maart
  32. type: MvA coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.