RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Rekestnummer : 16/514 Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Limburg op het klaagschrift ex artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 van: [klaagster] , geboren te [geboortegegevens] , te dezer zake domicilie kiezende te 6301GC Valkenburg aan de Geul aan de Sittarderweg 1, ten kantore van haar raadsman, mr. K.A.M.J. Horsch, advocaat te Valkenburg aan de Geul, hierna te noemen: (de) klaagster. 1De inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave aan klaagster van haar ingevorderde rijbewijs. De officier van justitie houdt dit rijbewijs onder zich. 2De procesgang Het klaagschrift is op 3 maart 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 15 maart 2016 de officier van justitie, klaagster en haar raadsman in openbare raadkamer gehoord. Na het onderzoek in raadkamer heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en bepaald dat op 18 maart 2016 uitspraak zal worden gedaan. 3Standpunten der partijen Namens klaagster is gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, nu het noodzakelijk is dat klaagster als zelfstandig onderneemster over haar rijbewijs kan beschikken. Klaagster heeft een bedrijf in de uitvaartzorg en is veel onderweg naar, onder meer, de nevenvestiging, het mortuarium, de kerk en nabestaanden. Daarbij heeft klaagster als alleenstaande moeder de zorg voor vier kinderen en brengt zij hen met de auto naar school, hobby’s en stages. Het openbaar vervoer biedt hierin geen uitkomst, nu klaagster met haar gezin afgelegen woont en de openbaar vervoerverbindingen aldus slecht zijn. Volgens de raadsman is er geen recidivegevaar: klaagster werd nooit eerder geverbaliseerd voor het besturen van een voertuig terwijl zij verkeerd onder invloed van het inwendig gebruik van alcohol en de afgelopen weken heeft zij ervaren dat haar leven erg ingewikkeld wordt als het aan haar niet is toegestaan een motorvoertuig te besturen. De klaagster heeft in raadkamer verklaard dat zij gewoonlijk vervoerd wordt wanneer zij alcohol heeft genuttigd. Ditmaal was het bij wegen van uitzondering echter niet gelukt om zulk vervoer te regelen. Klaagster realiseert zich dat het besturen van een voertuig na het inwendig gebruik van alcohol het risico op ongevallen in hoge mate doet toenemen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, nu het algemeen belang van de verkeersveiligheid zwaarder dient te wegen dan de persoonlijke belangen van klaagster. Dat klaagster haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk had klaagster zich op het moment dat zij onder invloed in haar auto stapte moeten realiseren. De officier van justitie heeft het zorgwekkend genoemd dat klaagster bij de politie heeft verklaard dat zij drie à vier glazen alcohol op had en zichzelf desondanks toch nog in staat achtte om het voertuig te besturen. 4De beoordeling Tegen klaagster is op 14 februari 2016 te Brunssum proces-verbaal opgemaakt ter zake van een verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd te Voerendaal op het Kerkplein op 31 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.