RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 3662566 CV EXPL 14-12807 Vonnis van de kantonrechter van 4 mei 2016 in de zaak van de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde mr. T.R. van Ginkel, tegen [gedaagde] , wonend aan de [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. G. van Dijk. Partijen zullen hierna Dexia en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 21 oktober 2015 de door beide partijen ingediende akte na tussenvonnis de nadere akte door [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.1. Bij voormeld tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de mogelijke betekenis van hetgeen in het arrest van de Hoge Raad op 9 oktober 2015 is overwogen en beslist voor de standpunten die partijen in dit geding hebben betrokken. 2.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. 2.3. Dexia stelt zich op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding d.d. 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor [gedaagde] geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen. 2.4. Naast de in het vonnis van 12 augustus 2015 onder r.o. 2. weergegeven vaststaande feiten, is in verband met de aan de orde zijnde verjaringsproblematiek het volgende van belang, zoals weergegeven in voormelde prejudiciële beslissing onder 3.1. IV tot en met 3.1. VI: Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder andere de Stichting Eegalease en de Consumentenbond gevorderd voor recht te verklaren (vordering A): dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de art. 1:88 en 1:89 BW van toepassing is en (vordering B): dat de leaseovereenkomsten die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van art. 1:89 BW (hierna samen: de collectieve actie). Bij vonnis van 25 augustus 2004 (ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7412) heeft de rechtbank Amsterdam vordering A toegewezen en vordering B afgewezen. Gedurende het door Dexia tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties - waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond - een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een "Hoofdovereenkomst" van 23 juni 2005. Daarbij hebben de belangenorganisaties verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van alle onderwerpelijke procedures, waaronder de met de dagvaarding van 13 maart 2003 ingeleide procedure, en afstand te doen van alle in de betrokken procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, waaronder de vorderingen A en B. Partijen hebben vervolgens - zoals voorzien in de Hoofdovereenkomst - een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst). Deze overeenkomst is bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427, verbindend verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt aangeduid als de Duisenbergregeling. 2.5. [gedaagde] heeft door een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW tijdig laten weten niet gebonden te willen zijn aan de Duisenbergregeling. 2.6. De kantonrechter oordeelt als volgt. Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4585, rechtsoverweging 3.14) heeft het gerechtshof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-outverklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenbergregeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing wordt hier overgenomen. Dexia heeft gewezen op het arrest d.d. 25 november 2014 (rechtsoverweging 3.10.5, ECLI:NL:GHSHE:2014:4956) van gerechtshof Den Bosch waarin overwogen is dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten. Naar het oordeel van de kantonrechter doet dit echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt verworpen. 2.7. De verjaring is alleen gestuit indien binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is geëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd (de rechtsoverwegingen 3.5.2. en 3.5.3. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad). Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in - kort samengevat - een schikking tussen de daarbij betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, wet van 23 juni 2005, Stb 2005/340) rechtsgevolgen heeft gekregen (dan wel heeft kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van voormelde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat - nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld - de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.