RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/700147-15 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 mei 2016, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard. De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 april 2016 en 10 mei
(3)30 jaren of levenslang. De soort brandstichting waar het hier om gaat, is de brandstichting van de tweede categorie. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat er sprake was van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. Dit betekent dat hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren als strafmaximum geldt. Wat het opzettelijk brand stichten zo ernstig maakt, is dat de gevolgen van tevoren volstrekt niet te overzien zijn. Door een brandbare vloeistof in aanraking te brengen met open vuur, zoals verdachte hier heeft gedaan, is het volstrekt onvoorspelbaar op welke manier en met welke snelheid de brand zich zal ontwikkelen. De brand is dan bovendien niet meer te controleren. Illustratief in dit verband is dat ook de jas van verdachte in brand stond, nadat hij de brand had gesticht. Zo snel kan het gaan. Door een zodanige brandstichting kunnen op ieder moment (vele) mensen in een levensbedreigende situatie terechtkomen, met alle gevolgen van dien. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Verdachte heeft niet de indruk gegeven dat hij onder de indruk was van het feit dat hij van een zeer ernstig strafbaar feit werd beschuldigd. Door te blijven zwijgen heeft verdachte bovendien de mogelijkheid onbenut gelaten om tekst en uitleg te geven over het hoe en waarom van de brand. Waarom juist het café en de woning van [naam cafe] in brand moest worden gestoken, is een vraag, die onbeantwoord is gebleven. Die voortdurende onzekerheid bij de familie [naam cafe] en de angst dat het wellicht nog een keer zal gebeuren, had verdachte, als enige, kunnen wegnemen. Tot slot heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte laten meewegen dat hij kennelijk geprobeerd heeft meerdere getuigen te beïnvloeden door hen, vanuit de gevangenis, te intimideren en hen onder druk te zetten om een andere verklaring af te leggen. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank ook gelet op de inhoud van zijn strafblad. Daaruit blijkt dat hij weliswaar al vaker met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor brandstichting. Omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsadvies, noch aan een psychologische rapportage - of het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum -, weet de rechtbank weinig van verdachte. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank geen rekening kunnen houden met een eventuele ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte - hoewel daar wel aanwijzingen voor zijn - die invloed gehad zou kunnen hebben op de toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het bewezenverklaarde feit zodanig ernstig is dat zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur moet worden opgelegd, zal zij niet overgaan tot het opleggen van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 10 jaren. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn strafeis onder meer verwezen naar de, volgens hem vergelijkbare, zaak [naam zaak] (parketnummer 03/700207-15, vonnis van de rechtbank Limburg van 22 februari 2016). Dit betrof een zaak waarin een woning tot ontploffing werd gebracht door iemand die zelfmoord wilde plegen en waardoor een (andere) bewoner is overleden. In die zaak werd een gevangenisstraf van 10 jaren opgelegd. De rechtbank had in die zaak rekening gehouden met het feit dat er iemand was overleden, waardoor het strafmaximum omhoog schiet van 15 naar 30 jaren (of zelfs een levenslange) gevangenisstraf. In deze zaak geldt een lager strafmaximum, namelijk 15 jaren gevangenisstraf, omdat de slachtoffers alle vier wel in levensgevaar zijn geweest, maar er gelukkig niemand is overleden. Hoewel het strafmaximum in dit geval dus de helft is van dat in de zaak van [naam zaak] , zal de straf niet evenredig minder zijn. De zaken zijn namelijk zeker niet zo maar te vergelijken. Zo was [naam zaak] verminderd toerekeningsvatbaar; hij was zwaar depressief. Bovendien was het zijn bedoeling om zichzelf van het leven te beroven. Hoewel hij daardoor uiteraard ook andere bewoners in gevaar bracht, was zijn opzet niet gericht op de dood van die andere bewoners. In dit geval ziet de rechtbank dat anders: bij gebrek aan enige verklaring van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, door midden in de nacht brand te stichten in een pand waar mensen liggen te slapen, juist wel de bedoeling had om de bewoners in (levens)gevaar te brengen. Verdachte is bovendien, anders dan [naam zaak] dat was, volledig toerekeningsvatbaar en dus volledig verantwoordelijk voor wat hij heeft gedaan. Tot slot heeft de officier van justitie bij het formuleren van zijn strafeis zwaar laten meewegen dat het motief van de brandstichting gelegen is in de territoriumstrijd tussen de motorclubs [naam motorclub] en de [naam motorclub 2] , die op dit moment in Zuid-Limburg woedt. Hoewel zich, zoals eerder gezegd, in het dossier wel aanwijzingen bevinden dat dit mogelijk een rol heeft gespeeld, heeft de rechtbank dat niet met zekerheid kunnen vaststellen. De rechtbank zal daar in strafverzwarende zin dan ook geen rekening mee houden. Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [naam cafe] vordert een schadevergoeding van in totaal € 393.519,20 ter zake van het bewezenverklaarde. Dit betreft € 377.019,20 materiële schade, € 12.500,- immateriële schade en kosten rechtsbijstand. 7.2 Het oordeel van de rechtbank De vordering van de benadeelde partij [naam cafe] is als volgt opgebouwd: 1) Inboedel en huurdersbelang € 268.650,00 2) Bedrijfsinventaris en huurdersbelang e.a. € 68.307,00 3) Bedrijfsschade tot 34 weken na schadedatum € 40.062,20 4) Bedrijfsschade vanaf 34 weken p.m. 5) Immateriële schade € 12.500,00 6) Kosten rechtsbijstand € 4.000,00 Totaal € 393.519,20 De raadsman van de benadeelde partij, mr. Loonen, heeft aangegeven dat de gevorderde post “Bedrijfsschade vanaf 34 weken” is komen te vervallen. Inmiddels heeft de verzekering in totaal € 57.453,32 aan voorschotten uitbetaald. Nu het bedrag dat ter zake geleden materiële schade is gevorderd van de zijde van verdachte niet is betwist, zal de rechtbank het verzoek om die schade te vergoeden toewijzen. De rechtbank wijst dus een bedrag van € 377.019,20 aan vergoeding ter zake geleden materiële schade toe. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag dat inmiddels door de verzekering aan voorschotten is uitbetaald, te weten € 57.453,32, in mindering moet worden gebracht op het toegewezen bedrag aan materiële schade. Zij wijst dus een bedrag van (€ 377.019,20 -/- € 57.453,32 =) € 319.565,88 aan materiële schade toe. De overige gevorderde materiële schade wordt afgewezen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde immateriële schade (smartengeld) dat het recht daarop slechts bestaat voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) somt limitatief op in welke gevallen vergoeding van immateriële schade mogelijk is. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat [naam cafe] immateriële schade heeft geleden als gevolg van de door verdachte veroorzaakte brand. Hiertoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat uit de medische informatie die bij de vordering van de benadeelde partij is gevoegd, blijkt dat de zoon van [naam cafe] aan een PTSS (posttraumatisch stressstoornis) lijdt. Uit de vordering en uit het dossier blijkt daarnaast dat alle kleding en alle voorwerpen die voor [naam cafe] en zijn gezin een herinnering waren aan dierbare gebeurtenissen en personen, zijn verwoest door de brand. Het bedrag dat aan immateriële schade is gevorderd, is namens verdachte niet betwist. De rechtbank zal het verzoek om die schade te vergoeden dan ook toewijzen. Zij wijst dus een bedrag van € 12.500,- aan vergoeding ter zake geleden immateriële schade toe. In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van (€ 319.565,88 + € 12.500,00 =) € 332.065,88 aan schadevergoeding toe. Dit bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2015 tot de dag der algehele voldoening. Voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor rechtsbijstand, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Bij een vordering van € 195.000,- tot en met € 390.000,- wordt in de regel € 2.000,- per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door mr. Loonen indienen van de vordering en één voor het toelichten van de vordering op de zitting van 25 april
- De kosten van rechtsbijstand worden daarom, zoals gevorderd, toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-. Nu verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan en hij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd. Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar. Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel - wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 332.065,88, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening; wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [uitbater van cafe] van € 332.065,88, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 4.000,
- Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. M.E. Notermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei
- Buiten staat: mr. Notermans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 25 maart 2015 in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de [adres] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een brandbaar/brandend voorwerp naar/in voornoemd pand gegooid en/of motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, in de hal van voornoemd pand gegoten en/of gegooid en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met die brandbare stof en/of (open) vuur in aanraking gebracht met een of meerdere goederen in voornoemd pand, ten gevolge waarvan voornoemd pand en/of goederen in dat pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende en/of nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemd pand bevindende personen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die aangrenzende en/of nabijgelegen panden bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/700147-15 Proces-verbaal van de openbare zitting van 24 mei 2016 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard. Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht. Tegenwoordig: mr. C.G.A. Wouters , voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. J.S. Holthuis , rechters, mr. , officier van justitie, mr. J.W.J. Reuvers , griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zittingzaal aanwezig. Ter terechtzitting van 25 april 2016 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn. De voorzitter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen. Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2015055497, gesloten d.d. 11 juni 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015 pagina 9 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal aangifte [uitbater van cafe] d.d. 25 maart 2015, pagina’s 23 en
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 2 april 2015, pagina 42, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 april 2015, pagina 46 en het proces-verbaal aangifte [uitbater van cafe] d.d. 25 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 25 maart 2015, pagina’s 31 en
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 maart 2015, pagina’s 33 en
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina’s 13 tot en met 15 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina’s 17 en 18 van de doornummering. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2015, pagina
- Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 april 2015, pagina’s 104 en
- SIN AAHX1028NL (brandmonster broekspijp en sok) en SIN AAHX1026NL (brandmonster rechterschoen). Verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in Kerkrade op 25 maart 2015 van het Nederland Forensisch Instituut d.d. 20 april 2015, pagina’s 170 en
- Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 2 april 2015, pagina
- Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 maart 2015, pagina’s 128 en 130 tot en met 132 en kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), pagina
- SIN AAFU8310NL (brandmonster deurmat). Vergelijkend motorbenzine onderzoek naar aanleiding van een brand in Kerkrade op 25 maart 2015 van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 juli 2015, pagina’s 177 tot en met
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2015, pagina’s 52 en
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 19 mei 2015, pagina’s 55 tot en met
- Proces-verbaal verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 7 januari 2016, inhoudende het verhoor van de getuige [getuige 3] .