RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 15 / 65 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2016 in de zaak tussen [eiseres], wonend te [woonplaats], eiseres, en de burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2014 heeft verweerder onder oplegging van een last onder bestuursdwang eiseres gelast de woning aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 29 juli 2014 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. Bij besluit van 1 december 2014 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, die bij brief van 11 februari 2015, aangevuld bij brief van 3 augustus 2015, de beroepsgronden heeft ingediend. Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2015, waar eiseres, vertegenwoordigd door mr. B.H.A. Augustin, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Marcus-Silletti, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in staat te stellen een nader stuk in geding te brengen, hetgeen hij bij brief van 7 december 2015 heeft gedaan. Eiseres heeft bij brief van 15 december 2015 haar reactie hierop gegeven. Gelet op de van partijen verkregen toestemming heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter nadere zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Bij brief van 15 juli 2014 heeft verweerder eiseres medegedeeld voornemens te zijn gebruik te maken van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen door haar te gelasten de (door haar gehuurde) woning voor drie maanden te sluiten en gesloten te houden. Aanleiding voor dit voornemen is een rapport van de politie regio Limburg van 13 juli 2014 waarin is gerelateerd dat eiseres zich schuldig maakt aan handel in en bezit van softdrugs. Eiseres is op 11 juli 2014 aangehouden door het DOEN-team van de politie, vlak nadat voornoemd team had geconstateerd dat zij in haar auto rondreed en adressen kortstondig bezocht. Bij haar aanhouding is geconstateerd dat zij elf plastic zakjes hennep in haar bezit had, met een totaalgewicht van 24,5 gram (bruto). Tijdens een nadien met haar toestemming verrichte doorzoeking van de woning zijn vier plastic zakjes hennep met een gezamenlijk gewicht van 7,8 gram (bruto) aangetroffen. De politie regio Limburg heeft verweerder in genoemd rapport geadviseerd bestuurlijke maatregelen te nemen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. 2. Tegen het voornemen bestuursdwang toe te passen heeft eiseres een zienswijze ingediend. 3. Verweerder heeft in de zienswijze van eiseres geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken en heeft vervolgens het besluit van 23 juli 2014 genomen. 4. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de opgelegde last. Verweerder heeft daartoe overwogen – zakelijk weergegeven – dat uit het politierapport van 13 juli 2014 volgt dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van softdrugs vanuit de woning, waarbij hij onder meer van belang acht dat zowel in de woning als in de auto van eiseres verdovende middelen zijn aangetroffen en eiseres ten aanzien daarvan zelf heeft verklaard dat deze bestemd zijn voor de verkoop. 5. Eiseres heeft zich met het bestreden besluit niet kunnen verenigen en heeft daartegen in beroep – zakelijk weergegeven – allereerst aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was om de last op te leggen. Zo mocht verweerder niet uitgaan van het politierapport van 13 juli 2014, nu dit aantoonbaar onwaarheden bevat. Voorts kan niet worden gesteld dat vanuit de woning drugs zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt. Bovendien heeft verweerder in dat verband zijn bevoegdheid ten onrechte opgerekt, nu artikel 13b van de Opiumwet uitgaat van verkoop in of rondom de woning, doch niet vanuit de woning zoals verweerder stelt. Het besluit om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten voldoet voorts niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat niet vaststaat dat de woning een illegaal verkooppunt betreft. Bovendien handelt verweerder in strijd met artikel 8 van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Tot slot staat ook artikel 6 van het EVRM aan een sluiting in de weg omdat de sluiting dient te worden aangemerkt als een “criminal charge”, hetgeen met zich brengt dat de sluiting afstuit op het ‘ne bis in idem’, althans ’ne bis vexari’ beginsel, nu eiseres bij onherroepelijk vonnis van 22 oktober 2014 reeds strafrechtelijk voor dezelfde feiten is veroordeeld. 6. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel bedoeld in lijst I of II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de door hem vastgestelde beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. 7. Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld, neergelegd in het “Damoclesbeleid Lokalen en woningen” (hierna: het beleid). Ten tijde van het bestreden besluit gold het beleid zoals dat is vastgesteld op 20 maart 2013 en in werking is getreden op 23 maart 2013. Ingevolge onderdeel 7 van het beleid wordt overgegaan tot sluiting indien er sprake is van handel in verdovende middelen. Voor beantwoording van de vraag wanneer van handel sprake is, dienen ingeval van een geringe overschrijding van de gebruikershoeveelheid drugs andere indicatoren te wijzen op handel, zoals – niet limitatief – contacten van dealers en klanten in/vanuit een woning en de aanwezigheid van handelsattributen. Ingevolge onderdeel 12 van het beleid, voor zover hier van belang, wordt indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van softdrugs de woning gesloten voor de duur van drie maanden. 8. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn vermeld in een op ambtseed opgemaakt politierapport. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dit neemt niet weg dat tegenbewijs mogelijk is. 9. Hoewel eiseres terecht heeft aangevoerd dat de feiten die in het politierapport worden genoemd niet geheel worden gedekt door het door haar overgelegde proces-verbaal van 12 juli 2014 van een op die dag om 11.15 uur gestart verhoor van eiseres, blijkt uit het bij de brief van 7 december 2015 door verweerder ingezonden proces-verbaal dat eiseres bij een later, op 12 juli 2014 om 16.00 uur gestart verhoor heeft verklaard dat de in de woning aangetroffen softdrugs voor de verkoop en/of eigen gebruik bedoeld waren, dat het aangetroffen verpakkingsmateriaal was bestemd voor het verpakken van hennep ten behoeve van de verkoop en dat een deel van het in de woning aangetroffen geld was verkregen met de handel in softdrugs. Deze feiten zijn ook gerelateerd in het op 13 juli 2014 opgemaakte politierapport. Met de stelling van eiseres dat het tweede proces-verbaal niet is ondertekend en niet behoorde tot de stukken die zij in het kader van de strafzaak van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen, is onvoldoende tegenbewijs geleverd van de onjuistheid voor dit politierapport. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder van de juistheid van de door de politie verstrekte informatie mocht uitgaan. 10. Uit het politierapport volgt dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.