vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/207718 / HA ZA 15-356 Vonnis van 13 juli 2016 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. E.H.J. Slager te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 juni 2015 de conclusie van antwoord de conclusie van repliek, tevens akte aanbod bewijs en tegenbewijs, tevens akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis - de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten, op grond waarvan [gedaagde] in de periode van 2010 - april 2013 als de advocaat van [eiseres] heeft gefungeerd en haar in juridische zaken heeft bijgestaan. 2.
- [eiseres] heeft [gedaagde] onder andere opdracht gegeven tot het leggen van conservatoir beslag, gelegd op 23 juni 2011 (productie 3 bij dagvaarding), op gronden in Alkmaar van Goyergracht B.V. (met als statutair directeur [naam directeur Goyergracht BV] ), het opstellen respectievelijk verlenen van juridische bijstand inzake de (concept-) vaststellingsovereenkomsten van 13 juli 2011 tussen [eiseres] en/of Savannah Holding B.V. en [naam directeur Goyergracht BV] en/of Pashy Holding B.V. respectievelijk tussen de voornoemde contractspartijen en [naam] en/of Triad Properties B.V. (productie 1 bij dagvaarding en productie G bij conclusie van antwoord) en het doorhalen van het voornoemde beslag. 2.
- De vordering van [naam directeur Goyergracht BV] voornoemd op PRN B.V., als bedoeld in de vaststellings-overeenkomst tussen al de onder 2.3 genoemde contractspartijen, is aan [eiseres] gecedeerd, doch is voordat de cessie aan [eiseres] werking kreeg op 18 april 2012 overgegaan op CVG (productie 6 bij dagvaarding). [eiseres] is enkelen maanden nadat de vordering is overgegaan op CVG van die omstandigheid op de hoogte geraakt (conclusie van repliek, pagina 8, laatste alinea). 2.
- [eiseres] heeft bij e-mailbericht van 21 oktober 2014 (productie 9, bijlage 5, bij dagvaarding), via haar toenmalige advocaat, [gedaagde] meegedeeld: … Op of omstreeks 13 juli 2011 heeft u een vaststellingsovereenkomst opgesteld, waarvan u een kopie aantreft. De opdracht van cliënte luidde aan u veilig te stellen dat bij een transactie tussen Goyergracht B.V. als koper en PRN B.V. als verkoper, uit de opbrengst van die transactie een bedrag minimaal groot € 400.000,00 aan [eiseres] zou toekomen, terwijl van dat bedrag direct € 150.000,000 zou worden uitgekeerd aan in ieder geval partij [eiseres] . Het restantbedrag groot € 250.000,00 zou aan [eiseres] binnen 01 jaar nadien worden uitgekeerd. Als zekerheid voor de nakoming van de tweede betaling groot € 250.000,00 zou [naam directeur Goyergracht BV] een hypothecaire inschrijving verstrekken aan [eiseres] , welke u vanzelfsprekende diende te verzorgen en te bewaken. Die (tweede) inschrijving heeft nimmer plaatsgevonden. Dit verwijt cliënte u. Daarnaast zou zekerheid en betaling van € 250.000,00 worden gegarandeerd door middel van een nader op te stellen cessie akte tussen diverse partijen. Van de tweede (restant)vordering die Goyergracht B.V. als verkoper had op PRN als koper ten bedrage van € 400.000,00 zou een bedrag van € 250.000,00 rechtsgeldig worden gecedeerd van Goyergracht B.V. aan [eiseres] opdat PRN die € 250.000,00 enkel nog bevrijdend en rechtsgeldig kon betalen aan [eiseres] . Een en ander zou verwerkt worden in een door u nieuw op te stellen en te laten tekenen vaststellingsovereenkomst, hetwelk ook wel mag voor na te melden honorarium. Dit schijnt nooit te zijn gebeurd, hetwelk u eveneens wordt verweten, naast het niet deugdelijk tot stand brengen en laten uitvoeren van de cessie-overeenkomst. Als ik goed begrijp is ook de eerste termijn niet volledig voldaan, doch slechts tot een bedrag groot € 100.000,00 in plaats van € 150.000,00, terwijl u wel heeft gemeend uw volledig honorarium (voor het incasseren en doorbetalen van een bedrag groot € 400,000,00) te mogen rekenen voor het opstellen van een vaststellingsovereenkomst, waarbij niet de moeite is genomen deze deugdelijk te formuleren en ernstiger waarbij niet is veiliggesteld de inning van het restantbedrag groot € 300.000,
- Begrijp ik het goed dan heeft u € 25.000,00 honorarium verrekend met een ontvangst van € 100.000,00 op uw derdenrekening. Cliënte erkent dat zij met u overeenkwam een honorarium van € 25.000,00 INCL BTW voor het veilig en gegarandeerd incasseren van € 400.000,
- U heeft evenwel slechts € 100.000,00 geïncasseerd en het restant niet veiliggesteld door middel van een hypothecaire inschrijving en cessie akten en/of conservatoire beslaglegging. Voor een honorarium van € 25.000,00 INCL BTW, mag dat toch wel minimaal verwacht worden. Overigens begreep ik dat u van de heer Janssen ook een honorarium kon rekenen van € 15.000,
- N.B. 1: Cliënte geeft aan dat slechts een deel (¼) van de € 400.000,00 is voldaan en dat u door middel van verrekening uw honorarium van € 25.000,00 INCL BTW heeft ingehouden. Heeft Cliënte voor de verrekening schriftelijk toestemming voor gegeven, en kunt u die overleggen? N.B. 2: Cliënte heeft meermalen verzocht om een declaratie groot € 25.000,00 Inclusief BTW. Heeft u een dergelijke declaratie ooit verschaft? Is de BTW ook Daadwerkelijk door u afgedragen? Daarnaast verzoek ik u vriendelijk het bedrag groot € 25.000,00 binnen 3 dagen na heden op mijn derdengeldrekening te storten, nu cliënte heeft aangegeven nimmer toestemming te hebben gegeven om een bedrag groot € 25.000,00 te verrekenen met een ontvangen bedrag groot € 100.000,00 en zij de verschuldigdheid betwist. Voorts verzoek ik u vriendelijk aan te geven waarom door u verder geen actie ondernomen is Met betrekking tot het veiligstellen van het restantbedrag groot € 300.000,
- Ik zie uw reactie volgaarne binnen 05 werkdagen na heden tegemoet alsmede de betaling van Een bedrag groot € 25.000,
- Cliënte houdt u voorts aansprakelijk voor het verlies van € 300.000,00 en verzoekt u vriendelijk deze aansprakelijkheidsstelling alsmede de kwestie met het honorarium te melden bij uw bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar. ... 2.
- [eiseres] heeft de bovenstaande aansprakelijkstelling van [gedaagde] herhaald bij e-mailberichten van 27 november 2014 en 3 december 2014 en bij die laatste e-mail heeft zij aangekondigd rechtsmaatregelen jegens [gedaagde] te zullen treffen. 2.
- [gedaagde] heeft bij brief van 13 maart 2015 de gestelde aansprakelijkheid betwist en de door [eiseres] gestelde wanprestatie en schade weersproken (productie 11 bij dagvaarding). 3Het geschil 3.
- [eiseres] vordert, samengevat:
- een verklaring van recht dat [eiseres] de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] (partieel) heeft ontbonden, dan wel deze te ontbinden voor zover de afspraak is gemaakt dat [gedaagde] € 25.000,00 voor zijn werkzaamheden zou ontvangen,
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 364.325,00, vermeerderd met rente en kosten, dan wel, een verklaring van recht dat [gedaagde] niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de schade aan eiseres. [eiseres] legt aan de vorderingen ten grondslag hetgeen in de hiervoor onder 2.4 geciteerde e-mail van haar advocaat van 21 oktober 2014 is verwoord. 3.
- [gedaagde] voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [eiseres] vat in haar conclusie van repliek onder 5.6 de grondslagen van haar vorderingen kernachtig samen: Wat [gedaagde] dus nader had moeten doen is
(1)de cessie van de vordering voltooien en
(2)te zorgen voor zekerheden en
(3)niet € 25.000 in zijn zak steken. 4.2. De vorderingen tot schadevergoeding,
(1)en
(2), stuiten af op art. 6:89 BW: De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. 4.3. Voor de uitoefening van deze zogenoemde klachtplicht door de schuldeiser - hier de opdrachtgever tot en afnemer van diensten - geldt geen vaste termijn. Zeker is wel dat de termijn op zijn laatst ingaat op het moment dat de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt. Het gebrek is hier
(1)het nalaten van de mededeling van de cessie aan de debitor cessus, PRN, althans
(2)het nalaten ter zekerheid van verhaal van de restant-vordering een recht van hypotheek te vestigen. Uit de eigen stelling van [eiseres] (conclusie van repliek, pagina 8 onderaan) volgt dat zij van deze (thans gestelde) tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht, met andere woorden van de gebreken in de prestatie van [gedaagde] , eind 2012 op de hoogte kwam. Hoe lang de termijn waarbinnen nog effectief kan worden geklaagd vanaf dat moment is, wordt mede bepaald door de mate waarin de belangen van de schuldenaar - waaronder het belang om zich tegen een vordering tot schadevergoeding te kunnen verweren - zijn geschonden door de duur van de termijn die de schuldeiser heeft laten verstrijken. Dat belang is hier in belangrijke mate geschonden: van [gedaagde] kan niet worden gevergd bewijs van zijn handelen in overeenstemming met de wensen van zijn opdrachtgever [eiseres] te verzamelen en te leveren uit een zo lang geleden gesloten dossier, waarin hij niet maar [eiseres] wel met de andere betrokkenen in de tussentijd contact heeft gehad. Bovendien heeft [eiseres] voor het laten verstrijken van zo veel tijd tussen haar ontdekking van de gebreken in de prestatie van [gedaagde] en haar aanspraak op schadevergoeding op die grond, geen verklaring gegeven in die zin dat eerder protesteren van haar niet kon worden gevergd. 4.4. Wanneer we dan toch, met voorbijgaan aan het verweer dat de klachtplicht is geschonden, verder kijken naar de grondslagen van de vorderingen
(1)en
(2)dient de conclusie eveneens te zijn dat deze de toewijzing niet kunnen dragen. Ad
(1)Kennelijk heeft [eiseres] na de eerste (onvoltooide) cessie aan haar ingestemd met cessie van dezelfde vordering aan de belastingdienst, waardoor zij impliciet afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht. [gedaagde] heeft immers - onder verwijzing naar productie H bij conclusie van antwoord en productie 11, bijlage 7, bij dagvaarding - gesteld dat [eiseres] zelf in september 2011 met [naam directeur Goyergracht BV] en [naam] heeft afgesproken dat de vordering (in plaats van aan haar) aan de belastingdienst zou worden gecedeerd, en [eiseres] heeft de juistheid van deze stelling bij conclusie van dupliek (onder 1.1) onvoldoende bestreden. Ad
(2)Tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] (conclusie van antwoord onder 5.1) dat er onroerende zaken van de debiteur waren waarop een recht van hypotheek ten gunste van [eiseres] had kunnen worden gevestigd, heeft zij zodanige zaken (bij conclusie van repliek) niet (alsnog) aangeduid. 4.5. Vordering
(3)is kennelijk, al gebruikt [eiseres] die woorden niet, gebaseerd op onverschuldigde betaling. De door [gedaagde] toegepaste verrekening (van de op zijn derdenrekening ontvangen € 100.000,00 met zijn vordering op [eiseres] van € 25.000,00) is immers een vorm van betaling. Aan deze betaling lag een schuld ten grondslag. Uit bijlage 13 bij productie 11 bij dagvaarding blijkt immers dat [eiseres] haar schuld aan [gedaagde] van € 25.000,00 en diens bevoegdheid tot verrekening heeft erkend. Zij heeft wel gevraagd om een declaratie in verband met het terugvragen van de BTW, maar dit impliceert niet een betwisting van haar schuld. Bovendien heeft [gedaagde] bij antwoord, door [eiseres] bij repliek niet gemotiveerd betwist, uitgelegd dat hij niet (nogmaals) declaraties voor dit bedrag kon sturen omdat zijn vordering voortvloeide uit eerdere (voorschot)declaraties waarin reeds btw in rekening was gebracht, die hij ook reeds had afgedragen. 4.
- Op grond van het vorenoverwogene dienen de vorderingen van [eiseres] te worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.533,00 - salaris advocaat € 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00) totaal € 6.693,
- 4.
- De vordering tot veroordeling in de nakosten is slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als hierna onder 5.3 verwoord. 5De beslissing De rechtbank 5.
- wijst de vorderingen af, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 6.693,00, 5.
- veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving vanwege [gedaagde] aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden te vermeerderen met € 68,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van die betekening, 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken. type: CM