vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/222964 / KG ZA 16-329 Vonnis in kort geding van 21 juli 2016 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats A] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats B] , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats C] , 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de bakkerij] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats bakkerij] , eiseressen, advocaat mr. A.J.T.M. Hendriks en mr. M.M.M. Rooijen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de supermarkt] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats supermarkt] , gedaagde, advocaat mr. V.V.A. Lipman en mr. J.P. Brinkman. Eisers, zullen hierna gezamenlijk [Eisers c.s.] genoemd worden en ieder afzonderlijk [A] , [B] , [C] en [de bakkerij] . Gedaagde zal hierna [de supermarkt] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met (nagezonden) producties 1 tot en met 38 de producties 1 tot en met 10 van [de supermarkt] de mondelinge behandeling de pleitnota van [Eisers c.s.] de pleitnota van [de supermarkt] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten De onderlinge verhoudingen tussen partijen 2.1. [Eisers c.s.] behoort tot een groep vennootschappen, waarin [A] B.V. onder meer enig aandeelhouder en bestuurder is van [B] en [C] . 2.2. Op 16 juli 1987 heeft [de supermarkt] als huurder met [X] B.V. en/of Aannemersbedrijf [Y] B.V. (hierna [Y] ) als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de (ver)huur van de bedrijfsruimte staande en gelegen te [plaats bedrijfspand] aan de [adres bedrijfspand] (hierna het bedrijfspand). 2.3. [Y] heeft de eigendom van het bedrijfspand eind januari 1988/begin februari 1988 overgedragen aan [A] . 2.4. Bij akte van 31 december 1996 is het bedrijfspand ingebracht in [B] . 2.5. Op 25 juni 2013 heeft een splitsing plaatsgevonden als gevolg waarvan het bedrijfspand in eigendom is overgegaan op [C] . 2.6. Een deel van het bedrijfspand (ongeveer 100 van de 700 m2) wordt verhuurd aan [de bakkerij] . [de bakkerij] exploiteert sinds 1987 in het bedrijfspand een broodboetiek. 2.7. Tot 28 oktober 1991 voerde [de bakkerij] de naam [D] B.V. De brood- en banketafspraken 2.8. Op 4 november 1987 heeft [Y] met [de supermarkt] een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot (kort samengevat) de verkoop van brood- en banketproducten (hierna de brood- en banketafspraken). De afspraken zijn neergelegd in een door [Y] en [de supermarkt] ondertekende brief, waarin [Y] aan [de supermarkt] onder meer het volgende vermeldt: “Hierbij bevestigen wij gaarne de met u voorwaardelijk gemaakte afspraken. (…) deze afspraken zijn voorwaardelijk namelijk onder de voorwaarde dat wij daarover ook volledige overeenstemming met [(...)] bereiken. De afspraken laten zich als volgt samenvatten: (…) In de betreffende broodboetiek van [(...)] zal een compleet assortiment boord en gebak inclusief nat gebak en Limburgse vlaaien worden gevoerd, waarbij het aan [(...)] tevens is toegestaan producten al dan niet diepgevroren in de boetiek af te bakken; U verplicht zich in de aan U verhuurde ruimte geen brood, gebak en nat gebak danwel Limburgse vlaaien te verkopen dan wel in voorraad te hebben;”Met pen staat daarbij geschreven: “ter verduidelijking wordt hierbij vermeld dat deze verplichting geen betrekking heeft op diepgevroren gebak en “Kempenaar” half afgebakken klein brood.” “- (…) [(...)] verplicht zich de navolgende broodprodukten te voeren en aan te bieden tegen de door U in Limburg gehanteerde prijzen inclusief de voor die specifieke produkten gevoerde stuntprijzen. Het betreft hier veredeld witboord, tarwebrood en veredelde witte puntjes en kadetjes. Voor het overige is heerschap volledig vrij voor wat betreft het voeren van bakkerijprodukten als ten aanzien van de daarvoor te bedingen prijzen; (…) Ten aanzien van die hiervoren genoemde produkten waarbij [(...)] Uw prijsniveau zal hanteren, garandeert [(...)] minimaal dezelfde kwaliteit als door u in Uw overige Limburgse winkels wordt geboden; De tussen U en ons overeengekomen huurovereenkomst blijft, met inachtneming van hetgeen hier is afgesproken, ongewijzigd van kracht, echter met dien verstande dat wij ons jegens U verplichten bij oplevering van de winkel een som ineens te betalen, groot f. 100.000,==, zulks ter compensatie van de door U gedane toegeving betreffende het niet meer kunnen voeren van een brood-, gebak en nat gebak assortiment als voormeld; [(...)] verplicht zich haar broodboetiek op dezelfde tijden geopend en gesloten te hebben als U Uw supermarkt open heeft dan wel gesloten houdt; (…) Indien de broodboetiek hoe dan ook van eigenaar zal wisselen, dan zullen betrokken partijen de voormelde afspraken wederom bespreken. Dat geldt uitdrukkelijk ook wanneer een andere natuurlijke of rechtspersoon een meerderheid in [(...)] zal krijgen; (…)” 2.9. Bij brief van 26 november 1987 deelt [Y] aan [de supermarkt] mede dat inmiddels ook overeenstemming met [(...)] is bereikt, “zodat de tussen ons in genoemde kwaliteit gemaakte afspraken thans onvoorwaardelijk gelden.” 2.10. Nadat [Y] de eigendom van het bedrijfspand begin 1988 had overgedragen aan [A] heeft [de supermarkt] bij brief van 5 februari 1988 bij [Y] geïnformeerd of de afspraken neergelegd in de brief van 4 november 1987 ook ter kennis waren gebracht aan [A] . Daarop heeft [Y] per brief van 11 februari 1987 gereageerd en aangegeven dat de brood- en banketafspraken inderdaad ter kennis waren gebracht aan [A] en dat zij met [A] is overeengekomen dat laatstgenoemde de rechten en plichten van [de supermarkt] zal aanvaarden en de uit die brief voortvloeiende verplichtingen voor haar rekening zal nemen, waarbij werd vermeld: “Die brief geldt dus nu tussen U en [(...)] ” (lees [A] ). 2.11. Tussen partijen is medio 1988 een geschil ontstaan, als gevolg waarvan [A] [de supermarkt] in kort geding heeft gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft op 23 juni 1988 uitspraak gedaan en in conventie [de supermarkt] veroordeeld om in het door haar gehuurde geen brood, gebak, nat gebak danwel Limburgse vlaaien te verkopen dan wel in voorraad te hebben. In reconventie werd [A] veroordeeld om de in de brood- en banketafspraken genoemde producten te koop aan te bieden tegen de door [de supermarkt] in Limburg gehanteerde prijzen tegen dezelfde kwaliteit als de producten van [de supermarkt] dienen te zijn. 2.12. In 1999 hebben [A] en [de supermarkt] afspraken gemaakt over de uitbreiding van het gehuurde. In dat kader werd tevens de volgende afspraak gemaakt, welke door [de supermarkt] per brief van 7 april 1999 aan [A] werd bevestigd: “Verder spreken wij dat de status quo met betrekking tot de broodverkoop gecontinueerd zal worden. [de supermarkt] voert in dit pand uitsluitend houdbaar brood zoals roggebrood en enkele met name genoemde broodvarianten (“reclamebrood”)” 2.13. In 2002 hebben [A] en [de supermarkt] onder meer opnieuw afspraken over uitbreiding van het gehuurde gemaakt, hetgeen werd neergelegd in een aanvullende huurovereenkomst van 23 september 2002. In die aanvullende huurovereenkomst was tevens opgenomen: “Het aanhangsel d.d. 07-04-1999 maakt deel uit van deze overeenkomst. (…)” 2.14. In 2014 zijn [A] en [de supermarkt] opnieuw in overleg getreden over uitbreiding van het gehuurde in combinatie met een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. In dat kader hebben partijen ook gesproken over de brood- en banketafspraken en dat [de supermarkt] deze ter discussie wenste te stellen. [A] heeft uiteindelijk een concept intentieovereenkomst opgesteld. In die overeenkomst is opgenomen dat in de nadien te sluiten nieuwe huurovereenkomst ook een afspraak zou worden opgenomen omtrent de brood- en banketverkoop door [de supermarkt] . 2.15. Bij e-mail van 14 september 2015 gericht aan de heer [E] , bericht [de supermarkt] , in de persoon van vastgoedmanager de heer [F] (hierna [F] ), dat de afspraak over verkoop van brood waarop de verhuurder zich baseert dateert van eind jaren ’80 en dat zij van mening is dat die afspraken niet meer van deze tijd zijn en dat [de supermarkt] er vrij zeker van is dat zij op basis van het mededingingsrecht ook in de bestaande situatie tot verkoop van brood over zouden kunnen gaan. 2.16. Bij e-mail van 4 november 2015, gericht aan de heer [E] , heeft [de supermarkt] , in de persoon van [F] , aangegeven dat een beperking van het assortiment niet bespreekbaar was voor [de supermarkt] en een breekpunt was in de verdere onderhandelingen. Daarbij werd tevens aangegeven dat de beperking van het assortiment, meer specifiek de brood- en banketafspraak, volgens [de supermarkt] juridisch ook niet houdbaar zou zijn. 2.17. Bij e-mail van 30 maart 2016 deelt [F] aan de heer [E] mede dat [de supermarkt] stopt met de verdere planontwikkeling. 2.18. Bij brief van 3 juni 2016 deelt [de supermarkt] aan [C] mede dat zij op korte termijn een aantal formuleaanpassingen in haar supermarkt in [vestigingsplaats supermarkt] gaat doen. 2.19. [C] en [de bakkerij] vragen bij brief van 13 juni 2016 aan [de supermarkt] om meer duidelijkheid te geven over de formuleaanpassingen, in die zin dat zij wil weten wat er precies gaat veranderen. Daarbij wijst [C] op de brood- en banketafspraken en dat een inbreuk op die afspraken niet getolereerd zal worden. 2.20. Aangezien daarop zijdens [de supermarkt] niet werd gereageerd heeft de advocaat van [Eisers c.s.] [de supermarkt] bij brief van 24 juni 2016 nogmaals gewezen op de brood- en banketafspraken en verzocht te bevestigen dat [de supermarkt] deze afspraken correct en volledig zal nakomen. Daarbij werd medegedeeld dat [de supermarkt] aansprakelijk zou worden gehouden als zij in strijd met de genoemde afspraken zou handelen. Verder werd gevraagd om een nadere (juridische) onderbouwing van het standpunt van [F] dat de houdbaarheid van de brood- en banketafspraken werd betwist, zoals verwoord in de e-mail van 4 november 2015. 2.21. Vanaf 29 juni 2016 biedt [de supermarkt] een volledig brood en gebak assortiment aan. Hiertegen heeft [Eisers c.s.] bezwaar gemaakt en ondanks sommatie blijft [de supermarkt] voortgaan met deze verkoop. 3Het geschil 3.1. [Eisers c.s.] vordert samengevat: een verbod voor [de supermarkt] om in het gehuurde brood- en banket te verkopen en in voorraad te hebben conform de afspraken zoals deze zijn gemaakt op 4 november 1987, op straffe van een dwangsom, een verbod voor het maken van reclame en/of het plaatsen van advertenties betreffende de verkoop van brood en/of gebak en/of vlaaien en het op voorraad hebben daarvan, op straffe van een dwangsom, de proceskosten, vermeerderd met rente. 3.2. [de supermarkt] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard van de vordering met zich mee dat sprake is van een spoedeisend belang. De vordering beoogt immers om een schending van contractuele afspraken te beëindigen danwel het beëindigen van een onrechtmatige toestand, terwijl [Eisers c.s.] stelt dat de door haar gestelde schade oploopt zolang die schending en/of onrechtmatige toestand voortduurt, met als gevolg dat zij wellicht de exploitatie van [de bakkerij] dient te beëindigen met alle gevolgen van dien voor de overige eisers. Gelet daarop kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van [Eisers c.s.] gevergd worden dat zij een bodemprocedure afwacht. 4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat het antwoord op de vraag of een spoedvoorziening wordt verleend afhankelijk is van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van afweging van de belangen van partijen. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de voorlopige merites van de zaak en daarna op de belangenafweging. 4.3. Kern van het geschil is de vraag of [de supermarkt] is gehouden aan de brood- en banketafspraken, zoals verwoord in de brief van 4 november 1987, ten opzichte van [A] . [Eisers c.s.] stelt van wel. [A] baseert haar vordering op wanprestatie en de overige eisers op onrechtmatige daad, omdat zij in hun visie ook nadeel ondervinden van de wanprestatie van [de supermarkt] ten opzichte van [A] . 4.4. [de supermarkt] betwist dat zij thans nog gebonden is aan de brood- en banketafspraken uit 1987. Zij voert daartoe - kort samengevat - de volgende verweren: [de supermarkt] betwijfelt of [A] nog wel de verhuurder is, gelet op het feit dat het pand in de loop der jaren verschillende eigenaren heeft gekregen en [de supermarkt] met de laatste eigenaar ( [C] ) geen overeenstemming heeft bereikt over de brood en banketafspraken, zodat deze niet meer gelden; de brood- en banketafspraken zijn nietig op grond van artikel 6 Mededingingswet (Mw); de overeenkomst waarin de brood- en banketafspraken zijn neergelegd kan op grond van onvoorziene omstandigheden niet ongewijzigd in stand blijven; het is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar indien [de supermarkt] nog door [A] kan worden gehouden aan de gemaakte brood- en banket-afspraken; de brood- en banketafspraken oftewel het non-concurrentiebeding is geen noodzakelijk beding en is disproportioneel omdat het niet in duur is beperkt. 4.5. Naast voornoemde verweren betwist [de supermarkt] verder nog dat zij jegens [C] , [B] en [de bakkerij] onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat [Eisers c.s.] schade heeft geleden. 4.6. De voorzieningenrechter zal hierna eerst in gaan op de gestelde wanprestatie en daarna op het vermeende onrechtmatig handelen. 4.7. Als uitgangspunt heeft te gelden dat rechtsgeldige overeenkomsten moeten worden nagekomen (pacta sunt servanda), tenzij voldoende aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van een rechtsgeldige overeenkomst en/of sprake is van uitzonderingen op deze hoofdregel, zoals bepaalde onvoorziene omstandigheden. Ten aanzien van verweer a 4.8. Tussen partijen staat vast dat [de supermarkt] in 1999 en 2002, ten tijde van onderhandelingen over uitbreidingen, zich jegens [A] gebonden heeft geacht aan de brood- en banketafspraken (zie de brief van 7 april 1999 en de aanvullende huurovereenkomst van 23 september 2002), terwijl op dat moment [B] eigenaar was van het bedrijfspand. Het enkele feit dat het pand in de loop der jaren van eigenaar is gewisseld en het feit dat [de supermarkt] en [C] (als eigenaar van het bedrijfspand) in 2014 hebben onderhandeld (onder meer ook over de brood- en banketafspraak) en er niet samen uit zijn gekomen, wil derhalve nog niet zonder meer zeggen dat de brood- en banketafspraken tussen [A] en [de supermarkt] niet langer bestaan. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [Eisers c.s.] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [A] nog steeds de contractspartij is voor wat betreft de brood- en banketafspraken (voor zover er vanuit wordt gegaan dat deze nog steeds rechtsgeldig zijn, waarover hierna meer). Ten aanzien van verweer b 4.9. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van dit verweer (strijd met mededingingsrecht) voorop dat de brood- en banketafspraken het [de supermarkt] niet verbieden om in de nabijheid van het bedrijfspand brood- en banket te gaan verkopen. De afspraken beperkingen zich tot de activiteiten van [de supermarkt] en [de bakkerij] die worden verricht in de verhuurde ruimten. Reeds daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vanwege mededingingsrechtelijke redenen in dit kort geding afbreuk te doen aan de tussen partijen gemaakte afspraken. 4.10. Daarnaast geldt het volgende. De partij die een beroep doet op schending van artikel 6 lid 1 Mw dan wel artikel 101 lid 1 VWEU dient te stellen, en, bij voldoende gemotiveerde tegenspraak, te bewijzen (in kort geding: aannemelijk maken), dat sprake is van een merkbare verstoring van de mededinging in de desbetreffende markt. Hierbij geldt een verzwaarde stelplicht. Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. De rechter dient immers in staat te worden gesteld de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit is niet anders wanneer daarbij summiere aanduidingen van relevante geografische en productmarkten worden gegeven en niet nader toegespitste stellingen worden betrokken omtrent percentages van respectieve marktaandelen op de desbetreffende markten. Daardoor wordt immers niet zonder meer voldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.