RECHTBANK limburg Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht Zaaknummer: 15/3399 Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2016 in de zaak tussen [eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres, (gemachtigden: mr. drs. G.A.C. Beckers), en de burgemeester van de gemeente Heerlen, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Quaedvlieg). Procesverloop Bij brief van 9 juni 2015 heeft verweerder het verzoek van eiseres tot intrekking van haar exploitatievergunning van 15 juli 2010 afgewezen. Bij besluit van 7 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend. Bij beslissing van 7 maart 2016 heeft de enkelvoudige kamer de zaak op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar de meervoudige kamer verwezen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016, alwaar het beroep gevoegd is behandeld met het beroep dat bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer 15/1563. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam], alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elke zaak separaat uitspraak gedaan. Overwegingen 1. Op 15 juli 2010 heeft verweerder aan eiseres een vergunning verleend voor het exploiteren van een growshop (de exploitatievergunning) in het pand, gelegen aan [adres]. Bij brief van 26 februari 2015 heeft verweerder eiseres, kort gezegd, meegedeeld dat de exploitatievergunning met ingang van 1 maart 2015 in verband met een wijziging van de Opiumwet van rechtswege zal vervallen. Eiseres heeft naar aanleiding van die brief verweerder verzocht een appellabel besluit te nemen waarin de vergunning niet van rechtswege vervallen wordt verklaard, maar wordt ingetrokken. Na enige correspondentie over en weer heeft verweerder zich bij brief van 9 juni 2015 nogmaals op het standpunt gesteld dat de exploitatievergunning reeds van rechtswege is vervallen. Om die reden heeft verweerder het verzoek van eiseres om de vergunning in te trekken afgewezen. Onder deze brief heeft verweerder een bezwaarclausule opgenomen. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het per 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet met zich brengt dat het daarmee strijdige hoofdstuk 3, afdeling 5 van de toen vigerende Algemene Plaatselijke Verordening 2012 van de gemeente Heerlen (APV) per diezelfde datum op grond van artikel 122 van de Gemeentewet onverbindend is. De op basis van de APV verstrekte exploitatievergunning voor een growshop is bijgevolg van rechtswege vervallen. Aan de schriftelijke mededeling daarvan komt geen afzonderlijk rechtsgevolg toe, reden waarom er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aldus verweerder. 3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen aan dat de exploitatievergunning op grond van de gewijzigde Opiumwet niet rechtstreeks vervalt, maar onverkort blijft gelden zolang deze niet is ingetrokken of gewijzigd. Artikel 11a van de Opiumwet geldt slechts voor een growshop waarbij de overtreder de wetenschap heeft dan wel een ernstige reden om te vermoeden dat de voorwerpen en stoffen die zij voorhanden heeft en verkoopt bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennep. Eiseres valt daar niet onder, nu zij zich enkel richt op de kleinschalige hobbyteler. Voor die groep blijft de APV gelden. Daartoe overweegt zij ook dat artikel 122 van de Gemeentewet toepassing mist, omdat het doel van de APV en het doel van artikel 11a van de Opiumwet niet overeenstemmen, waardoor het niet om hetzelfde onderwerp gaat. Aan eiseres dient een gewijzigde vergunning te worden verstrekt. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Ingevolge het vijfde lid wordt indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel. Ingevolge artikel 11a van de Opiumwet wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie. Op grond van artikel 3:48, eerste lid onder a, van de APV, zoals deze luidde ten tijde hier in geding wordt onder inrichting (mede) verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smart-, head- of growshop. Op grond van artikel 3:49, eerste lid, van de APV is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 5. In geschil is de vraag of het hier aan de orde zijnde vergunningstelsel van de APV door de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet – al dan niet gedeeltelijk – onverbindend is en zo ja, of dit ten gevolge heeft dat de exploitatievergunning van eiseres van rechtswege is komen te vervallen. 6. De rechtbank stelt allereerst vast dat in de thans aan de orde zijnde APV een vergunningstelsel is opgenomen op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een growshop, waar voorwerpen en stoffen voorhanden mogen zijn en verkocht mogen worden ten behoeve van onder meer de productie van hennep. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.