RECHTBANK limburg Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht Zaaknummer: 15/1563 Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2016 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [zaaknaam], te [woonplaats], eiser, (gemachtigde: mr. G.A.C. Beckers), en de burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder, (gemachtigde: mr. J. de Jonge). Procesverloop Bij brief van 13 februari 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat met ingang van 1 maart 2015 de aan hem verleende vergunning voor het exploiteren van een growshop van rechtswege komt te vervallen in verband met een wijziging van de Opiumwet. Bij besluit van 30 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016, alwaar het beroep gevoegd is behandeld met het beroep dat bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer 15/3399. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elke zaak separaat uitspraak gedaan. Overwegingen 1. Op 7 juni 2011 heeft verweerder aan eiser een (gewijzigde) vergunning verleend voor het exploiteren van een zogeheten smart-, head- of growshop (de exploitatievergunning) in het pand, gelegen aan [adres]. Bij brief van 13 februari 2015 heeft verweerder eiser, kort gezegd, meegedeeld dat de exploitatievergunning met ingang van 1 maart 2015 in verband met een wijziging van de Opiumwet van rechtswege zal komen te vervallen. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het per 1 maart 2015 in werking getreden artikel 11a van de Opiumwet met zich brengt dat het daarmee – als gevolg van die wijziging – strijdige hoofdstuk 2, afdeling 3, paragraaf 1a van de vigerende Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Maastricht 2006 (APV) ten aanzien van growshops onverbindend is. De op basis van de APV verstrekte exploitatievergunning voor een growshop is bijgevolg van rechtswege vervallen. Aan de schriftelijke mededeling daarvan, als verwoord in de brief van 13 februari 2015, komt geen afzonderlijk rechtsgevolg toe, reden waarom er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus verweerder. 3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen aan dat de exploitatievergunning op grond van de gewijzigde Opiumwet niet rechtstreeks vervalt, maar onverkort blijft gelden zolang deze niet wordt ingetrokken of gewijzigd. Eiser leest de brief van 13 februari 2015 als een besluit tot intrekking van de eerder verleende exploitatievergunning. Volgens eiser is dit besluit echter gebrekkig, in de eerste plaats omdat eiser in strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Awb niet is gehoord. Voorts is er volgens eiser geen grond voor algehele intrekking van de exploitatievergunning met betrekking tot growshops. Artikel 11a van de Opiumwet geldt slechts voor een growshop waarbij de overtreder de wetenschap heeft dan wel een ernstige reden heeft om te vermoeden dat de voorwerpen en stoffen die hij voorhanden heeft en verkoopt bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennep, niet voor de growshop die zich enkel richt op de kleinschalige hobbyteler, zoals eiser. Bovendien is de intrekking in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en pakt deze ook overigens onevenredig voor eiser uit. Eiser meent dat verweerder de verleende vergunning zodanig moet wijzigen, dat deze in overeenstemming is met artikel 11a van de Opiumwet. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Ingevolge het vijfde lid wordt indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel. Ingevolge artikel 11a van de Opiumwet wordt hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie. Op grond van artikel 2.3.1a.1, eerste lid onder a, van de APV, zoals deze luidde ten tijde hier van belang wordt onder inrichting (mede) verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smart-, head- of growshop. Op grond van artikel 2.3.1a.2, eerste lid, van de APV is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 5. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bij de brief van 13 februari 2015 heeft meegedeeld dat de vergunning van rechtswege is komen te vervallen. De brief kan naar het oordeel van de rechtbank qua formulering en inhoud niet als een intrekking van de exploitatievergunning worden opgevat. Voor zover de gronden van eiser daartegen zijn gericht, falen deze derhalve. 6. In geschil is verder de vraag of het hier aan de orde zijnde vergunningstelsel van de APV door de inwerkingtreding van artikel 11a van de Opiumwet – al dan niet gedeeltelijk – onverbindend is en zo ja, of dit ten gevolge heeft dat de exploitatievergunning van eiser van rechtswege is komen te vervallen. 7. De rechtbank stelt allereerst vast dat in de thans aan de orde zijnde APV een vergunningstelsel is opgenomen op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een growshop, waar voorwerpen en stoffen voorhanden mogen zijn en verkocht mogen worden ten behoeve van onder meer de productie van hennep. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.