RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/659481-15 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 september 2016. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: samen met anderen handelingen heeft verricht ter voorbereiding en bevordering van het maken van amfetamine door daarvoor bestemde goederen voorhanden te hebben en een woning daartoe ter beschikking te stellen. Feit 2: samen met anderen opzettelijk een hennepplantage aanwezig heeft gehad, dan wel daartoe opzettelijk een woning ter beschikking heeft gesteld. Feit 3: samen met anderen voorwerpen voorhanden heeft gehad, die bestemd waren tot het plegen van feiten in strijd met de Opiumwet. Feit 4: samen met anderen elektriciteit heeft gestolen. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte een volle zak, inhoudsmaat 25 kg, met opschrift Caustic Soda voorhanden heeft gehad en zijn woning ter beschikking heeft gesteld ter voorbereiding op het maken van amfetamine. Op 13 augustus 2015 vindt er een dumping plaats van drugsafval vanuit een aanhangwagen. Gezien wordt dat de aanhangwagen wordt getrokken door een auto (BMW X3), soortgelijk aan de auto van verdachte. Verder is verdachte in het bezit van een soortgelijke aanhangwagen als gezien bij de dumping. De officier van justitie is ervan overtuigd dat het afval vanuit de locatie [adres 2] te [plaats] is vervoerd, al ontbreekt het bewijs dat verdachte de bestuurder van de auto was. Blijkens de getuigenverklaringen zijn er op 12 augustus 2015 op voormeld adres veel activiteiten waargenomen. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd waarom hij dit pand heeft gehuurd. Voor het overige dient verdachte ten aanzien van feit 1 partieel te worden vrijgesproken. De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte 308 hennepplanten aanwezig heeft gehad in het pand aan de [adres 2] . Er zijn zoekopdrachten gevonden in de computer van verdachte gerelateerd aan hennepteelt en er zijn bij hem boeken aangetroffen over dit onderwerp. Tevens is er groeimiddel voor hennepteelt aangetroffen in de auto van verdachte. De verklaring van de verdachte dat het aangetroffene te maken heeft met zijn eerdere betrokkenheid bij hennepteelt en dat hij deze spullen naar de afvalstraat wilde brengen, acht de officier van justitie niet aannemelijk nu die eerdere teelt vier jaar geleden was. Verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd over het feit zelf, die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen, hij zwijgt. Het voorgaande maakt dat ook feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van feit 4 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte als huurder van de woning verweten kan worden dat er stroom is gestolen. Verdachte zwijgt over dit feit. Niet kan worden vastgesteld of een ander dan verdachte verantwoordelijk is voor de diefstal van stroom. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Er kan niet worden vastgesteld of verdachte (opzettelijk) betrokken is geweest bij een van de feiten in welke vorm dan ook. Zijn beroep op het zwijgrecht mag niet worden gebruikt als stoplap voor gaten in de bewijsvoering. Ten aanzien van feit 1 verwijst de raadsman naar het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:743). Onder artikel 10a van de Opiumwet vallen geen handelingen te rubriceren die zijn verricht na afloop van het voltooien van het voor te bereiden of te bevorderen delict. In het onderhavige geval is er kennelijk wel sprake van een voltooid delict. Ten aanzien van feit 2 verwijst de raadsman naar twee arresten van de Hoge Raad van 3 november 2009 ((ECLI:NL:HR:2009:BJ6931) en 28 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ1961). Betrokkenheid van verdachte bij de hennepteelt kan aan de hand van dit dossier niet worden vastgesteld. Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte een plausibele alternatieve verklaring afgelegd. De aangetroffen spullen maken deel uit van feiten uit 2013 waarvoor hij reeds op 11 april 2016 is veroordeeld door de politierechter te ’s-Hertogenbosch. Niet valt in te zien waarom aan deze verklaring geen geloof kan worden gehecht. Ten aanzien van feit 4 kan niet worden vastgesteld of verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van stroom. Bovendien is niet uit de aangifte van Enexis te herleiden wat voor een illegale aansluiting is aangetroffen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 3, vrijspraak Verdachte heeft verklaard dat de bij hem aangetroffen voorwerpen afkomstig zijn van Maarheeze waar hij eerder hennepplantages heeft gehad en waarvoor hij reeds door de politierechter te ’s-Hertogenbosch is veroordeeld. De verdachte heeft verder verklaard dat de aangetroffen spullen voor die plantages bestemd waren en dat hij ze nu voorhanden had om ze weg te brengen naar de afvalstraat. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de aangetroffen voorwerpen afkomstig waren uit Maarheeze en dat die voorwerpen bestemd zijn geweest voor de hennepteelt aldaar. Daar twijfel blijft bestaan of de bij verdachte aangetroffen spullen nu wel of niet bestemd waren voor het plegen van nieuwe in artikel 11, derde en/of vijfde lid Opiumwet strafbaar gestelde feiten, zal verdachte worden vrijgesproken van het hem onder feit 3 ten laste gelegde. Inleiding Op 13 augustus 2015 kwam verbalisant [verbalisant 1] aan op de [adres 3] te [plaats] . Aldaar zou vermoedelijk drugsafval zijn gedumpt uit een rijdend motorvoertuig. Verbalisant [verbalisant 1] trof ter hoogte van een supermarkt [naam supermarkt] (onder meer) een tweetal jerrycans aan. Hij rook een penetrante geur, vermoedelijk afkomstig van de jerrycans. De eigenaar van de supermarkt [naam supermarkt] aan de [adres 3] heeft camerabeelden aan de verbalisant getoond. Verbalisant zag op de camerabeelden dat op 13 augustus 2015 een grijze BMW vermoedelijk type X3, vanuit Meijel richting Nederweert reed. Achter de auto was gekoppeld een aanhangwagen(bak) met een wit zeil. Verbalisant zag dat op een gegeven moment voornoemde goederen uit de aanhangwagen vielen toen deze over een drempel reed. Blijkens een MMA melding naar aanleiding van het zien van de beelden op de site www.nederweert24.nl zou het getoonde voertuig in het weekend van 7 augustus 2015 tot en met 9 augustus 2015 gesignaleerd zijn af en aan rijdend van [adres 2] in [plaats] , voorzien van een aanhanger. Ten aanzien van het bewijs Op 17 augustus 2015 heeft verbalisant [verbalisant 2] een onderzoek ingesteld op het adres [adres 2] te [plaats] . Hij zag dat genoemde woning te koop stond. Hij zag dat achter genoemde woning een kleine schuur stond waarvan de deur openstond. Verbalisant is naar genoemde schuur gelopen en hij rook bij de openstaande deur een hem bekende penetrante geur die hij herkende als de geur die karakteristiek is voor de geur die vrijkomt bij de productie van synthetische drugs. In de schuur stond een blauw klemdekselvat van 60 liter, zonder deksel, waarin een kleine hoeveelheid vloeistof lag, die hij herkende als een vloeistof die hij eerder had aangetroffen op productieplaatsen van synthetische drugs. Verbalisant heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de eigenaar van de woning, zijnde [naam eigenaar woning] , die korte tijd later ter plaatse kwam en hem aangaf dat de woning verhuurd werd. De woning aan de [adres 2] was na het overlijden van haar vader te koop gezet. Daar er geen kopers waren, is de woning verhuurd aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . De huurder is vanaf 1 mei 2014 deze woning gaan huren. Hij had als enige de sleutel. De makelaar die de bezichtigingen verzorgde, bevestigde na het zien van een foto van verdachte dat verdachte de persoon was die bij alle bezichtigingen de deur van het pand aan de [adres 2] te [plaats] opende. De laatste bezichtiging van het pand was op 9 juni 2015. Bij de bezichtigingen was hem niets vreemds opgevallen. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning aan de [adres 2] te [plaats] werd verder een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In totaal stonden er 308 hennepplanten. De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door een fraude-inspecteur van Enexis. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Op 19 augustus 2015 heeft L(andelijke)F(Faciliteit)O(Ontmantelen)-expert Voogt een onderzoek verricht aan een partij verpakkingen gevuld met onbekende chemicaliën, op 17 augustus 2015 aangetroffen in het pand aan de [adres 2] te [plaats] . De partij met chemicaliën werd bemonsterd en door het NFI onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat in het onderzoeksmateriaal amfetamine BMK en N-formylamfetamine werd aangetoond. Het onderzoeksmateriaal is gerelateerd aan de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. De interpretatie van Voogt is dat de onderzochte goederen waren gebruikt en vervuild met resten materiaal welke roken naar de geur van amfetamineachtige stoffen. Gezien de analyseresultaten zijn deze goederen gebruikt voor de vervaardiging of bewerking van synthetische drugs, met name de vervaardiging van amfetamine. De getuige op nummer (wiens naam onbekend is gebleven) heeft op 19 augustus 2015 verklaard dat er de afgelopen zes maanden veel auto’s af en aan reden op de [adres 2] . Met regelmaat zag hij ook een auto met aanhangwagen. De afgelopen vier of vijf maanden heeft de getuige gezien dat bijna dagelijks een rode auto de oprit opreed. Hij heeft verder verklaard dat in het weekend van 8 en 9 augustus 2015 de gehele dag een bakwagen van het verhuurbedrijf Bo-rent af en aan reed bij de woning [adres 2] te [plaats] . De getuige [getuige 1] heeft op 19 augustus 2015 verklaard dat aan het begin van de vorige week een rood vrachtwagentje op de oprit stond van het adres [adres 2] te [plaats] . Hij zag dat er personen jerrycans in het laden waren. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht als hem wordt gevraagd waarom hij de woning heeft gehuurd en als hij wordt geconfronteerd met de bevindingen van de politie dat er in de woning een laboratorium voor synthetische drugs is geweest, dat er een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen en dat er vanuit de woning diefstal van stroom is geweest ten behoeve van de hennepkwekerij. Feiten 1, 2, 3 en 4 Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen ter voorbereiding of ter bevordering van het productieproces van amfetamine. De voorwerpen en (vloei)stoffen als genoemd in de tenlastelegging en aangetroffen in de woning zijn onmiskenbaar gebruikt bij en/of overgebleven van de productie van synthetische drugs in de woning die verdachte huurde. Het zijn afvalproducten van het productieproces. Dat maakt ook dat die voorwerpen en (vloei)stoffen als aangetroffen, moeten worden aangemerkt als afvalstoffen. Op de betreffende locatie dan wel elders dienen zij, althans dat is niet gebleken noch aannemelijk geworden, geen enkel doel meer. De aangetroffen voorwerpen en (vloei)stoffen in de woning kunnen derhalve niet worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen. Dat de voorwerpen en (vloei)stoffen eerder, -al dan niet in andere toestand verkerend - in de tenlastegelegde periode, in de woning zullen zijn gebracht ter voorbereiding van de productie van synthetische drugs, maakt dat niet anders: aangetroffen zijn afvalproducten. In zoverre slaagt ook het verweer van de raadsman. De rechtbank is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte zijn woning aan de [adres 2] ter beschikking heeft gesteld om zich en/of een ander de gelegenheid te verschaffen tot het plegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (kort gezegd: het bereiden, aanwezig hebben etc. van harddrugs). Verdachte heeft de woning aan de [adres 2] gehuurd. Verdachte heeft de woning niet bewoond. Hij had als enige de sleutel van het pand. Verdachte had derhalve de beschikkingsmacht over het pand. Verdachte zwijgt wanneer hem wordt gevraagd waarom hij de woning heeft gehuurd en over de vaststelling door de politie dat er een laboratorium voor synthetische drugs is geweest in de woning, terwijl in de woning voorwerpen en (vloei)stoffen zijn aangetroffen die gebruikt zijn voor de productie van amfetamine. Dit alles schreeuwt om een verklaring van verdachte. Nu verdachte niets hierover wil verklaren, moet het er voor worden gehouden dat hij dit doet om de waarheid te bemantelen. Als verdachte al niet zelf in de woning synthetische drugs heeft geproduceerd, heeft hij zijn woning daartoe beschikbaar gesteld voor anderen. Bewezen kan derhalve worden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische drugs, door zichzelf en/of anderen voor dat doel zijn woning ter beschikking te stellen. De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte een hennepplantage voorhanden heeft gehad in de hem gehuurde woning en zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van stroom. Er is immers een hennepplantage aangetroffen in die woning en er is vastgesteld dat er op illegale wijze elektriciteit is weggenomen door een illegale aftakking. Dat betekent dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4 bewezen kunnen worden, als hierna onder 3.4 nader bepaald. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1. in de periode van 01 augustus 2015 tot en met 17 augustus 2015 te [plaats] , gemeente Nederweert, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, zich of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.