ECLI:NL:RBLIM:2016:829
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 15/330 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2016 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: drs. M.L. Hassell), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schinnen, verweerder (gemachtigde: mr. A.S.J.M. Jeurissen) Procesverloop Bij besluit van 7 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op het verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geantwoord.
Bij besluit van 19 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de brief van eiser van 18 juni 2013 aangemerkt als een aanvullend verzoek in het kader van de Wob en niet als een bezwaarschrift.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016.
Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen 1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.
Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
Hoeveel aanvragen en bezwaarschriften heeft verweerder sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep wegens niet tijdig beslissen ontvangen? Graag een onderverdeling maken in het onderwerp van de aanvraag en of er sprake is van een primair besluit of een bezwaarschrift;
Hoe vaak heeft verweerder een ingebrekestelling of klacht als bedoeld in artikel 9:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontvangen?
In hoeveel gevallen moest verweerder een dwangsom betalen en wat is het totale bedrag?
In hoeveel gevallen heeft verweerder een Wob-verzoek aangemerkt als een verzoek in het kader van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb?
In hoeveel gevallen heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 4 van de Wob en is dat binnen een redelijk te achten termijn geweest?
Heeft verweerder de beslistermijn overschreden vanwege capaciteitsgebrek, de complexiteit van de materie of een andere reden?
Wordt een financieel jaarverslag in verband met uitbetalingen van dwangsommen bijgehouden?
In hoeveel gevallen heeft verweerder uit eigen beweging toepassing gegeven aan artikel 4:18 van de Awb?
In hoeveel gevallen is wettelijke rente over een dwangsom uitbetaald?
Registreert verweerder over het algemeen documenten met risico op dwangsom?
Voor wat betreft de ingebrekestellingen die zijn ingediend vanwege een Wob-verzoek of een verzoek om informatie op grond van het bepaalde in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb in de periode 1 oktober 2009 tot en met de datum van het onderhavige verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wob, ontvangt eiser graag de bijbehorende documenten. Het gaat dan om onder andere het Wob-verzoek of verzoek in het kader van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb, de ingebrekestelling, het dwangsombesluit, de beslissing op het Wob-verzoek, de beslissing op de ingebrekestelling en eventueel indien van toepassing rechterlijke uitspraken.
Uitgebreid inhoudelijk antwoord van de zijde van verweerder, uitgesplitst in periode en rechts(deel)gebied;
Uitgebreid inhoudelijk antwoord van de zijde van verweerder, uitgesplitst in periode en rechts(deel)gebied;
Antwoord verweerder vervat in de beantwoording van vraag 2;
Het vorenstaande heeft zich in de gemeente Schinnen over de gevraagde periode niet voorgedaan;
In 1 geval, het Wob verzoek is binnen een dag doorgezonden naar het juiste bestuursorgaan;
De reden van overschrijding van de beslistermijn is een combinatie van bovenstaande;
Nee, er wordt geen financieel jaarverslag in verband met uitbetalingen van dwangsommen bijgehouden;
Het vorenstaande heeft zich in de gemeente Schinnen over de gevraagde periode niet voorgedaan;
Het vorenstaande heeft zich in de gemeente Schinnen over de gevraagde periode niet voorgedaan;
Ja, documenten met risico op dwangsom worden geregistreerd;
Met betrekking tot uw vraagstelling in de laatste alinea, kunnen wij u berichten dat deze situatie zich in de gemelde periode niet heeft voorgedaan.
Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
10.1.
Desgevraagd heeft gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat eiser (letterlijk) “onderzoek verricht naar de handelwijze van repeat Wob-verzoekers”. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting hierop doorgevraagd, omdat het verband tussen de vragen in het Wob-verzoek en de onderzoeksvraag van eiser niet duidelijk blijkt. Zo is het de rechtbank bijvoorbeeld niet duidelijk wat een antwoord op de vraag in hoeveel gevallen verweerder een dwangsom moest betalen en wat het totale bedrag is kan opleveren in het kader van het onderzoek van eiser, nu dit aantal of bedrag enkel een totaalbeeld oplevert en niets lijkt te zeggen over het gedrag of de handelwijze van repeat-players. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de vraag of er een jaarverslag wordt bijgehouden in verband met uitbetalingen van dwangsommen. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek de schijn heeft een middel te zijn om verzoeken op basis van de Wob te verantwoorden en dat gemachtigde van eiser met de beantwoording van de vragen van de rechtbank ter zitting deze schijn niet heeft weggenomen.
10.2.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat gemachtigde van eiser in de zaak met procedurenummer AWB 15/1596 (uitspraak van heden) op de vraag waarom niet bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om informatie is verzocht, heeft geantwoord dat hiervoor niet is gekozen omdat de VNG geen bestuursorgaan is en vervolgens dat de VNG op ‘het forum’ niet goed is aangeschreven. De rechtbank leidt hieruit af dat het er sterk op lijkt dat ervoor gekozen is de informatie op te vragen bij bestuursorganen, om op deze wijze op grond van de Wob, waaraan financiële gevolgen verbonden kunnen worden aan de besluitvorming, te kunnen verzoeken. Dit wordt bovendien versterkt door het antwoord van gemachtigde van eiser op de vraag van de rechtbank waarom niet de repeat-players zelf om informatie is gevraagd (“eiser vraagt het aan de gemeenten en niet aan de repeat-players”), nu zij in feite het onderwerp zijn van het onderzoek van eiser.
11.1.
De rechtbank wijst in dit kader nog op het bezwaarschrift van 7 november 2014, waarin als volgt is opgenomen: “…[…] Nu het verzoek om openbaarmaking van ingebrekestellingen vanwege een wob-verzoek en daarbij behorende documenten van cliënt duidelijk betrekking heeft op het wob-verzoek zelf, de ingebrekestelling en het dwangsombesluit, had het op de weg van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schinnen gelegen om in ieder geval samen met het besluit in primo aan cliënt de volgende documenten te doen toekomen: (1) de ingebrekestelling van zaterdag 03 mei 2014 van de heer [naam]; (2) de reactie op voornoemde ingebrekestelling of anderszins de beschikking in de zin van artikel 4:18 van de Awb; (3) het verzoek om openbaarmaking van documenten ingevolge de WOB van 04 april 2014; (4) het primair besluit op het verzoek om openbaarmaking van documenten van 04 april 2014.”
Uit hetgeen in het verweerschrift en ter zitting door verweerder naar voren is gebracht leidt de rechtbank af dat verweerder zich feitelijk getest voelt door eiser. De rechtbank acht dit op zichzelf geen indicator van misbruik van procesrecht, maar merkt hierbij wel op dat als eiser specifiek deze documenten had willen ontvangen, hij hier ook expliciet om had kunnen (en wellicht moeten) verzoeken in het Wob-verzoek. Eiser verzoekt immers niet om een aantal documenten onder vraagpunt 11 van het Wob-verzoek, maar in feite om een heel archief, waardoor bij verweerder het gevoel kan ontstaan dat er hoe dan ook een bezwaarschrift zou volgen, ongeacht de wijze van beantwoording van het Wob-verzoek in het primaire besluit.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016. w.g. Y.L.J. Damoiseaux, griffier w.g. A.W.P. Letschert, rechter Voor eensluidend afschrift: de griffier, Afschrift verzonden aan partijen op: 2 februari 2016 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.