ECLI:NL:RBLIM:2016:9581
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB/ROE 15/2795 en 15/3500 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2016 in de beroepszaak en op het verzet van: [eiseres] , te [vestigingsplaats], eiseres en opposante (hierna: eiseres), (gemachtigde: mr. J.S. Haakmeester), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder en geopposeerde (hierna: verweerder), (gemachtigden: mr. G. Vosdellen en mr. C.H.M. Dekkers-van de Water).
Procesverloop Op 29 april 2015 heeft eiseres een omgevingsvergunning gevraagd voor het milieuneutraal wijzigen van de sportschietinrichting van eiseres aan [adres].
Bij brief van 16 juli 2015 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig bekendmaken van de - gesteld - van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de milieuneutrale wijziging.
Op 14 september 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet bekendmaken van de vergunning van rechtswege. Dat beroep is geregistreerd onder nummer AWB/ROE 15/2795.
Bij uitspraak van 20 oktober 2015 heeft de rechtbank het voormelde beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 27 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geweigerd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2015 verzet gedaan en tevens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB/ROE 15/3500.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Eiseres heeft de gronden van het beroep en het verzet aangevuld.
Het verzet is door de enkelvoudige kamer van de rechtbank verwezen naar de meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen 1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 2, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.
Ingevolge artikel 2.14, vijfde lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.
In artikel 3.9 van de Wabo is het volgende bepaald: “1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking: a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.
Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.
Ingevolge artikel 3.10, derde lid, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Awb niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), en die niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wabo treedt een beschikking krachtens deze wet in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.
In artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de werking van een overeenkomstig artikel 3.9, derde lid, van rechtswege verleende vergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.
Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet Wabo wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wm aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C. In het tweede lid is bepaald dat als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B en C.
In onderdeel C van bijlage I bij het Bor, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, werd in 17.3 als categorie vergunningplichtige inrichting als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor, aangewezen, de inrichtingen aangewezen voor schieten met vuurwapens, met uitzondering van inrichtingen waar in een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking wordt geschoten met vuurwapens met een kaliber van 0,5 inch of minder of historische vuurwapens als bedoeld in artikel 18, eerste lid onder b tot en met d van de Regeling wapens en munitie en inrichtingen voor het traditionele schieten.
Op 1 januari 2016 is het Besluit van 18 september 2015 tot wijziging van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), het Bor en enkele andere besluiten in werking getreden. Hierbij is onder meer het Activiteitenbesluit gewijzigd (ook wel als 4e tranche aangeduid) en is artikel 17.3 van bijlage I bij het Bor - voor zover hier relevant - als volgt komen te luiden: “Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit (het Bor), worden inrichtingen aangewezen voor schieten met vuurwapens, met uitzondering van: a…: b…; c. inrichtingen waar in een gebouw, zonder open zijen en met een gesloten afdekking wordt geschoten met vuurwapens met een kaliber van 0,5 inch of minder of historische vuurwapens als bedoeld in artikel 18, eerste lid onderdelen b tot en met d van de Regeling wapens en munitie; d. inrichtingen voor sportief en recreatief gebruik.”
In artikel 6.1 van het (algemeen overgangsrecht) van het Activiteitenbesluit is - voor zover relevant - het volgende bepaald: “1. Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
2… 3… 4. De voorschriften van een vergunning als bedoeld in het eerste lid dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
In § 3.7.1 van het Activiteitenbesluit, zoals dat na de wijziging per 1 januari 2016 luidt, zijn voorschriften opgenomen voor het schieten op een schietbaan of een combinatie van schietbanen in een gebouw of een deel van een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking.
Ingevolge artikel 3.157 is § 3.8.3. (Buitenschietbanen) van toepassing op het schieten op: een buitenschietbaan die wordt gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht waar minder dan 3 miljoen schoten per jaar worden afgevuurd; een buitenschietbaan, niet zijnde een buitenschietbaan als bedoeld onder a, met beperkte onveilige zone; een kleiduivenbaan.
Ingevolge artikel 3.159 van het Activiteitenbesluit zijn de artikelen 2.17 tot en met 2.22 niet van toepassing op een buitenschietbaan.
In artikel 3.160 van het Activiteitenbesluit is het volgende bepaald: “1. Een buitenschietbaan voldoet ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 50 dB Bs,dan op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.
Ingevolge artikel 3.161, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt de berekening van de geluidbelasting uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
Ingevolge het tweede lid registreert de drijver van de inrichting de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens welke gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening worden bewaard en ter inzage gehouden.
In artikel 4:20a van de Awb is het volgende bepaald: “1. Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
In artikel 4:20b, eerste en tweede lid, van de Awb is het volgende bepaald: “1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.
In artikel 4:20c van de Awb is het volgende bepaald: “1. Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.
Volgens verweerder is de Herziening Circulaire schietlawaai van 17 maart 2006, gepubliceerd in de Staatscourant van 4 mei 2006 (de Circulaire), het toetsingskader voor permanente open schietinrichtingen voor recreatieve doeleinden, zoals de schietbaan van eiseres en treden bij de onderhavige inrichting forse overschrijdingen van de in de Circulaire opgenomen grenswaarde van de Lr op. Hierbij is uitgegaan van het gemiddeld aantal schoten per uur in de Representatieve Bedrijfssituatie (RBS) van 1.200. Indien uitgegaan zou worden van het maximaal aantal schoten per uur in de RBS van 4050 zou de overschrijding groter zijn. De openingstijden zijn weliswaar niet relevant voor de bepaling of aan de grenswaarden van de Circulaire wordt voldaan, maar zijn, in de visie van verweerder, van groot belang voor de gevolgen voor het milieu omdat de norm voor Lr (herhaald hoorbare knallen) in de bestaande situatie wordt overschreden.
Door de verruiming van de openstelling zou de grenswaarde voor Lr gedurende veel meer uren en ook in nog niet vergunde periodes op bepaalde dagen worden overschreden en wordt geluidhinder onvoldoende beperkt. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat van een milieuneutrale wijziging als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de Wabo geen sprake is, omdat de aangevraagde verandering van de werking van de inrichting leidt tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan. Gezien de onaanvaardbare geluidhinder die bij verruiming van de openingstijden volgens verweerder zal ontstaan, heeft verweerder aanleiding gezien om bij het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning na het doorlopen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2˚, van de Wabo in verbinding met artikel 2.14 van de Wabo te weigeren.
Omdat het onder het Activiteitenbesluit niet mogelijk is maatwerkvoorschriften op te nemen voor openingstijden vallen de vergunde openingstijden niet onder het overgangsrecht per 1 januari 2016. Voor de geluidgrenswaarden ligt dat volgens eiseres anders. Zij is daarom van mening dat (enkel) de geluidgrenswaarden, opgenomen in tabel 1 van het geluidonderzoek dat hoort bij de omgevingsvergunning van 21 april 2015, op grond van het overgangsrecht gedurende 5 jaar als maatwerkvoorschrift gelden. Verder heeft eiseres haar standpunt gehandhaafd dat verruiming van de openingstijden voor de schietbanen milieuneutraal kan gebeuren, omdat op basis van de Circulaire de openingstijden niet relevant zijn voor de berekening van de geluidbelasting als gevolg van het schietlawaai.
Wat haar subsidiaire standpunt betreft heeft zij betoogd dat de in de omgevingsvergunningen van 11 januari 2011 en 2 april 2015 toegestane openingstijden per 1 januari 2016 als maatwerkvoorschriften zijn gaan gelden. Zowel voor het primaire als het subsidiaire standpunt geldt dat het procesbelang is gelegen in het verkrijgen van een oordeel over genoemd overgangsrecht. Ten slotte heeft eiseres - als kennelijk meer subsidiair standpunt - aangevoerd dat, indien door de rechtbank wordt vastgesteld dat er een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan (en verweerder dus niet meer bevoegd was de vergunning te weigeren) dat dan de krachtens die van rechtswege ontstane omgevingsvergunning toegestane geluidhinder ingevolge het overgangsrecht na 1 januari 2016 als maatwerkvoorschriften van toepassing blijven en dat de strengere geluidnormen van artikel 3.160, eerste lid, van het Activiteitenbesluit om die reden (nog) niet van toepassing zijn geworden op de inrichting.
Het primaire en subsidiaire standpunt van eiseres ter onderbouwing van haar procesbelang is erop gericht dat de in de Hinderwetvergunning van 7 juli 1981 casu quo de omgevingsvergunningen van 13 januari 2011 en 2 april 2015 vergunde geluidhinder per 1 januari 2016 als maatwerkvoorschrift in het kader van het Activiteitenbesluit zijn gaan gelden. Beide standpunten betreffen derhalve niet het bestreden besluit waarin op de aanvraag van 29 april 2015 is beslist. In feite vraagt eiseres over genoemde standpunten een verklaring voor recht betreffende een kwestie die buiten de omvang van dit geding valt. Die standpunten kunnen derhalve niet tot procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit leiden.
Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt van eiseres overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht bij het Activiteitenbesluit, zowel het algemene overgangsrecht, vervat in artikel 6.1, als het specifieke overgangsrecht voor buitenschietbanen van artikel 3.160, derde lid, is vereist dat sprake is van (geluid)voorschriften in een omgevingsvergunning die op 1 januari 2016 in werking en onherroepelijk is. Aan die voorwaarden kan in het onderhavige geval - ook na een gegrondverklaring van het beroep - niet worden voldaan. Ook indien zou worden vastgesteld dat op de aanvraag van 29 april 2015 de reguliere procedure van toepassing was, omdat dit een milieuneutrale wijziging betrof, en derhalve na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 3.9, derde lid, van de Wabo een omgevingsvergunning van rechtswege zou zijn ontstaan, neemt dat niet weg dat deze vergunning niet in werking is getreden en al helemaal niet onherroepelijk is geworden.
Vast staat immers dat die vergunning niet conform artikel 6.1, eerste lid, van de Wabo (vóór 1 januari 2016) bekend is gemaakt. Daardoor is de vergunning niet in werking getreden en is ook de bezwaartermijn op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb niet aangevangen. Ook met het meer subsidiaire standpunt kan eiseres derhalve het door haar beoogde doel niet bereiken. Gelet op het vorenstaande kan tevens in het midden blijven of verweerder bij het bestreden besluit al of niet ten onrechte nog op de aanvraag heeft beslist.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 10 heeft geoordeeld, is het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van de beweerdelijk van rechtswege ontstane omgevingsvergunning door de wijziging van het Activiteitenbesluit komen te vervallen. Het alsnog bekendmaken van een vergunning kan immers niet meer bewerkstelligen dat een beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan.
Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart de beroepen niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,00, te betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2016. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 21 oktober 2016 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.