RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 04/990008-12 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2016 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y. Quint, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016, 22 september 2016 en 27 september 2016. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 28 oktober 2016. De verdachte en haar raadsman zijn op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016, 22 september 2016 en 27 september 2016 verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel (in de vorm van arbeidsuitbuiting) van 16 Poolse champignonplukkers. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld - zoals vervat in het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir met bijlagen - dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd - zoals vervat in de door hem overgelegde schriftelijke pleitnotitie - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan haar tenlastegelegde feit. De raadsman heeft betoogd dat de werkzaamheden van de verdachte zich richtten op het werven van Poolse champignonpluksters. Zij had daarbij echter geen leidinggevende functie. Ter zake van deze werving heeft de raadsman aangevoerd dat 8 van de 16 in de tenlastelegging genoemde medewerkers reeds vóór de tenlastegelegde periode werkzaam waren voor [medeverdachte 1] B.V., om welke reden de verdachte jegens deze medewerkers dient te worden vrijgesproken. Ter zake van de overige in de tenlastelegging genoemde medewerkers heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht, welke gericht was op de uitbuiting van deze medewerkers of op de misleiding van deze medewerkers. Evenmin is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen door de verdachte. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk van uitbuiting had en dat er zich daarvoor contra-indicaties in het procesdossier bevinden. Ter zake van de overige uitvoeringshandelingen heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte uit hoofde van haar functie geen bemoeienis heeft gehad met de arbeidsomstandigheden, (de manipulatie van) het tijdregistratiesysteem, het uitoefenen van druk of het opleggen van sancties, de huisvesting en de maaltijden. Voor (het medeplegen van) deze uitvoeringshandelingen is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor concrete betrokkenheid van de verdachte. Volgens de raadsman had de verdachte dienaangaande geen materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht. Ook ten aanzien van deze uitvoeringshandelingen is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het oogmerk van uitbuiting. 3.3 Het oordeel van de rechtbank In onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de 16 Poolse champignonpluksters, zoals genoemd in de tenlastelegging, door de verdachte, al dan niet samen met anderen, economisch zijn uitgebuit in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1 en/of sub 4 en/of sub 6 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), door het verrichten van in totaal 25 uitvoeringshandelingen jegens deze 16 Poolse champignonpluksters. De gedragingen van de verdachte De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat de verdachte zich binnen het bedrijf ‘ [medeverdachte 1] ’ actief bezig hield met de werving van champignonpluksters uit Polen direct na hun aankomst in Nederland. Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap had van klachten van de Poolse champignonpluksters over de arbeidsomstandigheden en de salariëring. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap had van de weinig florissante huisvesting van de Poolse champignonpluksters, aangezien zij incidenteel hun woningen controleerde. Bewezenverklaring? Voor zover de gedragingen van de verdachte al moeten worden aangemerkt als componenten van de uitbuitingssituatie waarin een aantal van de in de tenlastelegging genoemde Poolse champignonpluksters zich bevonden, wordt naar het oordeel van de rechtbank, een essentieel onderdeel van de economische uitbuiting van de Poolse champignonpluksters evenwel gevormd door de financiële benadeling van deze champignonpluksters. De rechtbank stelt vast dat er zich in het procesdossier geen positieve bewijsmiddelen bevinden waaruit volgt dat verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij deze financiële benadeling. Weliswaar klaagden de champignonpluksters bij haar over hun verloning en gaf zij deze klachten ook aan haar leidinggevenden door, maar, zo stelt de rechtbank vast, verdachte beschikte niet over bevoegdheden op het gebied van deze verloning om zelf iets aan deze klachten te doen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet over zodanige bevoegdheden binnen de organisatie beschikte dat zij aan andere misstanden waarvan zij kennis droeg een einde kon maken. Nu de verdachte zowel de Poolse als de Nederlandse taal machtig is en zij regelmatig als tolk mededelingen zijdens de directie of andere leidinggevenden heeft vertaald voor de Poolse champignonpluksters, verbaast het de rechtbank niet dat zij de verdachte hebben beschouwd als zijnde een opdrachtgeefster. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de verdachte ten opzichte van de Poolse champignonpluksters enige beslisbevoegdheid had en dienaangaande enkel als tolk is opgetreden. Dit brengt met zich mee dat het oogmerk van de verdachte op de uitbuiting van Poolse champignonpluksters niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte als zodanig een onvoldoende intellectuele en materiële bijdrage aan de samenwerking met een ander of anderen heeft geleverd om de gedragingen van de verdachte te kunnen kwalificeren als medeplegen met het oogmerk van uitbuiting. De achtergrond en het opleidingsniveau van de verdachte zijn niet redengevend voor het oordeel van de rechtbank over de vraag of er al dan niet sprake is van medeplegen. De verdachte had binnen de organisatie ‘ [medeverdachte 1] ’ een ondergeschikte rol. De rechtbank stelt voorts op basis van het procesdossier vast dat de verdachte desondanks in een aantal gevallen heeft geprobeerd om namens de Poolse champignonpluksters te bemiddelen bij de directie van ‘ [medeverdachte 1] ’. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde ‘sub 1-variant’ en ‘sub 4-variant’ van economische uitbuiting. Ter zake van de aan de verdachte tenlastegelegde ‘sub 6-variant’ van economische uitbuiting overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze voordeel heeft genoten uit de uitbuiting van Poolse champignonpluksters. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte ook vrijspreken van de tenlastegelegde ‘sub 6-variant’ van economische uitbuiting. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte worden beschouwd als een “middel” waarvan anderen zich hebben bediend bij het nastreven van hun doelstellingen. Voor zover de officier van justitie in haar requisitoir heeft gesteld dat de verdachte zich van de uitbuiting van de Poolse champignonpluksters diende te distantiëren door ontslag te nemen, acht de rechtbank het disproportioneel van de verdachte te verlangen dat zij haar financiële zekerheid en die van haar gezin zou moeten opgeven, nu de verdachte slechts zicht had op een beperkt deel van de uitbuiting. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het aan haar tenlastegelegde feit. De rechtbank komt derhalve niet toe aan bespreking van de verweren van de raadsman. 4De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en mr. P.M.S. Dijks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 november 2016. Buiten staat mr. P.M.S. Dijks is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1. zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 7 augustus 2012, in de gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.