RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5336133 \ AZ VERZ 16-322 en Zaaknummer: 5336182 \ AZ VERZ 16-323 Beschikking van de kantonrechter van 21 november 2016 in de zaak van: [werkneemster] , wonend [adres werkneemster] , [woonplaats werkneemster] , werkneemster gemachtigde mr. J.J.C. Delahaye, verzoekster, tegen: de stichting STICHTING PERGAMIJN , gevestigd te Sittard-Geleen, werkgever gemachtigde mr. C.A.H. Lemmens, verweerster. Partijen zullen hierna “ [werkneemster] ” en “Pergamijn” worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 30 augustus 2016 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen; de op 23 september 2016 ingekomen akte wijziging en vermeerdering verzoek/nevenvorderingen, met bijlagen; het op 3 oktober 2016 ingekomen verweerschrift, met bijlagen; de mondelinge behandeling die is gehouden op 13 oktober 2016; de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [werkneemster] overgelegde producties. 1.2. Na de behandeling is beschikking bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Pergamijn is een stichting die ondersteuning biedt aan mensen met verstandelijke beperkingen. De ondersteuning ligt op het gebied van wonen, begeleiding, diagnostiek, behandeling en/of vrijetijdsbesteding. Pergamijn levert zorg bij cliënten thuis, maar ook in de vorm van een kleinschalige woonvoorziening op maat. Bij Pergamijn werken ongeveer 1340 medewerkers. 2.2. [werkneemster] is op 15 augustus 2000 bij Pergamijn voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van groepsbegeleidster (productie 1 verzoekschrift). Na een interne sollicitatie is [werkneemster] vervolgens per 1 juli 2011 begonnen in de functie van teamleidster cliëntbegeleiding. Het laatstelijk genoten salaris bedroeg op fulltime basis € 2.971,80 bruto, exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Op basis van het contract gold voor [werkneemster] een deeltijdfactor van 90%. 2.3. Begin 2012 laat Pergamijn [werkneemster] weten dat [werkneemster] in de functie van teamleidster niet voldoet aan de verwachtingen. Volgens Pergamijn toont [werkneemster] onvoldoende empathie, inventiviteit, sensitiviteit, zelfreflectie en zelf oplossend vermogen. Ter ontwikkeling van deze competenties doorloopt [werkneemster] vervolgens gedurende vier maanden een begeleidingstraject. Op 4 oktober 2012 vindt een eindevaluatie plaats, waarbij Pergamijn van oordeel is dat [werkneemster] de competenties voldoende tot ontwikkeling heeft gebracht. Het traject wordt afgesloten, waarbij aan [werkneemster] een aantal aandachtspunten wordt meegegeven en het advies coaching te volgen ten aanzien van zelfreflectie. 2.4. Op 7 januari 2013 meldt [werkneemster] zich ziek met nekklachten. Nadat [werkneemster] zich op 9 januari 2013 beter heeft gemeld, vindt tussen partijen op 14 januari 2013 een gesprek plaats, waarbij Pergamijn het functioneren van [werkneemster] als teamleidster opnieuw aan de orde stelt en waarbij zij [werkneemster] vraagt of zij “zelf eens naar de balans wil kijken en wilt opmaken”. 2.5. Op 15 januari 2013 meldt [werkneemster] zich opnieuw ziek. Daarbij geeft [werkneemster] aan dat zij slecht slaapt en erg emotioneel en gespannen is. 2.6. Op 21 januari 2013 vindt een gesprek plaats tussen [werkneemster] en mevrouw [coördinator dagbesteding] (verder: [coördinator dagbesteding] ), coördinator dagbesteding. In dat gesprek adviseert [coördinator dagbesteding] [werkneemster] te stoppen met de functie van teamleidster. 2.7. Op 7 februari 2013 bezoekt [werkneemster] voor het eerst de bedrijfsarts. Deze concludeert in zijn rapportage als volgt: “Er is sprake van een arbeidsongeschiktheid door een combinatie van intrapersoonlijke kenmerken met ervaren werkdruk en werkgerelateerde aspecten.” 2.8. Op 25 februari 2013 vindt een gesprek plaats tussen [werkneemster] , [coördinator dagbesteding] en mevrouw [unitmanager] , unitmanager (verder: [unitmanager] ). In dat gesprek geeft [werkneemster] aan dat zij nog geen keuze heeft kunnen maken over het al dan niet doorgaan in de functie van teamleidster. 2.9. De bedrijfsarts adviseert op 28 februari 2013, met het oog op het op te stellen plan van aanpak, als re-integratiedoel werkhervatting in de eigen functie. Omdat [werkneemster] dan nog geen keuze heeft gemaakt en Pergamijn van mening is dat [werkneemster] niet kan re-integreren in de eigen functie van teamleidster, wordt op 7 maart 2013 afgesproken een gesprek in te plannen met verzuimcoach [verzuimcoach] . Deze laatste geeft aan moeilijkheden te verwachten bij het re-integreren van [werkneemster] in de functie van teamleidster, gelet op de knelpunten die naar voren zijn gekomen in het coachingstraject. 2.10. Op 27 maart 2013 geeft [werkneemster] telefonisch aan te willen re-integreren in een ondersteunende functie. Van de zijde van Pergamijn wordt in dat gesprek aangegeven dat re-integreren als senior-cliëntbegeleider de meeste mogelijkheden biedt. 2.11. In zijn rapportage van 28 maart 2013 vermeldt de bedrijfsarts – voor zover van belang – het volgende: “Mevrouw [werkneemster] heeft mede op advies van haar behandelaar aangegeven dat ze omwille van haar gezondheid een stapje terug wil doen qua functie. (…)In het belang van haar herstel is het wel belangrijk dat er snel duidelijk gaat worden wat haar nieuwe functie op termijn binnen de organisatie gaat worden. Daarbij zal in acht genomen moeten worden dat ze eerst in een ondersteunende rol op therapeutische basis zal gaan re-integreren, voordat ze daadwerkelijk in een rol in de verzorging kan gaan participeren. Bij het vinden van een nieuwe werkplek zal er ook rekening gehouden moeten worden met het feit dat mevrouw [werkneemster] bekend is met fysieke klachten, waardoor ze niet kan worden ingezet op zwaardere groepen waar meer zware fysieke verzorgingstaken komen kijken.” 2.12. Op 2 april 2013 vangt [werkneemster] haar werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis aan (ondersteunend werk bij het roosteren). 2.13. Op 7 mei 2013 stelt de bedrijfsarts een belastbaarheidsprofiel op. Aan de hand van dit profiel stelt de arbeidsdeskundige op 31 mei 2013 een “rapportage arbeidsdeskundig onderzoek reintegratiemogelijkheden spoor I” op. De arbeidsdeskundige concludeert in dit rapport dat “de prognose voor volledig herstel in eigen werk somber [is] (maar niet per definitie uitgesloten)” en voorts dat “Het eigen werk []momenteel niet geschikt [is] wegens een burn out.” De arbeidsdeskundige noemt als een van de passende functies bij Pergamijn (spoor I) waarin [werkneemster] zou kunnen re-integreren de functie van (senior)cliëntbegeleidster (bijvoorbeeld sociowoning). De arbeidsdeskundige merkt in dit verband het volgende op: “(…) Er zijn meerdere passende functies binnen Pergamijn aan te wijzen al zullen de kansen op vacatures toch het grootst zijn in de uitvoerende zorg. Daarbij moet rekening worden gehouden met fysieke beperkingen. Uit overleg met de bedrijfsarts is gebleken dat deze klachten aannemelijk en structureel zijn. Werken als senior cliëntbegeleider met meer begeleidende dan verzorgende aspecten (bijvoorbeeld op een sociowoning), met een goede opbouw in uren, is mogelijk haalbaar.(…)”. 2.14. Op 23 september 2013 (productie 22 verzoekschrift) start [werkneemster] , naast roosterwerk, haar werkzaamheden als cliëntbegeleidster op de locatie [X] . Omdat [werkneemster] vreest dat deze functie voor haar fysiek te zwaar is wordt afgesproken dat het in eerste instantie om een proefplaatsing gaat. Tijdens de evaluatie op 26 september 2013 geeft [werkneemster] aan dat zij de werkzaamheden weliswaar kan verrichten, maar dat zij daarna fysieke klachten ervaart (schouders en rug zitten dan vast). Afgesproken wordt dat de bedrijfsarts opnieuw wordt ingeschakeld om een belastbaarheidsprofiel op te stellen. Verder wordt [werkneemster] op 10 oktober 2013 gevraagd zich kandidaat te stellen voor een functie als senior cliëntbegeleider op de [Y] in [plaats Y] . Bij een volgend evaluatiegesprek op 15 oktober 2013 meldt [werkneemster] een toename van de klachten. 2.15. Op 17 oktober 2013 oordeelt de bedrijfsarts dat sprake is van bijkomende klachten, maar dat deze niet leiden tot een bijstelling van het belastbaarheidsprofiel. De bedrijfsarts stelt voor een arbeidsdeskundige aan de hand van dit profiel te laten bekijken in hoeverre de huidige functie passend is. Indien de functie passend is kan verder opgebouwd worden naar een volledige werkhervatting, zo niet dan dient gezocht te worden naar een andere passende functie. 2.16. Op 28 oktober 2013 wordt aan [werkneemster] medegedeeld dat de keuze voor de functie van senior cliëntbegeleider op de [Y] niet op haar is gevallen, maar op een andere herplaatsingskandidaat (productie 25 verzoekschrift). 2.17. De arbeidsdeskundige adviseert op 5 november 2013 een (proef)plaatsing voor drie à vier maanden te realiseren op een werkplek met weinig tot geen fysieke belasting (productie 25 verzoekschrift). Daarnaast wordt met [werkneemster] besproken dat het, gezien de psychische maar ook fysieke klachten, belangrijk is dat [werkneemster] zelf regelmatig pauzes inlast. 2.18. Naar aanleiding van dit advies gaat [werkneemster] op 9 december 2013 (boventallig) aan de slag op de woonvorm [Z] . 2.19. Conform het advies van de bedrijfsarts van 3 december 2013 (alvast opstarten 2e spoor re-integratie naast 1e spoor) heeft [werkneemster] op 7 januari 2014 een gesprek met re-integratiebureau Libra Recruitment. 2.20. Op 9 januari 2014 evalueren partijen de proefplaatsing tussentijds, waarbij [werkneemster] aangeeft dat het werk op [Z] weliswaar fysiek minder zwaar is, maar dat zij nog steeds fysieke klachten heeft. Tussen partijen ontstaat discussie over de vraag of [werkneemster] voldoende pauzes neemt en grenzen stelt. 2.21. Op 21 januari 2014 bezoekt [werkneemster] opnieuw de bedrijfsarts. Deze stelt vast dat de proefplaatsing niet gericht is op structurele herplaatsing. Door de onzekerheid over de toekomst ervaart [werkneemster] meer spanningsklachten en daardoor meer fysieke klachten. De bedrijfsarts adviseert Pergamijn duidelijkheid te creëren over de vraag of het reëel is te gaan voor herplaatsing als senior cliëntbegeleider of dat [werkneemster] moet gaan voor een tweede spoortraject. 2.22. Naar aanleiding van dit advies van de bedrijfsarts gaat [werkneemster] vanaf begin februari 2014 als volwaardig teamlid meewerken, om te bezien wat haalbaar is. Eind februari 2014 concludeert de bedrijfsarts dat [werkneemster] de functie van senior-cliëntbegeleider naar zijn verwachting weer aankan. Op verzoek van [werkneemster] - zij meent dat het nog te vroeg is om deze conclusie te kunnen trekken - wordt de proefplaatsing vervolgens verlengd. 2.23. Op 7 april 2014 vindt opnieuw een evaluatie plaats. Pergamijn is van mening dat de proefplaatsing geslaagd is, [werkneemster] daarentegen heeft haar twijfels, omdat zij nog steeds energetische en fysieke klachten ondervindt bij de uitoefening van de werkzaamheden. [werkneemster] geeft aan een gesprek met de bedrijfsarts te willen. Deze concludeert op 10 april 2014: “(…) Terugkeer in eigen werk is niet mogelijk. Herplaatsing in de functie van senior cliëntbegeleidster is dus te zwaar en inzetten als cliëntbegeleidster is ook geen optie, omdat dit fysiek nog belastender is. Ik heb mevrouw erop gewezen dat het zwaartepunt nu dan komt te liggen bij het spoor 2-traject.” 2.24. Naar aanleiding van dit advies van de bedrijfsarts wordt de proefplaatsing stopgezet en wordt re-integratie tweede spoor verder ingezet. Verder wordt afgesproken dat één keer in de zes weken getoetst zal worden of er interne niet zorg gerelateerde vacatures zijn waarvoor [werkneemster] in aanmerking zou kunnen komen. 2.25. Pergamijn vraagt vervolgens een deskundigenoordeel aan om te toetsen of zij voldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [werkneemster] . De deskundige oordeelt in zijn rapport van 16 juni 2014 - kort gezegd - dat Pergamijn niet duidelijk heeft onderbouwd waarom re-integratie in de andere door de arbeidsdeskundige genoemde functies dan senior cliëntbegeleider niet is geprobeerd. In verband hiermee verlengt het UWV op 6 november 2014 de loondoorbetalingsverplichting van Pergamijn met 52 weken. Pergamijn maakt tegen deze beslissing bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard door het UWV. 2.26. Op 8 juli 2014 oordeelt de bedrijfsarts dat de medische situatie onveranderd is. Hij adviseert spoor 2 voort te zetten. 2.27. Om ervoor te zorgen dat er werkritme blijft, wordt [werkneemster] vanaf de zomer van 2014 ingezet op projectmatig werk op kantoor. Aanvankelijk zou [werkneemster] hierin starten voor 24 uur per week. Na ervaren klachten door [werkneemster] worden de uren aangepast naar 2 x 6 uur. 2.28. In 2015 wordt de ondersteuning van [werkneemster] bij het vinden van ander werk via re-integratiebureau Libra Recruitments voortgezet, waarbij een proefplaatsing en diverse externe sollicitaties plaatsvinden en [werkneemster] vrijwilligerswerk doet. Op 1 september 2015 wordt het traject bij Libra afgesloten. 2.29. [werkneemster] vraagt tegen het einde van het derde ziektejaar een WIA-uitkering aan. Deze wordt bij beslissing van 18 november 2015 van het UWV afgewezen, omdat er volgens het UWV geen sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. 2.30. De bedrijfsarts concludeert op 19 januari 2016 dat [werkneemster] nog steeds arbeidsongeschikt is en niet te verwachten is dat [werkneemster] binnen 26 weken weer kan hervatten in haar eigen functie. 2.31. Pergamijn heeft , na daartoe verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] opgezegd per 4 juli 2016. Pergamijn heeft aan [werkneemster] een transitievergoeding voldaan van € 20.383,52 bruto. 3De stellingen van partijen 3.1. [werkneemster] verzoekt, na wijziging van eis bij akte en aanvulling ter zitting, kort samengevat: I. betaling van de resterende transitievergoeding ad € 415,74 bruto, te vermeerderen met rente; II. betaling van een billijke vergoeding van € 20.000,00; III. betaling van de wettelijke verhoging ad primair € 402,10, subsidiair € 329,72 bruto, vanwege het niet-tijdig uitbetalen van meeruren, te vermeerderen met wettelijke rente ad (primair) € 2,42; IV. betaling van een bedrag van € 202,97 bruto ter zake van te weinig betaalde PBL-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente als omschreven en de wettelijke verhoging ad € 1.764,59, subsidiair € 1.446,96 bruto; V. betaling van een bedrag van € 558,37 aan buitengerechtelijke incassokosten; VI. verstrekking van een deugdelijke bruto-/netto specificatie van de betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel); VII. veroordeling van Pergamijn in de kosten van de procedure. 3.2. Pergamijn voert verweer. 3.3. De kantonrechter bespreekt de stellingen van partijen bij de beoordeling. 4De beoordeling 4.1. [werkneemster] kan worden ontvangen in haar verzoeken tot uitbetaling van de resterende transitievergoeding en een billijke vergoeding, nu deze tijdig zijn ingediend (artikel 7:686a BW). De overige vorderingen zijn aan te merken als nevenvorderingen en kunnen op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW in deze verzoekschriftprocedure worden behandeld. De resterende transitievergoeding (I) 4.2. [werkneemster] stelt dat Pergamijn aan haar een te laag bedrag aan transitievergoeding heeft uitbetaald, omdat bij de berekening geen rekening is gehouden met de loonsverhoging per 1 juli 2016. [werkneemster] is van mening dat de transitievergoeding € 20.799,26 bruto bedraagt en vordert betaling van het verschil ad € 415,74, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 augustus 2016. Pergamijn erkent dat de transitievergoeding moet worden berekent aan de hand van salaris zoals dat op 4 juli 2016 gold. Zij stelt per abuis te weinig te hebben uitbetaald. Pergamijn weerspreekt de door [werkneemster] gemaakte berekening noch de rente, zodat het gevorderde sub I kan worden toegewezen. De wettelijk verhoging en de wettelijke rente over de niet-tijdig uitbetaalde meeruren (III) 4.3. [werkneemster] stelt dat Pergamijn de meeruren ten bedrage van € 804,19 bruto te laat aan haar heeft uitbetaald, namelijk pas op 29 augustus 2016 in plaats van op 5 juli 2016. [werkneemster] is daarom van mening dat Pergamijn aan haar de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de tussenliggende periode aan haar dient te voldoen. 4.4. De kantonrechter overweegt als volgt. Alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden worden aangemerkt als loon. In dit geval dient de vergoeding voor meeruren daar ook onder te worden begrepen. Vaststaat dat die vergoeding niet is betaald aan [werkneemster] bij de eindafrekening in verband met het einde van het dienstverband. Van omstandigheden waarin het niet uitbetalen van de meeruren niet aan Pergamijn kan worden toegerekend is niet gebleken. Dat Pergamijn geen concept-(eind)afrekeningen verstrekt, zoals door haar ter zitting is gesteld, komt voor haar eigen rekening en risico. Voorts heeft Pergamijn haar stelling ter zitting, dat het om administratieve redenen niet mogelijk was om bij het einde van het dienstverband in juli reeds tot betaling over te gaan, niet nader toegelicht of onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Het voorgaande maakt dat [werkneemster] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging wegens vertraging bij de uitbetaling van die vergoeding. Dat Pergamijn de fout uiteindelijk zelf heeft rechtgezet siert haar, maar maakt dit niet anders. Tussen partijen is vervolgens in geschil vanaf welk moment de wettelijke verhoging c.q. de wettelijke rente verschuldigd is; vanaf 5 juli 2016 zoals [werkneemster] stelt of eerst vanaf 4 augustus 2016 zoals Pergamijn stelt. Pergamijn onderbouwt haar standpunt met een verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis bij artikel 7:686a BW (naar de kantonrechter begrijpt: Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 120-121). Dit betoog slaagt naar het oordeel van de kantonrechter niet, nu in de Parlementaire Geschiedenis eveneens uitdrukkelijk is bepaald dat in het wetsvoorstel geen aanleiding is gezien om voor de overige bedragen die partijen over en weer te vorderen hebben in het kader van het einde van de arbeidsovereenkomst een vergelijkbare regeling te treffen (Kamerstukken I 2013/2014, 33181, C, p.115). Van andere omstandigheden die vervolgens zouden moeten leiden tot een matiging of aanpassing van de verschuldigde verhoging en rente is niets gesteld of gebleken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde wettelijke verhoging ad € 402,10 en wettelijke rente ad € 2,42 toewijsbaar zijn, nu de bedragen niet zijn betwist. Te weinig uitbetaalde PBL-uren, wettelijke verhoging en wettelijke rente (IV) 4.5. Pergamijn heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering betreffende de te weinig uitbetaalde PBL-uren ad € 202,97 bruto, zodat deze toewijsbaar is. Pergamijn heeft tegen de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente geen ander verweer gevoerd dan als hiervóór sub 4.4 vermeld ten aanzien van de meeruren. De kantonrechter acht de (primaire) vordering ad € 1.764,59 en de rente ad € 10,61 (plus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.