← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2017:10039

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 6290954 AZ VERZ 17-123 Beschikking van de kantonrechter van 17 oktober 2017 in de zaak van [verzoeker] , wonend aan de [adres] , [woonplaats] , verzoekende partij, procederend in persoon, tegen de STICHTING HET ROBERTSHUIS, gevestigd aan de Steegstraat 16, 6261 NK Mheer, verwerende partij, gemachtigde mr. J.A.H.L. Liegeois (ter vervanging van mr. Vonken). Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoeker] en Robertshuis genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling op 10 oktober 2017 ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. 1.
  2. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De feiten 2.
  3. [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1993, is op 4 april 2016 in dienst van De Visie getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van junior begeleider. Per 4 november 2016 is de arbeidsovereenkomst voor de tweede maal verlengd voor bepaalde tijd (acht maanden) en wel tot en met 3 juli
  4. 2.
  5. In artikel 3 van de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst staat - voor zover relevant - vermeld (bijlage 1 verweerschrift): “Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van acht maanden en eindigt van rechtswege op 4 juli 2017, de laatste werkdag is derhalve 3 juli
  6. Na afloop van deze periode wordt de arbeidsovereenkomst niet verlengd.” 2.
  7. De arbeidsovereenkomst is nadien niet voortgezet. 3Het geschil 3.
  8. [verzoeker] verzoekt Robertshuis te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het niet-nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 aanhef en sub a BW (nader uitgewerkt in het derde lid van dit wetsartikel), vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten. 3.
  9. Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag - kort weergegeven - dat de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst op 4 juli 2017 geëindigd is en dat Robertshuis verzuimd heeft om hem uiterlijk een maand voorafgaand aan die einddatum schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. 3.
  10. Robertshuis heeft verweer gevoerd. 3.
  11. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden. 4De beoordeling 4.
  12. Robertshuis heeft als meest verstrekkend aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij de verkeerde procespartij heeft opgeroepen. 4.
  13. Uit de in het geding gebrachte ondertekende arbeidsovereenkomst blijkt dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst is aangegaan met De Visie B.V. Dit betekent dat [verzoeker] de verkeerde procespartij heeft opgeroepen en in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het vorenstaande brengt met zich dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. 4.
  14. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat, in het geval zij wel tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek was toegekomen, het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen. Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak (ECLI:NL:RBMNE:2015:3201) blijkt dat een aanzegging bij indiensttreding kan geschieden en dat ook dan sprake is van een tijdige mededeling. 4.
  15. In de wetsgeschiedenis van artikel 7:668 BW is ten aanzien hiervan het volgende opgemerkt (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 34): “(…) Zoals de leden van de VVD-fractie en SGP-fractie aangeven kan een werkgever, meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aangeven (aanzeggen) dat er geen sprake van een opvolgend contract zal zijn. Ook in dat geval heeft de maatregel het beoogde effect, namelijk dat er (zeer) tijdig duidelijkheid is voor de werknemer waardoor hij weet dat hij zich op tijd op de arbeidsmarkt zal moeten gaan oriënteren. Het valt overigens nog te bezien of werkgevers hiertoe zullen overgaan omdat zij daarmee ook werknemers verliezen over wie tevredenheid bestaat en een nieuwe werknemer zal moeten worden aangetrokken (met de kosten van dien) als de desbetreffende werkzaamheden niet ook komen te vervallen. (…)” 4.
  16. Nu De Visie bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd dat de arbeidsovereenkomst na afloop niet verlengd zal worden (r.o. 2.2.) , heeft De Visie aan de in artikel 7:668 lid 1 aanhef en sub a BW neergelegde schriftelijke aanzegverplichting voldaan. Er zijn geen omstandigheden gesteld dan wel anderszins gebleken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. 4.
  17. [verzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Robertshuis worden begroot op € 400,00 salaris gemachtigde (twee punten x € 200,00). 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  18. verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek, 5.
  19. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van Robertshuis tot heden zijn begroot op € 400,
  20. Deze beschikking is gegeven door mr. M.Y.H.G. Erkens, kantonrechter, en is door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, in het openbaar uitgesproken. Type: CJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.