vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/241203 / KG ZA 17-525 Vonnis in kort geding van 10 november 2017 in de zaak van [eiser] , wonend te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. H.P. Ruysink, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde, hierna: de Staat, advocaat mr. L. Sieverink. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 oktober 2017, met producties, - de brief van 31 oktober van de Staat, met producties, - de mondelinge behandeling van 2 november 2017, met pleitaantekeningen van [eiser] en de pleitnota van de Staat. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Bij vonnis van 20 november 2015 is [eiser] door de Duitse strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8½ jaar voor - kortweg - het medeplegen van de invoer van 3.000 kilo marihuana en twee gevallen van het invoeren van sassafrasolie. Behalve [eiser] zijn in dat strafvonnis nog twee personen veroordeeld, waaronder een Nederlander (hierna aan te duiden met “C”), die een straf van 9½ jaar opgelegd kreeg. 2.2. C is destijds in Nederland gearresteerd ter overlevering aan Duitsland onder een terugkeergarantie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft ten aanzien van hem op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) gronden aanwezig geoordeeld voor het aanpassen van de strafhoogte – van 9½ jaar naar 5 jaar – bij de tenuitvoerlegging van het Duitse veroordelend vonnis in Nederland. 2.3. [eiser] is destijds in Duitsland gearresteerd en is na zijn veroordeling aanvankelijk ook in Duitsland gedetineerd. 2.4. [eiser] is op 12 juli 2016 door de aangewezen Duitse rechter van het Ambtsgericht Bochum conform § 85 lid 2 Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (hierna: IRG) gehoord inzake de overdracht aan Nederland van de tenuitvoerlegging van zijn straf. [eiser] heeft ingestemd met de overdracht van de tenuitvoerlegging. 2.5. § 85 lid 2 IRG luidt: Hält sich die verurteilte Person in der Bundesrepublik Deutschland auf, darf die Vollstreckungsbehörde die Vollstreckung einer freiheitsentziehenden Sanktion in einem anderen Mitgliedstaat nur bewilligen, wenn 1. sich die verurteilte Person mit der Vollstreckung der freiheitsentziehenden Sanktion in dem anderen Mitgliedstaat einverstanden erklärt hat oder 2. das Gericht die Vollstreckung der freiheitsentziehenden Sanktion in dem anderen Mitgliedstaat auf Antrag der Vollstreckungsbehörde gemäß § 85c für zulässig erklärt hat. Das Einverständnis der verurteilten Person nach Satz 1 Nummer 1 ist zu Protokoll eines Richters zu erklären. Das Einverständnis kann nicht widerrufen werden. Die verurteilte Person ist über die Rechtsfolgen ihres Einverständnisses und dessen Unwiderruflichkeit zu belehren. 2.6. Bij brief van 3 augustus 2016 hebben de Duitse autoriteiten, belast met de uitvoering van het strafvonnis, onder verwijzing naar het Kaderbesluit 2008/909/JI – dat handelt over de toepassing door EU-lidstaten van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbenemende maatregelen zijn opgelegd (hierna: het Kaderbesluit) – verzocht om verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde straf, onder de voorwaarde dat de Duitse autoriteit eerst wordt geïnformeerd over de regeling inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI). 2.7. Het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden heeft op 3 november 2016 geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van het Duitse vonnis te weigeren en dat er geen wettelijke gronden zijn tot aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. 2.8. Bij brief van 9 november 2016 heeft het Ministerie van (thans) Justitie en Veiligheid de Duitse autoriteit ingelicht over de VI-regeling en aangegeven akkoord te zijn met de overdracht van de tenuitvoerlegging. Aangehecht is een informatieve brief ter overhandiging aan [eiser] waarin hem wordt meegedeeld dat zijn straf een-op-een wordt overgenomen en dat de VI op 2/3e van de straf ligt, omdat de Duitse autoriteit (nog) geen VI-datum heeft vastgesteld. 2.9. De Duitse autoriteit heeft bij brief van 17 november 2016 de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf bevestigd en de datum voor overdracht bepaald. 2.10. De minister van (thans) Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) heeft bij besluit van 18 november 2016 overeenkomstig artikel 2:12 WETS de Duitse straf erkend en bepaald dat de Nederlandse VI-regeling wordt toegepast. 2.11. [eiser] is op 9 december 2016 overgedragen aan Nederland en naar een penitentiaire inrichting overgebracht om het vervolg van zijn straf te ondergaan. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de Staat wordt veroordeeld de executie van zijn Duitse straf te beperken tot een Nederlandse gevangenisstraf van 5 jaar, althans die maatregelen te nemen zodat hij in de dezelfde strafrechtelijke positie komt terzake de executie van de straf als C. 3.2. Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat sprake is van rechtsongelijkheid tussen hem en C, nu zijn straf wel een-op-een is overgenomen en die van C niet. Hij stelt dat de Staat onder verwijzing naar artikel 2:12 lid 6 WETS de Duitse autoriteit had moeten uitleggen dat sprake is van een discrepantie in de executie van straffen tussen onderdanen alleen vanwege het feit dat de een ( [eiser] ) in Duitsland is opgepakt en de ander (C) in Nederland. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de WETS de minister de ruimte geeft om de ongelijkheid op te heffen. 3.3. De Staat voert verweer. 4De beoordeling 4.1. Omdat [eiser] de vrijheid is ontnomen, heeft hij een spoedeisend belang bij een uitspraak in kort geding over zijn vordering de Staat te veroordelen de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende straf te bekorten. 4.2. Met de WETS is het Kaderbesluit in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Uitgangspunt van deze wet is de verplichting om het buitenlandse vonnis te erkennen en de straf ongewijzigd over te nemen en ten uitvoer te leggen. Centraal in deze procedure staat de vraag of de Staat met de erkenning van het Duitse vonnis van 20 november 2015 in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en zodoende onrechtmatig handelt jegens [eiser] . 4.3. In de stellingen van [eiser] liggen twee veronderstellingen besloten: de minister heeft de bevoegdheid om af te wijken van het advies van het gerechtshof, en zijn geval is gelijk aan dat van C. Beide veronderstellingen berusten op een onjuiste uitleg van de feiten en de wet. 4.4. Op grond van artikel 2:12 lid 1 WETS beslist de Minister over de erkenning van de (buitenlandse) rechterlijke uitspraak “met inachtneming van het oordeel van de bijzondere kamer van het gerechtshof”. Artikel 2:11 lid 3 tot en met 6 WETS luidt: 3. De bijzondere kamer van het gerechtshof beoordeelt: a. of er gronden zijn om de erkenning van de rechterlijke uitspraak met toepassing van artikel 2:13, eerste lid, te weigeren b. of de ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is en zo ja, welk strafbaar feit dit oplevert; c. tot welke aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie het vierde, vijfde of zesde lid aanleiding geeft. 4. Indien de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie een langere duur heeft dan het voor het desbetreffende feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum, wordt de duur van de vrijheidsbenemende sanctie tot dat strafmaximum verlaagd. 5. Indien de veroordeelde is overgeleverd onder garantie van teruglevering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet, is het vierde lid niet van toepassing, maar wordt bezien of de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie overeenkomt met de sanctie die in Nederland voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd. Voor zover nodig wordt de sanctie dienovereenkomstig aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de in de uitvaardigende lidstaat levende opvattingen omtrent de ernst van het feit. 6. Indien de aard van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie onverenigbaar is met het Nederlandse recht, wordt de vrijheidsbenemende sanctie gewijzigd in een straf of maatregel waarin het Nederlandse recht voorziet en die zoveel mogelijk overeenstemt met de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. Artikel 2:13 lid 1 WETS bevat criteria op grond waarvan de minister verplicht is de erkenning te weigeren. Artikel 2:14 BW bevat (limitatief opgesomde) criteria op grond waarvan de minister bevoegd is de erkenning te weigeren. 4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de totstandkoming van de WETS is ingegaan op de reikwijdte van art. 2:12 lid 1 WETS, en in het bijzonder op de mogelijkheid voor de minister om af te wijken van de beoordeling door het gerechtshof. De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer vermeldt op p. 5/6: Het buitenlandse vonnis en het certificaat worden aan het gerechtshof voorgelegd met het oog op de beoordeling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.