Rechtbank Limburg Familie en jeugd Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/241775 / FA RK 17-3959 Beschikking van 30 november 2017 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen in de zaak van: [de man] , wonend te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat: mr. E.R.T.A. Luijten, kantoorhoudend te Heerlen; tegen [de vrouw] , wonend te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. A.R. de Witte, kantoor houdend te Delden, gemeente Hof van Twente. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van de man, ingekomen op 13 oktober 2017; het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 14 november 2017; de mondelinge behandeling op 16 november 2017, waar partijen, bijgestaan door hun advocaten, zijn verschenen; de tijdens die mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie en stukken van de zijde van de man. 2De beoordeling 2.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 5 oktober 2017 (zaaknummer: C/03/239897) zijn tussen partijen voor de duur van de echtscheidingsprocedure een voorlopige voorzieningen vastgesteld in die zin dat de rechtbank heeft bepaald dat de vrouw bij uitsluiting van de man zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de door de man met ingang van 1 september 2017 aan de vrouw te betalen partnerbijdrage zal worden bepaald op 3.072,- CHF per maand. 2.
- De man verzoekt genoemde beschikking te wijzigen en de partnerbijdrage met ingang van 1 september 2017 te bepalen op nihil. De man heeft - kort gezegd - gesteld dat in genoemde beschikking is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens, waardoor zij van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven. 2.
- De vrouw heeft verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans zijn verzoek af te wijzen. Voorts heeft de vrouw bij zelfstandig verzoek verzocht de man te veroordelen in de proceskosten. 2.
- De man heeft gesteld dat is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens en verwijst dienaangaande naar artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijke Wetboek. Echter dit artikel is in casu niet van toepassing. Tegen een op de voet van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven beschikking staat geen hoger beroep open en op verzoek van de echtgenoten of één van hen kan die beschikking, met toepassing van het bepaalde in artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de gegeven voorziening niet in stand kan blijven. Enkel en alleen in evidente en zeer sprekende kwesties kan derhalve met succes een verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen worden ingediend. De rechtbank zal het wijzigingsverzoek van de man dan ook beoordelen aan de hand van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2.
- De man heeft allereerst gesteld dat de rechtbank bij genoemde beschikking ten onrechte Nederlands recht heeft toegepast terwijl zij Zwitserse recht had moeten toepassen. De vrouw heeft dat gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt als volgt. Bij voornoemde beschikking van 5 oktober 2017 heeft de rechtbank, gelet op de stellingname van partijen en gezien het feit dat het een voorlopige voorzieningen procedure betreft, Nederlands recht toegepast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de man tijdens de mondelinge behandeling van 29 september 2017 zelf heeft medegedeeld dat de verschillen tussen het Zwitserse en het Nederlandse recht in deze in algemene zin niet erg groot zijn, dat hij thans zegt dat hij zich destijds onvoldoende in dat Zwitsers recht had verdiept c.q. had kunnen verdiepen, doet daar niet aan af. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het de rechtbank, anders dan in een bodemprocedure, bij een ordemaatregel zoals een voorlopige voorziening, indien de toepassing van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 raad van 18 december 2008) leidt tot de toepasselijkheid van buitenlands recht, vrij staat Nederlandse recht als lex fori toe te passen op een alimentatieverzoek. De beslissing van de rechtbank van 5 oktober 2017 om Nederlands recht toe te passen is dan ook op grond van de juiste gegevens genomen. De rechtbank overweegt verder nog dat de man thans – wederom - niet heeft onderbouwd op welke wijze de rechtbank met het Zwitserse recht rekening dient te houden. De man heeft in dat kader enkel verwezen naar Google en de juistheid van de door de vrouw ter zake ingebrachte stukken betwist. Gelet op al het vorenstaande gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man ter zake de toepassing van het Zwitserse recht. Voorts heeft de man - kort gezegd - gesteld dat de rechtbank: - ten onrechte is uitgegaan van een behoefte van de vrouw van 6.402,76 CHF, - ten onrechte is uitgegaan van een bonus van de man van [naam] ; - is uitgegaan van een onjuist inkomen van de man; - ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de huurlast van de man in Zwitserland; - rekening heeft gehouden met een verkeerd bedrag ter zake de kosten van de woning in Frankrijk; - ten onrechte overweegt dat het Grundbedarf van 1.300,- CPH overeenkomt met de in Nederlands toepasselijke bijstandsnorm. De vrouw heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist en - kort gezegd - aangevoerd dat hetgeen de man heeft gesteld geen nieuwe omstandigheden betreft, noch geconcludeerd kan worden dat de rechtbank op die punten van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de man – mede in het licht van de betwisting door de vrouw - niet heeft aangetoond dat de omstandigheden na 5 oktober 2017 in zodanige mate zijn gewijzigd of dat bij het geven van genoemde beschikking van 5 oktober 2017 in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de gegeven alimentatiebeslissing niet in stand kan blijven. Hetgeen de man thans ter onderbouwing van zijn wijzigingsverzoek aanvoert c.q. inbrengt had hij tijdens de mondelinge behandeling op 29 september 2017 kunnen aanvoeren c.q. inbrengen, hetgeen hij naar de rechtbank is gebleken niet heeft gedaan. Het thans aanvoeren van een onderbouwing terwijl dat op 5 oktober 2017 ook mogelijk was zou een verkapt hoger beroep betekenen en dat is niet toegestaan tegen een op de voet van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven beschikking. Al het vorenstaande in acht nemend zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. 2.
- De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten. De vrouw heeft daartoe gesteld dat zij door de man nodeloos op kosten wordt gejaagd door de onnodig door de man opgestarte procedure. De man heeft gesteld dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen, omdat het niet past in een familierechtelijke aangelegenheid en het verzoek van de vrouw op onjuiste beweringen is gebaseerd. De rechtbank ziet, gelet op de omstandigheid dat de onderhavige zaak een familiezaak betreft, geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, zoals door de vrouw is verzocht. De proceskosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank: 3.
- wijst het verzoek van de man tot wijziging van haar beschikking van 5 oktober 2017 (zaaknummer: C/03/239897) af; 3.
- wijst af het verzoek van de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten; 3.
- compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.L.C. Vos-Limpens, griffier op 30 november
- Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open.