RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/596 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2017 in de zaak tussen André Rieu Productions B.V., statutair gevestigd te Maastricht, eiseres (gemachtigden: mrs. S.A.R. Lely en C.J.M. Brands), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigden: mrs. R. van den Oort, P. Jeronimus en H. Vermaat). Procesverloop Bij besluit van 11 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 233.100,- wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw). Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar dat eiseres tegen het primaire besluit heeft gemaakt gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de boete vastgesteld op een bedrag van € 116.550,-. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde Lely. Verder was voor eiseres aanwezig haar bedrijfsjurist M. Gaber. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Op 12 juli 2015 -tijdens het laatste concert van een reeks van 7 concerten van André Rieu en het Johan Strauss Orkest aan het Vrijthof in Maastricht- heeft een inspecteur van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid een controle gehouden in het kader van toezicht op de naleving van de Atw. De inspecteur heeft een aantal overtredingen geconstateerd. 2. Verweerder heeft eiseres daarvoor een bestuurlijke boete opgelegd die hij bij het bestreden besluit heeft gematigd en vastgesteld op hiervoor vermelde bedrag van € 116.550,. 3. Verweerder verwijt eiseres dat zij op 3 juli 2015 tot en met 5 juli 2015 en 9 juli 2015 tot en met 12 juli 2015 tussen 19.00 uur en 24.00 uur ten aanzien van elf kinderen jonger dan 13 jaar in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2, eerste lid, van de Atw, door de kinderen arbeid te laten verrichten, terwijl hij -als werkgever en daarmee verantwoordelijke persoon- er juist voor moest zorgen dat ze dat niet deden. Ten aanzien van één kind van 14 jaar heeft eiseres -volgens verweerder- in voormelde periode in strijd gehandeld met artikel 3:2, vierde lid, van de Atw, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid onder d van de Nadere regeling kinderarbeid, door dit kind geen onafgebroken rusttijd te gunnen van tenminste veertien uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren. 4. De kinderen hebben de panfluit bespeeld en aan het eind van elk concert naar het publiek gezwaaid. De kinderen behoren tot de groep ‘Mugurf Zamfiriene’ uit Targu Jiu, een groep panfluitspelers. Net als een dansgroep uit Baia Mare, hebben de kinderen G. Zamfir & folkloristische band tijdens de concerten begeleid. 5. Verweerder geeft aan dat eiseres de concerten georganiseerd heeft en van de ouders van de betrokken kinderen -desgevraagd- toestemmingsverklaringen heeft ontvangen. Verweerder beschouwt de toestemmingsverklaringen als afspraken die te verstaan zijn als overeenkomsten in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Atw. Verweerder verwijst naar wat op grond van de Memorie van Toelichting onder ‘overeenkomst’ moet worden verstaan. Met name naar de ruime uitleg die aan het begrip ‘overeenkomst’ moet worden gegeven, dat hieronder ook een overeenkomst valt waardoor een ander is gebonden en de passage waarin vermeld is wat Advocaat-Generaal Meijers onder ‘een overeenkomst’ verstaat. Daarnaast heeft eiseres volgens verweerder -op grond van de Performance Agreement- gedurende de opdracht gezag over deze kinderen gehad. Verweerder stelt zich op grond van het voorgaande op het standpunt dat eiseres als werkgever van deze kinderen is aan te merken. 6. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op dat standpunt stelt. Zij geeft aan dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst of een vorm van gezagsverhouding. De toestemmingsverklaringen zijn volgens haar nodig om het intellectuele eigendom van de opnames te regelen. De Performance Agreement is te beschouwen als een samenwerkingsovereenkomst tussen haar en de besloten vennootschap S.C. Ultima FNV S.R.L. (Ultima). Eiseres meent dat op grond van de toestemmingsverklaringen en de Performance Agreement niet kan worden aangenomen dat sprake is van werkgeverschap in de zin van de Atw. Eiseres betoogt dat verweerder haar geen boete had mogen opleggen, omdat zij niet als werkgever van de betrokken kinderen is aan te merken. 7. De rechtbank moet beoordelen of verweerder eiseres de bestuurlijke boete van € 116.550,- terecht heeft opgelegd. De rechtbank overweegt als volgt. 8. In de Atw is geregeld dat de verantwoordelijke persoon ervoor zorgt dat een kind geen arbeid verricht. In de wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder ‘verantwoordelijke persoon’ verstaan de werkgever of degene die over een kind het ouderlijk gezag heeft of de voogdij uitoefent, dan wel bij wie het kind in huis is. Onder een ‘kind’ wordt verstaan een persoon jonger dan 16 jaar. Als het om een kind gaat is ‘arbeid’ te verstaan als de verrichtingen die het kind doet ter naleving van een overeenkomst. ‘Werkgever’ is -voor zover in dit geval van belang- degene die een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten. Als de verantwoordelijke persoon niet voorkomt dat een kind arbeid verricht, is dat een overtreding in de zin van de Atw waarvoor verweerder een boete oplegt. 9. In de Memorie van Toelichting heeft de wetgever bij artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Atw toegelicht dat hij -in aansluiting op de Arbeidsomstandighedenwet- ervoor gekozen heeft dat een ieder die een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten, als werkgever in de zin van de wet wordt beschouwd. De reden hiervoor is dat het kan voorkomen dat arbeid wordt verricht door personen in een gezagsverhouding tot een ander, van wie zij, wat betreft de arbeids- en rusttijden, afhankelijk zijn, zonder dat sprake is van een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling. Duidelijke criteria voor wanneer sprake is van een gezagsverhouding heeft de wetgever niet gegeven. Hij heeft wel gewezen op het feit, dat een werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst (zie artikel 7A:1639b van het BW) verplicht is zich te houden aan onder meer de voorschriften omtrent het verrichten van arbeid die hem door of vanwege de werkgever binnen de regelen van de wet of verordening, van overeenkomst of reglement gegeven zijn. Hieruit leidt de wetgever af, dat een gezagsverhouding aanwezig geacht kan worden, wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. 10. Daarbij is vermeld dat ‘arbeid’ verricht krachtens arbeidsovereenkomst, publiekrechtelijke aanstelling of onder gezag vrijwel elke willekeurige bezigheid kan zijn, moeite kostend of niet en van geestelijke of lichamelijke aard. Aangegeven is dat er al sprake is van ‘arbeid’ als een arbeidskracht beschikbaar is ten behoeve van de wederpartij. De aard noch het doel van de bezigheden zijn -volgens de toelichting- van doorslaggevende betekenis. 11. In de toelichting op artikel 1:2, tweede lid, van de Atw heeft de wetgever uitgelegd dat onder het verbod van kinderarbeid in beginsel die werkzaamheden van een kind vallen, waardoor het in de commerciële sfeer geraakt. Het gaat om werkzaamheden die het kind verricht ter naleving van een overeenkomst. Het begrip ‘overeenkomst’ moet -volgens de toelichting- ruim worden uitgelegd. Onder ‘overeenkomst’ moet niet alleen worden verstaan een overeenkomst naar burgerlijk recht die door een kind zelf -daartoe gemachtigd- is aangegaan, maar ook een overeenkomst waardoor een ander gebonden is en bij de uitvoering waarvan het kind wordt betrokken. Onder ‘overeenkomst’ moet ook worden verstaan, het maken van een afspraak of zoals Advocaat-Generaal Meijers het geformuleerd heeft: een door de organisatie van de werkzaamheden noodzakelijke en op die organisatie gerichte afspraak. 12. De toestemmingsverklaringen -die verweerder ziet als overeenkomsten in hiervoor onder 11 omschreven zin- zijn door eiseres ter beschikking gestelde blanco verklaringen die door de ouders van de betrokken kinderen zijn ingevuld en ondertekend. De ouders verklaren geen bezwaar te hebben tegen de deelname van hun kind aan de (algemene) repetitie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.