RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum beschikking: 6 juni 2017 Zaaknummer: C/03/236025 / BZ RK 17/840 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats], thans gemeente [gemeente], op [1941], wonend te [woonplaats] gemeente [gemeente], thans verblijvend in [verpleeghuis] te [vestigingsplaats], verder te noemen: betrokkene, advocaat: mr. C.J.M. Dreessen, kantoorhoudend te Sittard gemeente Sittard-Geleen 1Het verloop van de procedure De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 22 mei 2017 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene, die ingevolge een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen. Bij het verzoekschrift is een ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd van de geneesheer-directeur van de verpleeginrichting waarin betrokkene is opgenomen en die niet bij diens behandeling betrokken was alsmede een afschrift van de in artikel 37a van de Wet Bopz bedoelde aantekeningen en van het in artikel 38 van de Wet Bopz bedoelde behandelingsplan. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 6 juni 2017, waar zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, alsmede drs. T. Duijsens, specialist ouderengeneeskunde, L. Linssen, eerst verantwoordelijke verzorgende (evv-er), tevens zorgcoördinator, L. Lenssen, medewerkster en vorige begeleidster van betrokkene. Voorts is gehoord mr. M.A.H.A. Van den Hof, in haar hoedanigheid van mentor van betrokkene. 2De beoordeling 2.
- De betrokkene heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bediend van een pleitnota met producties waarin zij een aantal punten aanstipt ter ondersteuning van het betoog dat het verzoek om machtiging te verlenen tot voortzetting van het verblijf in een verpleeginrichting moet worden afgewezen dan wel beperkt tot een periode van maximaal drie maanden. De rechtbank zal die argumenten puntsgewijs bespreken:
- gesloten afdeling verpleegtehuis Dit punt vormt een inleiding maar bevat geen verweer waarop de rechtbank zou moeten ingaan.
- afwikkeling bewindvoering Dit punt raakt de onderbewindstelling van de goederen van de betrokkene; het is een toelichting maar bevat geen zelfstandig verweer tegen de verzochte machtiging; de onderbewindstelling is overigens opgeheven.
- het gevaar Gevaar is de kans op onheil. Onheil behoeft zich niet reeds te hebben verwezenlijkt. De aanname van een actueel gevaar kan derhalve ook steunen op de met betrokkene opgedane ervaringen uit het verleden. Die ervaringen liegen er in het geval van betrokkene niet om. Na eerder toegestane vrijheden (ontslag danwel verlof) is de betrokkene binnen een week ‘meer dood dan levend’ heropgenomen. De stelling dat van actueel gevaar geen sprake is en dat ten onrechte wordt teruggegrepen op het verleden, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dus ontoereikend.
- proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid De stellingen zijn niet uitgewerkt en bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de vrijheidsontneming van betrokkene niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
- ethisch kader De betrokkene stelt met dit punt een aspect aan de orde dat voor beantwoording van de hier relevante vragen niet van belang is.
- benodigde stukken De enkele stelling dat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de geneesheer-directeur en de mogelijke consequenties daarvan vanuit tuchtrechtelijk oogpunt bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat de geneeskundige verklaring in dit geval niet mag worden gebruikt. De rechtbank zal aan die stelling derhalve voorbij gaan. Bovendien blijkt uit de geneeskundige verklaring dat zij op 15 mei 2017 is ondertekend door A.M.J. van der Velden als waarnemend Bopz-arts van de Cicerogroep. Verder is de stelling van de betrokkene dat sprake is van een gedateerd behandelings-/ zorgplan (bijna tweeënhalf jaar oud) gemotiveerd weersproken. 2.
- Uit de overgelegde stukken en de door de rechtbank tijdens de hoorzitting verkregen inlichtingen blijkt vervolgens genoegzaam dat bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, welke stoornis ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn, deze stoornis betrokkene ook dan gevaar doet veroorzaken en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een verpleeginrichting kan worden afgewend. 2.
- Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de betrokkene blijk geeft van verzet tegen verblijf in een verpleeginrichting. 2.
- Gelet op de betreffende artikelen van de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist. 3De beslissing De rechtbank: verleent machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting voor de duur van maximaal één jaar. Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en uitgesproken op 13 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.