RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/702034-17 Tegenspraak Uitspraak op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Limburg van 3 augustus 2017 met betrekking tot [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 te Roermond, hierna te noemen: de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon wordt bijgestaan door mr. E.M. Steller, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam. 1De vordering van de officier van justitie De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 3 augustus 2017, ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 8 augustus 2017, strekt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot de uitlevering van de opgeëiste persoon, afkomstig van de Oekraïense autoriteiten, in behandeling zal nemen. Voorts houdt de vordering in dat de rechtbank ter zitting over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon zal beslissen. 2De procesgang De rechtbank heeft op 1 september 2017 de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord ter openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgehad met bijstand van een tolk in de Russische taal. De officier van justitie, de opgeëiste persoon en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. 3Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken 3.1 Het verzoek tot uitlevering Op 23 juni 2017 is de opgeëiste persoon aangehouden, omdat hij stond gesignaleerd in verband met een strafrechtelijk onderzoek in Oekraïne. Vervolgens is op dezelfde dag zijn inverzekeringstelling bevolen. Daarna heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie, nog steeds op 23 juni 2017, de bewaring tegen de opgeëiste persoon bevolen voor een termijn van twintig dagen. Hiertoe heeft de rechter-commissaris overwogen dat er gegronde redenen bestonden voor de verwachting dat ten aanzien van de opgeëiste persoon op korte termijn door de Oekraïense autoriteiten een voor inwilliging vatbaar verzoek tot uitlevering zou worden gedaan. Bij brief van 28 juni 2017 heeft de officier van justitie de Minister van Veiligheid en Justitie verzocht te bevorderen dat het originele uitleveringsverzoek hem/haar ten spoedigste bereikt. Op 11 juli 2017 heeft de officier van justitie op grond van artikel 22 van de Uitleveringswet bevolen dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank beslist over de gevangenhouding. Bij brief van 12 juli 2017 heeft de ambassade van Oekraïne het Ministerie van Veiligheid en Justitie van Nederland het uitleveringsverzoek van het openbaar ministerie van Oekraïne d.d. 6 juli 2017, alsmede een vertaling in de Engelse taal, toegezonden. Dit verzoek strekt tot de uitlevering aan Oekraïne van de opgeëiste persoon teneinde hem strafrechtelijk te vervolgen. Bij het verzoek zijn de stukken overgelegd die volgens de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering zijn vereist. Uit het uitleveringsverzoek blijkt dat ten aanzien van de opgeëiste persoon op 3 september 2012 een opsporingsverzoek is uitgevaardigd en dat de rechtbank van het district Kovpakivskyi van de stad en de regio Soemy op 25 januari 2017 aan de opgeëiste persoon een vrijheidsbenemende maatregel heeft opgelegd in de vorm van voorlopige hechtenis. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het plegen van een overval met als doel toe-eigening van andermans eigendom, gepaard gaande met geweld dat gevaar vormt voor het leven en de gezondheid van de overvallen persoon, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak. Bij brief van 14 juli 2017 is het originele uitleveringsverzoek namens de Minister van Veiligheid en Justitie verzonden aan de officier van justitie te Limburg. In deze brief, die op 17 juli 2017 is ingekomen bij het Internationaal Rechtshulp Centrum Limburg, is de officier van justitie verzocht het verzoek in behandeling te nemen. Uit de door Oekraïne overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon zijn oorspronkelijke naam, te weten [oorspronkelijke naam] , officieel heeft laten wijzigen in [verdachte] . 3.2 De door de verzoekende staat overgelegde stukken Het uitleveringsverzoek is vergezeld van en/of in het uitleveringsverzoek is het volgende opgenomen: de vereiste uiteenzetting van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd; de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften; de vereiste gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon; een ‘bevel tot aanhangig maken en in behandeling nemen van een strafzaak en tot samenvoegen van strafzaken’ d.d. 25 augustus 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; een ‘bevel tot opsporing van een verdachte’ d.d. 3 september 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; een ‘bevel tot herkwalificatie van een misdrijf’ d.d. 15 november 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; een ‘kennisgeving van verdenking’ d.d. 18 februari 2013 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 25 januari 2017 tot het opleggen aan de opgeëiste persoon van een vrijheidsbenemende maatregel in de vorm van voorlopige hechtenis; een ‘besluit omtrent toelichting persoonsgegevens van de verdachte’ d.d. 27 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; een ‘verzoek tot uitlevering ter fine strafvervolging aan Oekraïne’ d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek; een ‘verklaring omtrent strafrechtelijke procedure nummer 12013200440000563 inzake bewijs van schuld van de dader’ d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon; een verklaring omtrent de verjaringstermijn d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon. 4De standpunten van de officier van justitie en de opgeëiste persoon 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte uitlevering toelaatbaar moet worden geacht. Ter zitting heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 26, lid 2, van de Uitleveringswet een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. 4.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon Primair heeft de raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om aanhouding van de zaak. Subsidiair heeft hij verzocht de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren. De aangevoerde gronden hiervoor komen verderop in deze uitspraak aan bod. 5De beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering 5.1 De identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia, zoals hierboven genoemd, juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft. 5.2 De genoegzaamheid van de stukken Overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 van de Uitleveringswet, is het verzoek schriftelijk gedaan en gericht aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is het verzoek conform deze bepalingen vergezeld van de vereiste stukken. Deze stukken zijn hierboven genoemd onder het kopje ‘De door de verzoekende staat overgelegde stukken’. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het op 9 augustus 2012 te Soemy (Oekraïne) plegen van een overval met als doel toe-eigening van andermans eigendom, gepaard gaande met geweld dat gevaar vormt voor het leven en de gezondheid van de overvallen persoon, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking. De rechtbank kan wel beoordelen - en doet dat ook - dat deze stukken genoegzaam zijn. 5.3 De dubbele strafbaarheid en de strafbedreiging Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a van de Uitleveringswet kan uitlevering alleen worden toegestaan ten behoeve van een door de autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling niet aan uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat en overweegt hiertoe het volgende. De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van - kort gezegd - een roofoverval, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak. Naar Oekraïens recht staat op dit feit een vrijheidsstraf voor de duur van zeven tot tien jaren. Naar Nederlands recht is dit feit strafbaar gesteld onder artikel 312, leden 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht (diefstal in vereniging met geweld). Voor dit feit kan een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren worden opgelegd. 5.4 Ne bis in idem Op grond van artikel 9, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 9, lid 1, aanhef en onder a, b, c en d van de Uitleveringswet wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd, dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten. Door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsman is niet aangevoerd dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarnaast is het de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze bepaling niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. 5.5 Verjaring Op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en onder e van de Uitleveringswet wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht wegens verjaring geen vervolging meer kan plaatshebben. Artikel 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan voor een feit dat is verjaard volgens het recht van de aangezochte of de verzoekende staat. De rechtbank stelt vast dat deze bepalingen niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan, nu noch naar Nederlands recht noch naar Oekraïens recht sprake is van verjaring. 5.6 Vervolging wegens een politiek delict Op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 11 van de Uitleveringswet wordt uitlevering niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsman is niet aangevoerd dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarnaast is het de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze bepaling niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. 5.7 Onschuldverweer Artikel 28, lid 2, van de Uitleveringswet bepaalt dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar verklaart, als zij bevindt dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. In dit verband bepaalt artikel 26, lid 3, van de Uitleveringswet dat de rechtbank de bewering van de opgeëiste persoon onderzoekt, als deze inhoudt dat hij onverwijld - dat wil zeggen: zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Deze enkele bewering leidt er niet toe dat de rechtbank tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld of dat de opgeëiste persoon het feit niet kan hebben begaan. (vergelijk: HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698 en HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988). Bovendien hoeft de rechtbank met een beroep op een rechtvaardigingsgrond alleen in zeer beperkte mate rekening te houden. Een dergelijke strafuitsluitingsgrond kan de strafbaarheid van het feit alleen wegnemen als deze rechtstreeks voortvloeit uit de stukken die de verzoekende staat heeft overgelegd of als zij anderszins, zonder diepgaand onderzoek, door de rechtbank als vaststaand kan worden aangenomen. (vergelijk: HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO4719) Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. 5.8 Dreigende schending van fundamentele mensenrechten Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting een beroep gedaan op dreigende schending van mensenrechten. Hiertoe is onder meer het volgende aangevoerd. Hoewel Oekraïne in het uitleveringsverzoek heeft gegarandeerd dat de functionarissen van de diplomatieke vertegenwoordiging of de consulaire instantie van Nederland in Oekraïne de mogelijkheid zullen krijgen om de opgeëiste persoon tijdens zijn detentie te bezoeken, is deze garantie onvoldoende. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft immers een negatief reisadvies afgegeven voor bepaalde delen van Oekraïne. Op het moment dat de opgeëiste persoon in die delen van Oekraïne in detentie verblijft, zal consulaire bijstand niet mogelijk zijn. De raadsman heeft verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde aan Oekraïne de garantie te vragen dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in die gebieden waarvoor het Ministerie van Buitenlandse zaken van Nederland een negatief reisadvies heeft afgegeven. Zonder deze garanties zou de uitlevering geweigerd moeten worden, aldus de raadsman. Hoewel Oekraïne in het uitleveringsverzoek het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces heeft gegarandeerd, blijkt uit de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken dat zijn schuld aan het tenlastegelegde misdrijf voor de Oekraïense autoriteiten al is bewezen. In het ‘verzoek tot uitlevering ter fine strafvervolging aan Oekraïne’ d.d. 29 juni 2017 is immers vermeld: ‘De schuld van [verdachte] ( [oorspronkelijke naam] ) aan het hem tenlastegelegde misdrijf is volledig bewezen door middel van de in de loop van de strafrechtelijke procedure vergaarde bewijzen.’De raadsman heeft verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde bij de Oekraïense autoriteiten na te vragen wat wordt bedoeld met de ‘strafrechtelijke procedure’, nu deze woorden erop lijken te duiden dat de strafvervolging al is afgerond. Daarnaast heeft de raadsman verzocht bij de Oekraïense autoriteiten na te vragen hoe de woorden over de schuld van de opgeëiste persoon dienen te worden geduid. Zonder deze toelichting zou de uitlevering niet mogelijk zijn, aldus de raadsman. Ter zitting heeft de rechtbank deze aanhoudingsverzoeken van de raadsman gemotiveerd afgewezen. In het verlengde hiervan zal de rechtbank de verweren, strekkende tot het niet toelaatbaar verklaren van het uitleveringsverzoek, verwerpen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, onder meer overwogen: ‘3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.