RECHTBANK limburg Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: AWB/ROE 16/45 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2017 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats 1], eiser (gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers), en de Burgemeester van de gemeente Heerlen, verweerder (gemachtigde: mr. J.P.H.M. Quaedvlieg). Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2015 (het primaire besluit) is verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet overgegaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, in de vorm van een sluiting van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] voor de duur van twaalf maanden. Bij besluit van 19 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde alsmede door [zaakwaarnemer] zijnde eisers zaakwaarnemer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten. 2. Eiser is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2]. Sinds 1 mei 2010 heeft eiser de woning verhuurd. Omdat eiser sinds begin 2015 geen contact kreeg met de verhuurder is eisers zaakwaarnemer [zaakwaarnemer] op 9 maart 2015 naar de woning gegaan. Op dat moment werd geconstateerd dat het slot van de voordeur was vervangen. Nadat eisers zaakwaarnemer uiteindelijk toegang tot de woning kreeg trof zij aldaar een hennepplantage aan en andere spullen. Daarna heeft eisers zaakwaarnemer onmiddellijk de politie in kennis gesteld van de bevindingen. 3. Op 9 maart 2015 is door de politie Limburg, district Parkstad-Limburg, basisteam Heerlen een onderzoek ingesteld aan het adres [adres] te [woonplaats 2]. Uit dat onderzoek is gebleken dat in deze woning 900 gram cocaïne, een hennepplantage met 20 hennepplanten, 2148 gram gedroogde henneptoppen en 1000 gram hasj is aangetroffen. 4. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder op 31 maart 2015 zijn voornemen tot sluiting van de woning aan eiser bekend gemaakt. Tegen dat voornemen heeft eiser op 13 april 2015 zienswijze ingediend. 5. De door eiser ingediende zienswijze hebben geen verandering gebracht in het voornemen van verweerder. Bij schrijven van 29 april 2015 heeft verweerder eiser bericht dat op korte termijn het bestaande handhavingsbeleid dient te worden herzien. Het definitieve besluit zal worden uitgesteld omdat het besluit in het licht van het nieuwe beleid zal worden genomen. Bij het primaire besluit van 22 juni 2015 heeft verweerder gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet en het daarop gebaseerde Handhavingsbeleid drugs en overige (woon)overlast, en over te gaan tot sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden en wel van 30 juni 2015 tot 30 juni 2016. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 6. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 7. Eiser heeft zich met het bestreden besluit niet kunnen verenigen en heeft onder meer het volgende aangevoerd. De woning bevindt zich op de 13de verdieping en is enkel bereikbaar via een centrale ingang. Eiser en de huurder onderhielden een goed contact en eiser kwam regelmatig over de vloer en had voldoende toezicht op het verhuurde. Er zijn nooit problemen geweest met betrekking tot drugsoverlast. Eiser heeft zelf de politie in kennis gesteld van de door hem op 9 maart 2015 in de woning aangetroffen drugs gerelateerde activiteiten. Verweerder heeft hier blijkbaar geen gewicht aan toegekend, Het bestreden besluit is in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser betwist dat in de woning harddrugs zijn aangetroffen. Uit eigen waarneming heeft eiser gezien dat er diverse hennepplanten in de woning stonden en dat een sporttas met gedroogde henneptoppen is aangetroffen. Een sluiting van twaalf maanden is naar de mening van eiser disproportioneel. Verweerder had ook rekening moeten houden met het feit dat de woning vanaf 9 maart 2015 niet meer als woning in gebruik was. Ten slotte doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft begrepen dat woningen van woningbouwcorporaties niet gesloten worden ondanks dat in deze woningen ook overtredingen in de zin van artikel 13b van de Opiumwet hebben plaatsgevonden. 8. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser in beroep een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit. Van voldoende procesbelang is slecht sprake indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in geval waarin de uitkomst van het beroep niet tot een concreet voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( de Afdeling) van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4646). 9. De sluiting van de woning is inmiddels door tijdsverloop komen te vervallen (het besluit is geëffectueerd). De rechtbank overweegt dat voor zover het beroep van eiser strekt tot ongedaan making van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, dat door het enkele tijdsverloop is bewerkstelligd. In zoverre is thans geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling. 10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan procesbelang bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van het bestuurlijke besluitvorming. Hiertoe dient eiser tot op zekere hoogte aannemelijk te maken dat dergelijke schade is geleden door het besluit. De rechtbank verwijst naar -bijvoorbeeld- de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2662). 11. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij schade heeft geleden doordat hij geen huur ontving en hij de woning gedurende dat jaar niet heeft kunnen verkopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit schade die tot op zekere hoogte aannemelijk is. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser nog een rechtens te honoreren belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 12. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 13. Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Onder herstelsanctie wordt op grond van artikel 5:2 van de Awb verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II van deze wet verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn tot de met de beleidsregel te dienen doelen. 14. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beleidsvrijheid heeft. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen. Ook met betrekking tot de sluitingsduur beschikt verweerder over beslissingsruimte. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld in het Handhavingsbeleid drugs en overige (woon)overlast, laatstelijk gewijzigd op 19 november 2015 en bekend gemaakt op 26 november 2015. 15. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2013 ECLI:NL:RVS:2013:BZ8430) is bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand of een daartoe behorend erf, die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarom verschaft de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand de bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Dit wordt niet anders indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.