RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 5543650 AZ VERZ 16-236 Beschikking van de kantonrechter van 20 februari 2017 MD in de zaak van: [verzoeker] wonend te [woonplaats] [adres] verzoekende partij gemachtigde mr. E. Jacobson tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] logistics transport b.v. gevestigd en kantoor houdend te Hoensbroek verwerende partij vertegenwoordigd door haar directeur dhr. [naam directeur] Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoeker] en [verweerster] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - een op 28 november 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - een brief van de gemachtigde van [verzoeker] dat op 17 januari 2017 ter griffie is ontvangen; - een brief d.d. 17 januari 2017 die de griffier namens de kantonrechter aan [verweerster] (en in afschrift aan de gemachtigde van [verzoeker] ) heeft verzonden; - de reactie per e-mailbericht van [verweerster] d.d. 19 januari 2017 onder overlegging van een ‘incorrecte concept loonstrook’ op grond waarvan op 13 december 2016 € 3.122,22 netto door [verweerster] aan [verzoeker] is uitbetaald en een ‘correcte definitieve loonstrook’ ten bedrage van € 2.587,73 netto; - een e-mailbericht met bijlagen d.d. 24 januari 2017 van [verweerster] ; - de mondelinge behandeling d.d. 24 januari 2017 en de tijdens die zitting door de griffier gekopieerde schriftelijke aantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] waarbij hij zijn verzoeken deels heeft verminderd en deels heeft vermeerderd en aan de hand van die aantekeningen nader heeft gespecificeerd; - de brief van de gemachtigde van [verzoeker] d.d. 3 februari 2017 waarin hij heeft bericht dat er geen minnelijke regeling tot stand is gekomen en daarnaast nog kort de actuele vorderingen van [verzoeker] op [verweerster] heeft weergegeven. 1.2. Ten slotte is beschikking bepaald. 2. De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op 18 december 1962, is met ingang van 4 april 2016 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – namelijk voor de duur van zes maanden – bij [verweerster] in dienst getreden als ‘chauffeur D-2’ tegen een loon van laatstelijk € 1.978,40 bruto per vier weken, exclusief acht procent vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing. 2.2. Op 30 september 2016 heeft [verzoeker] het volgende faxbericht aan [verweerster] gestuurd: “Ende des Arbeitsverhältnisses Sehr geehrter Herr [verweerster] , Der mit Ihnen geschlossene Arbeitsvertrag endet am 03.10.2016. An einer Fortführung des Arbeitsverhältnisses im Oktober 2016 habe ich kein Interesse mehr. Ich wünsch Ihnen und Ihrer Familie für die Zukunft alles Gute. Mit freundlichen Grüßen, [handtekening [verzoeker] ] [verzoeker] ”. 2.3. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is van rechtswege op 3 oktober 2016 geëindigd. 2.4. Op 13 december 2016 heeft [verweerster] een bedrag van € 3.122,22 netto aan [verzoeker] voldaan. 3Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzocht – blijkens zijn verzoekschrift, de ter zitting door de griffier gekopieerde aantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] en de reactie van zijn gemachtigde d.d. 3 februari 2017 – aanvankelijk om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van: I. een vergoeding ten bedrage van € 2.143,27 bruto wegens schending van de aanzegverplichting als bedoeld in art. 7:668 lid 3 BW; II. een bedrag van € 1.582,72 bruto inzake achterstallig loon over 12 september 2016 tot en met 3 oktober 2016; III. een bedrag van € 684,37 bruto (€ 526,65 bruto plus € 157,72 bruto) inzake niet uitbetaalde vergoeding van overwerk; IV. een bedrag van € 1.036,68 bruto inzake niet uitbetaalde vakantiebijslag; V. een bedrag van € 199,82 bruto als vergoeding van niet genoten vakantiedagen; VI. de maximale wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor onder I. tot en met V. genoemde bedragen; VII. de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2016 tot de datum van volledige voldoening over de hiervoor onder I. tot en VI. genoemde bedragen; VIII. een (on)kostenvergoeding ten bedrage van € 644,72 netto; IX. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 634,09 netto; X. (vergoeding van) de proceskosten. 3.2. Rekening houdend met de in rechtsoverweging 2.4. weergegeven betaling ten bedrage van € 3.122,22 netto, maakt [verzoeker] blijkens de reactie van zijn gemachtigde d.d. 3 februari 2017 thans nog aanspraak op € 4.520,57 bruto en € 634,09 netto, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. 3.3. De grondslagen van de vorderingen van [verzoeker] vloeien reeds voort uit de hiervoor weergegeven omschrijvingen. 3.4. Voor zover [verweerster] verweer heeft gevoerd, wordt daarop hierna nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Alhoewel de gemachtigde [verzoeker] zulks bij zijn bericht van 3 februari 2017 heeft bepleit, volgt uit de loonspecificaties van [verweerster] niet dat de betalingen van in totaal € 3.122,22 netto moeten worden toegerekend op de wijze zoals de gemachtigde van [verzoeker] in zijn bericht van 3 februari 2017 heeft gedaan. Hierna zal de kantonrechter achtereenvolgens beoordelen op welke posten [verzoeker] nog recht heeft, waarbij als laatste zal worden ingegaan op de vraag hoe de betaling van € 3.122,22 netto daarop in mindering dient te strekken. Schending aanzegverplichting 4.2. Vooropgesteld wordt dat [verzoeker] zijn verzoek tijdig ingediend heeft, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van art. 7:668 lid 1 BW is ontstaan. 4.3. Ingevolge art. 7:668 lid 1 onderdeel a BW moet de werkgever de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Niet in geschil is dat [verweerster] deze aanzegverplichting niet is nagekomen. De directeur van [verweerster] heeft ter zitting ook toegegeven ‘fouten te hebben gemaakt’. Voor zover [verweerster] heeft willen betogen dat door het faxbericht van [verzoeker] op 30 september 2016 (hiervoor onder rechtsoverweging 2.2. weergegeven) die aanzegging overbodig was omdat [verzoeker] zelf geen verlenging van de arbeidsovereenkomst wenste, terwijl hij er voordien blijk van had gegeven wel nog voor [verweerster] te willen blijven werken, faalt dit betoog. Het is immers aan de werkgever om tijdig – dat wil zeggen uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst die zes maanden of langer heeft geduurd – zekerheid te bieden over al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerster] heeft ook niet aan [verzoeker] aangezegd dat de arbeidsovereenkomst wél zou worden voortgezet. Daarbij komt dat [verzoeker] ter zitting heeft gesteld dat hij met zijn faxbericht alleen maar het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 3 oktober 2016 heeft willen bevestigen en dat hij niet tegen een eerdere datum dan 3 oktober 2016 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. 4.4. Uit art. 7:668 lid 3 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, indien de werkgever de aanzegverplichting in het geheel niet nagekomen is. Nu onweersproken is dat het brutoloon van [verzoeker] per vier weken na omrekening € 2.143,27 bruto per maand bedraagt, is deze vergoeding op hierna te bepalen wijze toewijsbaar. Overige vorderingen 4.5. [verzoeker] maakt daarnaast onder meer aanspraak op: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.