RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummers: 5605976 AZ VERZ 16-452 & 5606316 AZ-VERZ 16-453 (Casvar) 5606368 AZ VERZ 16-454 & 5606377 AZ VERZ 16-455 (Castenlo) 5606400 AZ VERZ 16-456 & 5606411 AZ VERZ 16-457 (Spaparco) 5606457 AZ VERZ 16-458 & 5606471 AZ VERZ 16-459 ( [verweerder 4] ) 5606496 AZ VERZ 16-460 & 5606521 AZ VERZ 16-461 ( [verweerder 5] ) Beschikking van de kantonrechter van 21 maart 2017 in de zaak van: [verzoeker] , wonend [adres verzoeker] , [woonplaats verzoeker] , verzoeker, gemachtigde mr. J.R.P.M. Scheepers, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CASVAR B.V., gevestigd te Meterik, verweerder 1, gemachtigde mr. I. Ummels-Koks, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidCASTENLO B.V., gevestigd te Castenray, gemeente Venray, verweerder 2, gemachtigde mr. C.A.M.J.M. Joosten, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPAPORCO B.V., gevestigd te Castenray, gemeente Venray, verweerder 3, gemachtigde mr. CA.M.J.M. Joosten en [verweerder 4] , wonend [adres verweerder 4] ,[woonplaats verweerder 4] , verweerder 4, gemachtigde mr. CA.M.J.M. Joosten, en [verweerder 5] , wonend [adres verweerder 5] ,[woonplaats verweerder 5] , verweerder 5, gemachtigde mr. CA.M.J.M. Joosten. Verzoeker zal hierna [verzoeker] worden genoemd. Verweerders zullen gezamenlijk Casvar c.s. worden genoemd en, indien het slechts één verweerder betreft, Casvar, respectievelijk Castenlo, Spaporco, [verweerder 4] of [verweerder 5] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 22 december 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift, - het verweerschrift namens Casvar, - de namens Castenlo, Spaporco, [verweerder 4] en [verweerder 5] nader ingezonden producties, - de mondelinge behandeling d.d. 22 februari 2017. 1.2. Daarna is beschikking bepaald. 2De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedag verzoeker] 1966, is op 1 januari 1994 bij Casvar in dienst getreden. Hij vervulde laatstelijk de functie van bedrijfsleider (algemeen) tegen een loon van € 2.892,70 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. 2.2. Casvar exploiteerde een varkenshouderij en werd bestuurd door Wisvar Holding B.V. 2.3. Op 26 juni 2016 heeft Casvar bij het UWV WERKbedrijf (hierna: UWV) voor [verzoeker] een ontslagvergunning aangevraagd op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. 2.4. Bij beslissing van 21 juli 2016 heeft het UWV Casvar toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen. 2.5. Bij brief van 30 juli 2016 heeft Casvar de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 november 2016. Na 30 juli 2016 heeft [verzoeker] geen werkzaamheden voor Casvar meer verricht. 2.6. [verzoeker] heeft zich via diens gemachtigde bij brief van 4 augustus 2016 beschikbaar gesteld en bereid verklaard voor het verrichten van werkzaamheden en tevens aanspraak gemaakt op diverse (loon)betalingen door Casvar. 2.7. [verzoeker] heeft per 1 oktober 2016 een dienstbetrekking elders geaccepteerd. 2.8. Op 3 oktober 2016 is Casvar met [verweerder 4] een koopovereenkomst aangegaan, met als titel ‘koopovereenkomst Zeugenbedrijf met woning [vestigingsadres zeugenbedrijf] te [vestigingsplaats zeugenbedrijf] ’. 2.9. Op 18 oktober 2016 hebben [verweerder 4] en [verweerder 5] Castenlo B.V. opgericht. 2.10. Bij akte van 24 oktober 2016 heeft Casvar het woonhuis met ondergrond, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres woonhuis zeugenbedrijf] te [plaats woonhuis zeugenbedrijf] in eigendom overdragen aan [verweerder 4] en [verweerder 5] . 2.11. Bij diezelfde akte heeft Casvar de bedrijfsgebouwen met ondergrond en erf, staande en gelegen aan de [adres woonhuis zeugenbedrijf] te [plaats woonhuis zeugenbedrijf] in eigendom overgedragen aan Castenlo voor een bedrag van € 190.000,00. Bij deze eigendomsoverdracht zijn de varkensstallen, ondergrond bedrijfsgebouwen en erf alsmede onbebouwde (landbouw)grond overgedragen. 3Het geschil 3.1. [verzoeker] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad de hoofdelijke veroordeling van Casvar c.s.: I. tot betaling van € 30.719,00 bruto terzake transitievergoeding; II. tot betaling van € 5.785,40 bruto ter zake achterstallig salaris en vermeerderd met 8% vakantietoeslag tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst; III. tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over de onder I en II verzochte bedragen, alsmede de wettelijke rente over deze bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening; IV. om uiterlijk 1 december 2016, althans een door de kantonrechter te bepalen termijn, de 50 openstaande verlofdagen alsmede het vakantiegeld naar rato (tot einde dienstverband) te voldoen; V. om voor 1 januari 2017 tot betaling over te gaan van € 2.892,70 bruto wegens het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn; VI. tot betaling van een billijke vergoeding ten bedrage van € 45.000,00, althans een door de kantonrechter nader te bepalen bedrag; VII. in de proceskosten. 3.2. Casvar c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [verzoeker] heeft een zestal verzoeken/vorderingen ingediend, welke hierna afzonderlijk zullen worden behandeld. Daarna zal de kantonrechter zich uitlaten over de vraag of, in het geval enig verzoek van [verzoeker] kan worden toegewezen, er sprake dient te zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid van alle in rechte betrokken verweerders. Achterstallig loon 4.2. Niet in geschil is dat [verzoeker] geen loon heeft ontvangen over de periode september en oktober 2016. Namens Casvar is betoogd dat de op haar rustende loondoorbetalingsverplichting is geëindigd per 1 oktober 2016, omdat [verzoeker] met ingang van die datum elders een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan. Met ingang van die datum was hij dan ook feitelijk niet meer in staat om arbeid voor Casvar te verrichten en moet het ervoor worden gehouden dat [verzoeker] daarmee zelf een einde van het dienstverband met Casvar heeft bewerkstelligd, aldus Casvar. 4.3. Ingevolge de hoofdregel van artikel 7:627 BW is de werkgever geen loon verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. De werknemer behoudt echter het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (zie artikel 7:628 lid 1 BW). Bereidheid om de overeengekomen arbeid te verrichten heeft hierbij als uitgangspunt te gelden. 4.4. Vast staat dat [verzoeker] , nadat hem door Casvar ontslag was aangezegd, is vrijgesteld van zijn werkzaamheden met behoud van loon. Eveneens staat vast dat [verzoeker] bij brief van 4 augustus 2016 zich bereid heeft verklaard om op eerste afroep weer werkzaamheden voor Casvar te verrichten. Casvar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat dit echter een omstandigheid is die voor rekening van Casvar behoort te blijven. Dat [verzoeker] met ingang van 1 oktober 2016 elders een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan, betekent niet dat hij daarmee ook de bereidheid om werkzaamheden voor Casvar te verrichten, heeft prijsgegeven. Immers, het enkele feit dat [verzoeker] met ingang van 1 oktober 2016 feitelijk werkzaam is voor een andere werkgever maakt niet dat [verzoeker] , indien Casvar hem daartoe had opgeroepen, niet alsnog bereid en in staat zou zijn geweest om de bedongen arbeid voor Casvar te verrichten. De kantonrechter verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad van 13 december 1985 (ECLI:NL:HR:1985:AC3330). 4.5. De kantonrechter volgt Casvar ook niet in haar stelling dat [verzoeker] , door het aangaan van een arbeidsovereenkomst elders, (eenzijdig) het einde van het dienstverband met Casvar heeft nagestreefd. Niet is gebleken van een eenzijdige opzegging door [verzoeker] of dat die opzegging door Casvar uitdrukkelijk is geaccepteerd. Dat [verzoeker] een andere bron van inkomsten heeft gezocht en daartoe een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever is aangegaan, maakt niet dat hij daarmee de arbeidsovereenkomst met Casvar heeft beëindigd. Zoals hiervoor al is opgemerkt staat immers niet vast dat hij niet bereid en in staat zou zijn om weer voor Casvar te werken als hij zou worden opgeroepen. In het Nederlands recht is er bovendien geen enkele bepaling te vinden waaruit volgt dat het niet mogelijk is dat twee arbeidsovereenkomsten naast elkaar bestaan. 4.6. Het voorgaande betekent dat [verzoeker] terecht en op goede gronden aanspraak maakt op uitbetaling van het loon over september en oktober 2016. De daarover verzochte vakantiebijslag wordt, als niet weersproken, toegewezen. 4.7. Ten aanzien van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW alsmede de wettelijke rente, overweegt de kantonrechter dat ook hiertegen geen verweer is gevoerd. In de omstandigheden van het geval, met name de slechte financiële positie van Casvar, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris te matigen tot 10%. De wettelijke rente zal worden toegewezen op de in het dictum te bepalen wijze. Gefixeerde schadevergoeding 4.8. [verzoeker] verzoekt met toepassing van artikel 7:672 lid 10 BW aan hem een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen, wegens het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn. 4.9. Niet in geschil is tussen partijen dat [verzoeker] 23 jaar voor Casvar heeft gewerkt en dat de opzegtermijn voor Casvar op grond van artikel 7:672 lid 2 sub c BW vier maanden betreft. Nu Casvar de arbeidsovereenkomst per 1 november 2016 heeft beëindigd, heeft zij niet de wettelijke opzegtermijn in acht genomen. Rekening houdend met een opzegtermijn van vier maanden, kon Casvar pas per 1 december 2016 de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig met [verzoeker] beëindigen. De gevorderde schadevergoeding betreft overigens een gefixeerde schadevergoeding die geen verband houdt met de daadwerkelijk geleden schade. Het feit dat [verzoeker] voor het verstrijken van de opzegtermijn al een andere baan had gevonden is voor de vraag of de vergoeding verschuldigd niet van belang. 4.10. Het verzoek van [verzoeker] terzake de gefixeerde schadevergoeding ligt derhalve voor toewijzing gereed. Uitbetaling vakantiedagen 4.11. [verzoeker] heeft gesteld dat hij recht heeft op uitbetaling van de openstaande 50 vakantiedagen. Dit is namens Casvar niet betwist, zodat dit verzoek wordt toegewezen. Transitievergoeding 4.12. [verzoeker] maakt aanspraak op betaling van transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 BW, voor een bedrag van 30.719,00 bruto. 4.13. Niet in geschil is dat aan [verzoeker] geen transitievergoeding is uitbetaald. Casvar heeft in dit geval een beroep gedaan op toepassing van de zogenoemde Overbruggingsregeling, die zijn grondslag vindt in artikel 7:673d BW. 4.14. [verzoeker] heeft zich verweerd tegen de toepassing van artikel 7:673d BW en voert als meest verstrekkende verweer dat de vervaltermijn als bedoeld in artikel 7:686a lid 4 sub b BW is verstreken. Overwogen wordt als volgt. 4.15. In artikel 7:686a lid 4 sub b BW is bepaald dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c en 7:673d BW betreft. Deze vervaltermijnen betreffen steeds het verzoek tot het vaststellen van de transitievergoeding door de werknemer. [verzoeker] heeft ook binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, een verzoekschrift ingediend, strekkende tot onder andere toekenning van een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Door Casvar wordt erkend dat [verzoeker] aanspraak maakt op een transitievergoeding, maar stelt dat de hoogte ervan becijferd moet worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:673d BW. Dit is geen verzoek tot toekenning van een transitievergoeding maar een discussie over de wettelijke grondslag ervan. Daarop is geen vervaltermijn van toepassing. 4.16. [verzoeker] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat Casvar heeft nagelaten bij het UWV om toepassing van de Overbruggingsregeling te verzoeken, zodat zij om die reden thans niet bij de kantonrechter kan worden ontvangen in dit verzoek. De kantonrechter volgt Casvar hier niet in. Noch artikel 7:673d BW noch de Ontslagregeling bepaalt dat voor een beroep op de Overbruggingsregeling een beslissing van het UWV is vereist. Dat Casvar het UWV niet heeft gevraagd om deze te geven, betekent daarom niet dat zij geen beroep meer op de Overbruggingsregeling kan doen. De kantonrechter zal dan ook beoordelen of deze in dit geval van toepassing is. 4.17. De Overbruggingsregeling kent drie cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om daarvoor in aanmerking te komen. Deze voorwaarden zijn geformuleerd in artikel 24 Ontslagregeling: het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over het boekjaar, bedoeld in het derde lid, en de twee daaraan voorafgaande boekjaren is kleiner geweest dan nul; de waarde van het eigen vermogen van de onderneming van de werkgever was negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, of niet wordt voortgezet; en binnen de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste één jaar. 4.18. Door Casvar is erkend dat zij in het jaar 2013 een (minimaal) positief netto resultaat heeft behaald. In 2014 en 2015 was dit netto resultaat evident negatief. Casvar heeft betoogd dat het positieve resultaat in 2013 niet moet leiden tot de conclusie dat aan de voorwaarde onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.