← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2017:3063

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5614115 \ CV EXPL 16-12413 Vonnis van de kantonrechter van 5 april 2017 in de zaak van: de onderlinge waarborgmaatschappij OWM CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A., gevestigd te Tilburg, eisende partij, gemachtigde GGN Mastering Credit N.V., tegen: [gedaagde partij] , wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek tevens houdende vermindering van eis de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Gedaagde partij is met eisende partij een Verdragspolis aangegaan onder relatienummer
  4. Gedaagde partij is verzekeringsnemer en verzekerde. Op de polis is een eigen risico van (in 2015) € 375,00 van toepassing. 2.
  5. Bij factuur van 30 december 2015 is een bedrag van € 280,16 in rekening gebracht. Dit betreft het eigen risico van de neurologische behandeling van gedaagde partij in de periode vanaf 12 februari 2015 tot en met 12 mei
  6. 2.
  7. Eisende partij heeft al eerder een vordering op gedaagde partij gehad uit hoofde van het eigen risico d.d. 21 mei 2015 betreffende een chirurgische behandeling in de periode vanaf 9 december 2014 tot en met mei 2015 in het Vie Curi Medisch Centrum. Deze vordering is bij eisende partij bekend onder dossiernummer 23529805, betreft een eerdere veroordeling bij vonnis van 2 december 2015 en is inmiddels voldaan. 2.
  8. Op 21 december 2015 heeft gedaagde partij € 74,46 in mindering betaald. 3Het geschil 3.
  9. Eisende partij vordert – samengevat en na vermindering van eis – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 253,34 (samengesteld uit € 205,70 aan hoofdsom, € 42,02 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 5,62 aan rente), vermeerderd met rente en kosten. 3.
  10. Eisende partij stelt dat zij de als productie 1 en 2 bij conclusie van antwoord overgelegde brieven niet heeft ontvangen. De als productie 3 en 4 overgelegde betaalbewijzen hebben betrekking op de vordering met dossiernummer
  11. 3.
  12. Gedaagde partij voert verweer. Bij dupliek erkent gedaagde partij de vordering maar voert aan dat de in de sommaties en dagvaarding genoemde periodes niet overeenstemmen met de daadwerkelijke periodes waarvoor het eigen risico in rekening is gebracht. Gedaagde partij verzoekt daarom de kosten van deze procedure en van de sommaties ten laste van eisende partij te brengen. Verder verzoekt gedaagde partij om teruggave van het betaalde bedrag ter voorkoming van de beslaglegging, de kosten van de procedure betrekking hebbend op de zaak met dossiernummer 23529805 en het door hem betaalde bedrag van € 113,
  13. 3.
  14. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  15. Gedaagde partij erkent de verschuldigdheid van de verminderde hoofdsom, zodat deze kan worden toegewezen. Hierover wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum dat verzuim is ingetreden tot de dag der algehele voldoening. 4.
  16. De kantonrechter stelt verder vast dat in de dagvaarding betaling wordt gevorderd van het eigen risico betreffende de periode 1 december 2015 tot en met 31 december
  17. Ook in de sommaties wordt uitgegaan van eigen risico betreffende de periode december
  18. Uit de aan de vordering ten grondslag liggende factuur van 31 maart 2015, welke als productie 3 is overgelegd, als ook uit de stellingen bij repliek blijkt dat het gaat om het eigen risico van in de periode van 12 februari 2015 tot en met 12 mei 2015 gemaakte medische kosten. Deze periode overlapt zich voor een gedeelte met de periode van de vordering met dossiernummer 23529805, welke vordering inmiddels is voldaan. De kantonrechter kan begrijpen dat een en ander tot verwarring heeft geleid en dat, indien een en ander wel juist was vermeld en gecommuniceerd, gedaagde partij wellicht was overgegaan tot betaling van de vordering en deze procedure achterwege had kunnen blijven. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.
  19. In voornoemde onduidelijkheid ziet de kantonrechter eveneens aanleiding de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. In de aanmaningsbrieven is immers uitgegaan van een foutieve periode. 4.
  20. Bij dupliek vordert gedaagde partij terugbetaling van de betaalde kosten ter voorkoming van de beslaglegging en de kosten van de terechtzitting betreffende dossiernummer
  21. Dit wordt echter afgewezen. Volgens artikel 137 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een tegeneis immers meteen bij antwoord wordt ingesteld. Dit is niet meer mogelijk bij dupliek. 4.
  22. De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering. 4.
  23. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  24. veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 205,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat verzuim is ingetreden tot aan de voldoening, 5.
  25. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
  26. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  27. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken. type: plg coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.