RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/704547-15 Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 april 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in de PI Huis van Bewaring te Grave. Verdachte wordt bijgestaan door zijn raadslieden, mr. W.C. Alberts en mr. J.A.W. Knoester, kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 maart
(3)plast in broek bij aanwezigheid van haar opa (vooral bij agressieve reacties). Vader reageert regelmatig verbaal agressief naar dochter in aanwezigheid van GTB. Vader uit dreigementen gericht op repressailles (richting dochter en andere betrokken organisaties/hulpverleners). 29-1-2014: Er blijkt naast lichamelijke en psychische mishandeling ook sprake te zijn van seksueel misbruik. 25-2-2014: Cliënte vertelt tegen [naam thuisbegeleider] dat haar dochter [X] ook de dochter van vader is. Cliënte is zichtbaar geëmotioneerd en angstig. Ze heeft dit nooit eerder durven te vertellen uit schaamte en angst voor haar vader. Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de wijkagent van de gemeente Roerdalen, [naam wijkagent] , blijkt, zakelijk weergegeven, het navolgende. Een medewerker van de woningcorporatie is verbaal behoorlijk agressief aangevallen door [verdachte] (verdachte). De oudere mensen uit de buurt verklaren als de dood te zijn voor de familie [familienaam verdachte] / [familienaam getuige 2] en willen hun gegevens niet verstrekken uit angst voor repressailles. Op 22 augustus 2014 komt een bewoner uit het seniorencomplex naar het PolitieServicePunt om te melden dat zowel [getuige 2] als [verdachte] structureel hun woonomgeving terroriseren en intimideren. De slachtoffers betreffen de senioren van de bejaardenwoningen. Op 4 september 2014 een brief ontvangen van ‘de bewoners van het seniorengebouw’, waarin wordt aangegeven dat het een onhoudbare situatie is geworden bij het wooncomplex en dat de bewoners van huisnummer [--] (familie [familienaam verdachte] [familienaam getuige 2] ) hier de oorzaak van is. Op 10 oktober 2014 volgt een melding van geluidsoverlast, afkomstig van een bewoonster van het complex en betreffende de familie [familienaam verdachte] [familienaam getuige 2] . De wijkagent omschrijft de familie [familienaam verdachte] [familienaam getuige 2] als lastige en agressieve bewoners. Uit het proces-verbaal van verhoor getuige [naam lerares], blijkt, zakelijk weergegeven, het navolgende. Ik ben als leerkracht werkzaam bij ‘De [naam school] ’ in [plaats] , een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, kinderen met gedragsproblemen, kinderen met een achterstand en kinderen met specifieke beelden zoals autisme. Ik heb met [slachtoffer 1] te maken gekregen vooral tijdens mijn vervangingslessen, de lessen met betrekking tot seksualiteit en weerbaarheid en ook de creatieve lessen en vooral de muzieklessen. [slachtoffer 1] komt uit een specifiek milieu, zwak sociaal, weinig positiviteit en een totaal ander plaatje van normen en waarden. Ik heb de vader wel eens meegemaakt, op school, vader was sterk intimiderend met name verbaal en non-verbaal. Behoorlijk grensoverschrijdend. Enkele collega’s werden agressief benaderd. [slachtoffer 1] was weinig ziek en ik denk dat school een veilige haven voor haar was. [slachtoffer 1] heeft me deelgenoot gemaakt van haar lichamelijke mishandelingen door haar vader. [slachtoffer 1] zei ook bang te zijn voor haar vader. Ik heb blauwe plekken op haar armen en benen gezien. Uit de rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, van 10 juni 2016 blijkt, zakelijk weergegeven, het navolgende. Het valt op dat betrokkene (verdachte) ook in het PBC veel de strijd aangaat, meerdere mensen dreigt aan te klagen, idealiseert en devalueert, verhalen objectiveerbaar verdraait, splitst en manipuleert, klikt en onwaarschijnlijke verhalen vertelt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor het standpunt van de verdediging dat sprake zou zijn van een valse aangifte door [slachtoffer 1] . Anders dan de verdediging stelt, constateert de rechtbank geen wezenlijke verschillen tussen de verklaring die [slachtoffer 1] tijdens het informatieve gesprek heeft afgelegd en de verklaringen van [slachtoffer 1] tijdens haar aangifte. In het informatieve gesprek verklaart [slachtoffer 1] immers over hoe het seksuele misbruik zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld, terwijl ze tijdens de aangifte concreet verklaart over de eerste keer dat ze daadwerkelijk geslachtsgemeenschap heeft gehad met verdachte. Het enkele feit dat in de loop der tijd verdere en bizarre vormen van seksueel misbruik door aangeefster zijn benoemd en beschreven, betekent niet automatisch dat haar gehele verklaring als vals is aan te merken. Dat het uitbreiden van een verklaring in geval van gesteld seksueel misbruik in de literatuur is genoemd als een mogelijk kenmerk van een valse verklaring, doet hier niet aan af, nu hier geenszins uit valt af te leiden dat dit ook voor deze specifieke verklaring zou gelden. De door [slachtoffer 1] tijdens de aangifte ten overstaan van de politie afgelegde verklaring, wordt door haar bevestigd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 20 augustus 2015 waarbij zij desgevraagd heeft verklaard dat zij zo bang was voor haar vader dat zij in een eerder strafrechtelijk onderzoek louter positief over hem heeft verklaard. De agressiviteit van verdachte blijkt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 1] . Daarbij stelt de rechtbank vast dat verdachte tot aan de terechtzitting van 24 maart 2017 heeft verklaard dat hij geen geslachtsgemeenschap met [slachtoffer 1] zou hebben gehad. Deze verklaring is leugenachtig gebleken, nu uit het DNA verwantschapsonderzoek naar voren is gekomen dat er een vele malen grotere kans is dat verdachte de vader is van [X] , dan dat een willekeurige derde dat zou zijn en verdachte bovendien uiteindelijk ter terechtzitting heeft bevestigd dat hij wel degelijk geslachtsgemeenschap met [slachtoffer 1] heeft gehad. De verklaring van verdachte dat deze geslachtsgemeenschap vrijwillig heeft plaatsgevonden en dat geen sprake is geweest van enige dwang, is naar het oordeel van de rechtbank een kennelijk leugenachtige verklaring. Hierbij wijst de rechtbank allereerst op de verklaringen van [slachtoffer 1] , maar ook ook op de genoemde verklaringen van de wijkagent [naam wijkagent] , de voormalige lerares van [slachtoffer 1] , [naam lerares] , de rapportage van De Zorggroep met [naam thuisbegeleider] als GTB, de bevindingen zoals neergelegd in het rapport van het NIFP, die deze verklaring van [slachtoffer 1] ondersteunen, nu uit deze verklaringen eenduidig blijkt dat verdachte jegens [slachtoffer 1] , maar ook jegens hulpverleningsinstanties en buurtbewoners agressief, dwingend gedrag uitoefent. De rechtbank bestempelt de door verdachte afgelegde verklaring omtrent de vrijwilligheid van het seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 1] als kennelijk leugenachtig, waarbij geen ander doel kan worden vastgesteld dan het bemantelen van de waarheid. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een valse aangifte door [slachtoffer 1] en zij komt tot het oordeel dat verdachtes verklaring dat seksueel contact met zijn dochter op vrijwillige basis zou hebben plaatsgehad kennelijk leugenachtig is. Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] , de bijkomende bewijsmiddelen zoals hierboven genoemd, de verwerping van het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een valse aangifte en de vaststelling dat verdachte’s verklaring kennelijk leugenachtig is, oordeelt de rechtbank dat de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn. Feit 4 Ter terechtzitting heeft verdachte toegegeven ongeveer viermaal geslachtsgemeenschap te hebben gehad met [slachtoffer 2] terwijl zij 16 jaar oud was. Uit het door het NFI verrichte DNA verwantschapsonderzoek blijkt dat verdachte zeer waarschijnlijk de vader is van [Z] (geboren op [geboortedatum Z] ), de dochter van [slachtoffer 2] . Op grond van deze door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring in combinatie met de bevindingen zoals weergegeven in het rapport DNA verwantschapsonderzoek acht de rechtbank bewezen dat verdachte meermalen zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] heeft gebracht, terwijl zij de leeftijd van 16 jaar, maar nog niet van 18 jaar had bereikt. Wil deze handeling kunnen worden aangemerkt als een strafbaar feit, moet die handeling “ontuchtig” zijn verricht. Dit betekent dat de verrichte handelingen “sociaal-ethisch onaanvaardbaar” moeten zijn. Dit vereiste voorkomt dat dergelijke handelingen voortkomend uit een gelijkwaardige liefdesrelatie tot strafbaar feit verworden. In beginsel is geen sprake van een ethische aanvaardbaarheid, wanneer er sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen beide betrokkenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 2] 23 jaar bedraagt en merkt dit aan als een groot leeftijdsverschil. De verdediging heeft aangevoerd dat er in het onderhavige geval reden is om aan te nemen dat de geslachtsgemeenschap tussen verdachte en [slachtoffer 2] , ondanks het grote leeftijdsverschil, wel degelijk sociaal-ethisch aanvaardbaar is. Immers, zo stelt de verdediging, tussen verdachte en [slachtoffer 2] bloeide destijds, met instemming van de moeder van [slachtoffer 2] , een liefdesrelatie op die haar bestendiging heeft gevonden in het huwelijk tussen verdachte en [slachtoffer 2] op het moment dat zij de 18 jarige leeftijd bereikte. Nadien zijn uit dit huwelijk nog meerdere kinderen geboren. Op zichzelf beschouwd zou deze lezing tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken bij gebreke van ontuchtigheid. De rechtbank beziet dit standpunt evenwel in het kader van het verloop van de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft in eerste instantie niets willen verklaren. Nadat uit NFI-onderzoek bleek dat verdachte zeer waarschijnlijk de vader van [Z] is, kwam [slachtoffer 2] met het, in de ogen van de rechtbank, bizarre en niet te verifiëren verhaal, dat bij haar tweemaal met behulp van een injectiespuit door [getuige 3] en [slachtoffer 1] sperma van verdachte in haar vagina was gespoten. Dit sperma zou afkomstig zijn uit een door verdachte gebruikte condoom die in huis was gevonden. Hoewel dit relaas geruime tijd is onderzocht in het kader van de onderhavige strafzaak, heeft verdachte nagelaten hierop ook maar enige correctie te geven, terwijl hij er, blijkens zijn verklaring ter zitting, van op de hoogte was dat dit verhaal niet waar was. Dit terwijl verdachte, volgens het ter terechtzitting ingenomen standpunt, niets verkeerds zou hebben gedaan: van ontucht zou immers geen sprake zijn geweest omdat met de geslachtsgemeenschap geen sociaal-ethische norm is geschonden, hetgeen volgens de verdediging door de de bestendig gebleken liefdesrelatie tussen verdachte en [slachtoffer 2] is bevestigd. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank de uitleg van verdachte, dat het ging om een opbloeiende ethisch aanvaardbare liefdesrelatie ongeloofwaardig acht. Indien dit zo was geweest, heeft verdachte geruime tijd bij diverse gelegenheden de mogelijkheid gehad dit gefundeerd naar voren te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de pas ter terechtzitting naar voren gebrachte uitleg geen ander doel dan te pogen op juridische gronden een straffeloosheid te creëren. De rechtbank passeert deze uitleg daarom als ongeloofwaardig. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat vraagtekens gesteld kunnen worden bij de vrijheid die [slachtoffer 2] heeft gehad bij het aangaan van de beweerdelijke relatie en het daarop volgende huwelijk, gelet op het leeftijdsverschil en het daarmee van nature gepaard gaande overwicht, en gelet op de onvrijheid die zij onderging in de relatie met verdachte, waarover zowel [slachtoffer 1] verklaart bij de rechter-commissaris op 20 augustus 2015 en waarover [slachtoffer 2] zelf verklaart op 22 maart 2017 tegenover de politie. Op grond van het vorenstaande merkt de rechtbank de geslachtsgemeenschap die verdachte met [slachtoffer 2] heeft gehad, toen zij de leeftijd van 16 jaren maar nog niet die van 18 jaren had bereikt, aan als ontuchtig. Het ten laste gelegd feit is daarmee bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
- in de periode van 3 december 2000 tot en met 2 december 2002 te Swalmen, meermalen, telkens met zijn, verdachtes, kind, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ;
- in de periode van 3 december 2002 tot en met 2 december 2004 te Swalmen, meermalen, telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, zijn, verdachtes, penis in de vagina en de anus en de mond van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en de borsten van die [slachtoffer 1] heeft betast en de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer 1] heeft betast en gelikt en zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken;
- in de periode van 3 december 2004 tot en met 13 februari 2014 in de gemeente Swalmen en/of in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Roerdalen, meermalen, telkens door geweld of feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte meermalen, telkens die [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt en gebeten en - opzettelijk gebruik heeft gemaakt van het lichamelijk en/of psychisch overwicht dat verdachte, mede gelet op verdachtes positive als agressieve/autoritaire vader van die [slachtoffer 1] (die op zeer regelmatige basis fysiek geweld gebruikt in de richting van die [slachtoffer 1] ) en de hieruit voortkomende afhankelijke situatie, telkens op die [slachtoffer 1] had, in welke lichamelijke en/of psychische overwicht situatie die [slachtoffer 1] zich (telkens) niet kon en/of durfde te verzetten tegen en/of onttrekken aan die seksuele handelingen van verdachte en/of daaraan geen weerstand kon en/of durfde te bieden en aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
- in de periode van 30 november 2003 tot en met 29 november 2005 te Swalmen en/of in de gemeente Roermond, meermalen, telkens ontucht heeft gepleegd met een aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen, telkens zijn, verdachtes, penis heeft geduwd en/of gebracht in de vagina van die [slachtoffer 2] ; 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: 1) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam; 2) ontucht plegen met zijn minderjarig kind; 3) verkrachting; 4) ontucht plegen met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf aan verdachte op te leggen voor de duur van tien jaren, met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadslieden van verdachte hebben primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair wijzen de raadslieden erop dat de strafmaat in het juiste perspectief moet worden geplaatst en dat niet enkel gerekend moet worden met de emoties die zedenzaken nou eenmaal met zich mee brengen. Ze verzoeken dan ook, in geval van bewezenverklaring, aan verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen en, mocht worden overgegaan tot het opleggen van een gevangenisstraf, deze lager vast te stellen dan een straf voor de duur van tien jaren, zoals door de officier van justitie is geëist. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De raadslieden pleitten ervoor de strafmaat in het juiste perspectief te plaatsen en bij de bepaling van de straf niet de emoties die opspelen bij zedendelicten de boventoon te laten voeren. De rechtbank onderkent dat als één van de vertrekpunten voor de straftoemeting maar plaatst daar tegenover dat zedendelicten in het algemeen maatschappelijk gezien nu eenmaal als één van de zwaarste delicten worden betiteld: op verkrachting staat een strafbedreiging van maximaal 12 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij de straf met een derde kan worden verhoogd als de pleger het feit begaat tegen zijn eigen kind. Daarbij kan, nu in dit geval gelet op de bewezenverklaring sprake is van meerdaadse samenloop, nog een derde van de straf worden toegevoegd boven het hoogste maximum. Dit blijkt ook uit de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), waarin is opgenomen dat het oriëntatiepunt qua straftoemeting bij één verkrachting 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is. Hierbij gelden als strafvermeerderende factoren de frequentie, de duur, de leeftijd van het slachtoffer, de (bijzondere) kwetsbaarheid van het slachtoffer, de bijzondere schadelijke gevolgen voor het slachtoffer, (de ernst en de mate van) geweld, de recidive, de bijzondere bedreigende en/of vernederende setting (hetgeen wordt geïllustreerd met het voorbeeld van anale penetratie), het misbruik van overwicht en/of vertrouwen en de relatiesfeer, waarmee uiteindelijk het strafmaximum van (in beginsel) 12 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden bereikt. Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 1] , waarop de bewezenverklaring van hetgeen is tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 3 ziet, gelden vrijwel al deze strafverzwarende omstandigheden: [slachtoffer 1] is vanaf dat zij nog minderjarig was, gedurende een lange periode met regelmaat vernederd, agressief bejegend, gewelddadig behandeld en verkracht door haar eigen vader. Verdachte heeft hierbij gebruik en misbruik gemaakt van zijn overwicht en tegelijkertijd misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] woonde bij verdachte in huis en kon letterlijk en figuurlijk geen kant op. De gevolgen voor het slachtoffer zijn enorm: niet alleen denkt zij elke dag met afgrijzen terug aan hetgeen haar meer dan de helft van haar leven is overkomen, ook wordt zij door het bestaan van haar dochter [X] dagelijks herinnerd aan de gedwongen seks met haar eigen vader. Een man die zij behoorde te kunnen vertrouwen en die haar een veilige thuishaven behoorde te bieden. Zoals [slachtoffer 1] haar schriftelijke slachtofferverklaring afsluit: “Niemand mag overkomen wat mij overkomen is”. Afgezet tegen de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, dient te worden meegewogen dat verdachte aanvankelijk, voor zover hij al heeft verklaard, slechts ontkennend heeft verklaard op alle aantijgingen. Eerst toen duidelijk werd uit het verwantschapsonderzoek dat hij waarschijnlijk de vader is van zowel [X] als van [Z] , heeft hij zijn verklaring aangepast: [slachtoffer 1] heeft zich bij hem opgedrongen en zij is degene geweest die seks met hem wilde en hij heeft geen weerstand kunnen bieden. Dit heeft geleid tot de geslachtsgemeenschap. Op de vraag van de rechtbank wat verdachte nu concreet heeft ondernomen om zijn dochter op andere gedachten te brengen en haar deugdelijk te begeleiden, heeft verdachte ook ter zitting ontwijkend en vaag geantwoord. Ondanks dat verdachte niet heeft willen meewerken aan onderzoek naar zijn persoon, stelt de rechtbank op basis van hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard vast dat sprake is van een man die geen verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden. Ondanks alle aantijgingen van (vergaand) seksueel misbruik, de verklaringen van diverse familieleden en betrokkenen over het agressieve en intimiderende gedrag van verdachte en ondanks de verklaringen van de wijkagent en hulpverleningsinstanties, blijft verdachte volhouden dat het seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 1] vrijwillig van aard was, het seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 2] (ook toen zij 16 jaar oud was) vrijwillig en sociaal-ethisch verantwoord was, hij geen agressief gedrag vertoont – zoals hij ter terechtzitting heeft aangegeven “nooit agressiviteit heeft vertoond en al zeker niet tegen oude mensen” – en er nooit sprake is geweest van enige dwang. Los van eerdergenoemde strafverzwarende omstandigheden, weegt de rechtbank ook bovenstaande persoonlijke omstandigheden in het nadeel van verdachte mee. Dat verdachte eerder door de rechtbank is veroordeeld terzake verkrachting weegt de rechtbank niet mee, aangezien het gerechtshof deze veroordeling in hoger beroep heeft omgezet in een vrijspraak. Ook de overige justitiële documentatie van verdachte (veroordeling terzake belastingfraude en heling) weegt de rechtbank niet mee bij de vaststelling van de op te leggen straf, nu het hierbij gaat om vermogensdelicten en niet om zeden- en geweldsdelicten als in onderhavige zaak het geval is. Gelet op al het vorenoverwogene zal de rechtbank aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opleggen, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Een thuis is dé plek bij uitstek waar men zich veilig moet kunnen voelen en waar kinderen de bagage die zij gedurende hun leven nodig hebben meekrijgen. Hetgeen [slachtoffer 1] heeft meegemaakt zal haar voor de rest van haar leven bijblijven en achtervolgen. Niet alleen het vertrouwen in mensen is weg, ze heeft ook, zoals ze zelf ook aangeeft, haar hele leven het verkeerde voorbeeld gehad, terwijl dit voorbeeld juist zo belangrijk is. Dat is het perspectief waarin de rechtbank de strafmaat heeft geplaatst en daarom acht de rechtbank de straf die zij zal opleggen op zijn plaats. 7De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] behelst € 220,75 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit (gespecificeerde) reiskosten en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding heeft [slachtoffer 1] onderbouwd aan de hand van haar schriftelijke slachtofferverklaring, het behandelverslag dat is opgemaakt door de psycholoog, het psychologisch rapport en jurisprudentie waarin een bedrag aan immateriële schadevergoeding is toegekend aan slachtoffers van seksueel misbruik in meer of minder vergelijkbare situaties. In de schriftelijke slachtofferverklaring geeft [slachtoffer 1] , samengevat weergegeven, aan dat ze zowel psychische als lichamelijke klachten ondervindt. Ze is bang voor repressailles en slaapt hierdoor slecht. Ze geeft aan dat haar lichaam beschadigd is, zij nauwelijks mensen vertrouwt en niet weet wat goed en slecht is. Liefde, aandacht, warmte, vertrouwen en veiligheid heeft ze nooit gekend, zo schrijft ze. In plaats daarvan werd er tegen haar geschreeuwd, werd ze getreiterd, bedreigd en in elkaar geslagen en geschopt. Vervolgens benoemt ze dat haar vader de eerste persoon was met wie ze seksueel contact heeft gehad en dat ze van hem ook seksueel contact met dieren heeft moeten hebben. [slachtoffer 1] geeft aan dat ze zelf niet uit de situatie kwam, ondanks dat ze graag weg had willen gaan. Ze vertelt in haar verklaring dat ze elke dag met het misbruik wordt geconfronteerd en dat het dan vaak om kleine dingen gaat: het zien van een kindje, het zien van dieren en het hebben van een gezin. Tot slot geeft [slachtoffer 1] aan dat ze iets van haar leven probeert te maken. De raadsvrouw van [slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting erop gewezen dat bij haar een chronische posttraumatische stressstoornis is geconstateerd. Verder heeft ze benadrukt dat het seksueel misbruik bij [slachtoffer 1] heel lang heeft geduurd, dat het bij haar om haar vader – bij wie ze zich juist veilig moest kunnen voelen – ging en dat er meerdere zwangerschappen zijn ontstaan uit het seksueel misbruik, met de geboorte van haar dochter als gevolg. 7.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging wijst erop dat, mocht een bewezenverklaring volgen, de gediagnostiseerde PTSS niet enkel is terug te voeren op de tenlastegelegde feiten. Er is sprake geweest van verwaarlozing en [slachtoffer 1] heeft van jongs af aan veel spanningen in huis meegemaakt en haar ouders zijn gescheiden. Ook is [slachtoffer 1] in de prostitutie terecht gekomen. Haar dochter [X] is uit huis geplaatst. Daarbij komt dat ze een verstandelijke beperking heeft. Dit alles heeft ongetwijfeld ook psychische schade veroorzaakt en een rol gespeeld bij de diagnose PTSS. De verdediging wijst erop dat het een zware belasting van het strafproces oplevert om hier dieper op in te gaan. De situaties in de jurisprudentie waar de benadeelde partij op wijst zijn volgens de verdediging niet vergelijkbaar. De verdediging verzoekt dan ook de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de hoogte van de schadevergoeding te matigen. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij integraal moet worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd en de genoemde bedragen redelijk zijn te achten. Voorts vordert de officier van justitie de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 220,75, nu dit bedrag voldoende is onderbouwd, redelijk te achten is en bovendien niet is bestreden. Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van psychisch lijden, overweegt de rechtbank het volgende. Bij [slachtoffer 1] is chronische PTSS gediagnostiseerd. Dat er andere oorzaken hebben bijgedragen aan het ontstaan hiervan acht de rechtbank niet onwaarschijnlijk. Dat neemt echter niet weg dat de schade die door verdachte is veroorzaakt in dezen cruciaal is. [slachtoffer 1] is ongeveer de helft van haar leven seksueel misbruikt door haar eigen vader. Dat het misbruik nu is gestopt, wil echter niet zeggen dat het psychisch lijden nu is gestopt. Zoals [slachtoffer 1] zelf aangeeft wordt ze dagelijks, door kleine alledaagse dingen, geconfronteerd met haar verleden. Daarnaast is [X] , hoe blij [slachtoffer 1] ook is met haar bestaan, het levende bewijs van het seksuele misbruik. Daarbij zal [slachtoffer 1] [X] ooit moeten gaan vertellen dat haar grootvader óók haar vader is. Het standpunt van de verdediging dat de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade die daadwerkelijk terug te voeren is op het tenlastegelegde een te grote belasting van het strafproces zou opleveren, volgt de rechtbank niet. Nogmaals, er is sprake van immateriële schade en verdachte heeft onmiskenbaar een cruciale rol gespeeld bij het ontstaan van deze schade bij en het psychisch lijden van [slachtoffer 1] . De rechtbank schat de omvang van de door verdachte toegebrachte schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 15.000,=. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari
- Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van de immateriële schade afwijzen. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens met vermeerdering van de wettelijke rente. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 57, 242, 245, 248, 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf - veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar; - beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] - wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 220,75 aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding, met vermeerdering van de wettelijke rente met ingang van 13 februari 2014; - legt de schadevergoedingsmaatregel op ter zake het gehele toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 111 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 13 februari 2014 tot aan de dag van de volledige voldoening; - wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april
- Mr. R.A.M.M. Gijselaers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
- hij in of omstreeks de periode van 3 december 2000 tot en met 2 december 2002 te Swalmen, in de gemeente Swalmen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met zijn, verdachtes, kind, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ; art. 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht art. 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht
- hij in of omstreeks de periode van 3 december 2002 tot en met 2 december 2004 te Swalmen, in de gemeente Swalmen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en/of de borsten van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of gelikt en/of zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken; art. 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht
- hij in of omstreeks de periode van 3 december 2004 tot en met 13 februari 2014 te Swalmen en/of te Roermond en/of te Vlodrop en/of te Herkenbosch, in de gemeente Swalmen en/of in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Roerdalen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of gebeten en/of aan de haren heeft getrokken en/of aan die [slachtoffer 1] (dreigend en/of agressief) heeft toegevoegd (de) woorden (van de strekking): “Je moet naar het gesticht, je bent een rot mongooltje.” en/of “Je komt nu mee.” en/of - opzettelijk gebruik heeft gemaakt van het lichamelijk en/of psychisch overwicht dat verdachte, (mede) gelet op verdachtes positive als (agressieve/autoritaire) vader van die [slachtoffer 1] (die op zeer regelmatige basis fysiek geweld gebruikt in de richting van die [slachtoffer 1] ) en/of de hieruit voortkomende afhankelijke situatie, (telkens) op die [slachtoffer 1] had, in welke lichamelijke en/of psychische overwicht situatie die [slachtoffer 1] zich (telkens) niet kon en/of durfde te verzetten tegen en/of onttrekken aan die seksuele handelingen van verdachte en/of daaraan geen weerstand kon en/of durfde te bieden en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; art. 242 Wetboek van Strafrecht
- hij in of omstreeks de periode van 30 november 2003 tot en met 29 november 2005 te Swalmen en/of te Roermond in de gemeente Swalmen en/of in de gemeente Roermond, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met een aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn, verdachtes, penis heeft geduwd en/of gebracht in de vagina van die [slachtoffer 2] ; art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit de processen-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche (LB), Afdeling Thematische Opsporing (LB), registratienummer PL2300-2014013236, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 353 en gesloten op 17 maart
- Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , 29-1-2014, p.169-
- Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , 12-3-2014, p.161-
- Proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , 9-7-2014, p.177-
- Rapport “Signalen huiselijk geweld”, p.268-
- Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant en wijkagent [naam wijkagent] , van 9-4-2015, p.283-
- Proces-verbaal verhoor getuige [naam lerares] , 1-12-2014, p.299-302.