← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2017:4729

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5362318 \ CV EXPL 16-8864 Vonnis van de kantonrechter van 24 mei 2017 in de zaak van: mr. W.M.J. SAES, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] HOLDING B.V., kantoorhoudend Minderbroederssingel 42, 6041 KK Roermond, eisende partij, gemachtigde mr. E.P.B. Moors, tegen: [gedaagde partij] , wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, gemachtigde mr. H.G.M. Hilkens. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de conclusie van antwoord; de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bevolen; de comparitie van 12 december 2016; de conclusie van repliek; de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
  3. De curator vordert
  4. primair: te verklaren voor recht dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeiseres is het faillissement van [X] Holding B.V.; gedaagde partij te veroordelen tot voldoening aan de curator van een bedrag van € 9.200,00 aan schadevergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
  5. Subsidiair: te verklaren voor recht dat [X] Holding B.V. aan gedaagde partij een onverschuldigde betaling heeft verricht; gedaagde partij te veroordelen tot teruggave aan de curator van een bedrag van € 9.200,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
  6. meer subsidiair: te verklaren voor recht dat gedaagde partij ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [X] Holding B.V.; gedaagde partij te veroordelen tot voldoening aan de curator van een bedrag van € 9.200,00 aan schadevergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
  7. Meest subsidiair: te verklaren voor recht dat de curator de rechtshandeling waarbij [X] Holding B.V. de BMW 5-serie aan gedaagde partij heeft geschonken, althans de verkoopopbrengst van de BMW 5-serie aan gedaagde partij heeft geschonken heeft vernietigd, althans deze bij vonnis in de onderhavige procedure te vernietigen; gedaagde partij te veroordelen tot voldoening aan de curator van een bedrag van € 9.200,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
  8. onder veroordeling van gedaagde partij in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en indien voldoening binnen deze termijn niet plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijke rente van veertien dagen na betekening van de uitspraak 2.
  9. Gedaagde partij voert verweer. 2.
  10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling 3.
  11. Op 19 juli 2016 wordt [X] Holding B.V. in staat van faillissement verklaard. Op 18 februari 2015, 17 maanden voor de datum van dit faillissement, wordt een koopovereenkomst gesloten waarvan de inhoud als volgt is: [X] Holding B.V. verkoopt aan American Cars Schinnen haar auto, BMW 5-serie, voor een bedrag van € 15.700,
  12. De dochter van de bestuurder van [X] Holding B.V., gedaagde partij in de onderhavige procedure, verkoopt haar BMW 318i Touring ook aan American Cars Schinnen maar voor een bedrag van € 4.740,
  13. American Cars Schinnen verkoopt aan gedaagde partij een Mercedes-Benz, type B170 ter waarde van € 13.940,
  14. Tenslotte betaalt American Cars Schinnen nog een bedrag ad € 6.500,00 aan [X] Holding B.V. Gedaagde partij ruilt dus een auto in met een waarde van € 4.740,00 en verkrijgt een auto met een waarde van € 13.940,00 zonder dat zij hoeft bij te betalen zodat zij € 9.200,00 méér heeft “ontvangen dan zij heeft ingelegd”. [X] Holding B.V. daarentegen ruilt een auto in met een waarde van € 15.700,00 en krijgt slechts € 6.500,00 uitgekeerd. 3.
  15. De curator stelt zich op het standpunt dat door deze rechtshandeling de vennootschap is benadeeld voor € 9.200,00 en wil dit bedrag van gedaagde partij terugkrijgen. Gedaagde partij erkent dat zij voornoemd bedrag heeft ontvangen maar bestrijdt de benadeling. Zij stelt dat zij een vordering heeft op [X] Holding B.V. Deze vordering bestaat uit een loonvordering ad € 7.294,39, een nog niet terugbetaalde lening ad € 5.500,00 en uit ten behoeve van de vennootschap betaalde facturen tot een bedrag van € 5.699,
  16. Het totaal van deze vorderingen beliep dus € 18.493,80 en door de hiervoor genoemde koopovereenkomst is een bedrag ad € 9.200,00 op de vordering in mindering voldaan. Er resteert nog € 9.293,80 te betalen en voor dat bedrag is op 30 september 2016 een vordering ingediend bij de curator. 3.
  17. De curator verzet zich tegen deze verrekening en gaat voor meerdere ankers liggen. Gedaagde partij zou onrechtmatig hebben gehandeld door tegenover het garagebedrijf voor te wenden dat zij bevoegd was de auto van [X] Holding B.V. te verkopen, de vordering van gedaagde partij op [X] Holding B.V. bestaat niet zodat er sprake is van onverschuldigde betaling of van ongerechtvaardigde verrijking, bestaat de vordering wel, dan is verrekening niet toegestaan en tenslotte is de betaling paulianeus ingevolge artikel 42 Fw. 3.
  18. De kantonrechter zal allereerst ingaan op de vraag of gedaagde partij inderdaad over een vordering op [X] Holding B.V. beschikt. Komt die vordering immers niet vast te staan, dan heeft een betaling zonder rechtsgrond plaatsgevonden en dient het bedrag ad € 9.200,00 in de boedel gestort te worden. De overige grondslagen voor de vordering behoeven dan geen bespreking. 3.
  19. Met betrekking tot het bestaan van een loonvordering overweegt de kantonrechter als volgt. Gedaagde partij ontkent niet dat zij indirect € 9.200,00 van [X] Holding B.V. heeft ontvangen maar beroept zich op verrekening met de loonvordering die zij op [X] Holding B.V. zou hebben. Gedaagde partij voert daarmee een bevrijdend verweer. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast daarvan op gedaagde partij. Zij heeft bij conclusie van dupliek een arbeidsovereenkomst overgelegd, die is gedateerd op 1 januari 1996 en die is ondertekend door werknemer en werkgever. Er zijn (onleesbare) handtekeningen geplaatst maar geen namen. Gelet op artikel 157 lid 2 Rv heeft de arbeidsovereenkomst te gelden als een onderhandse akte die dwingende bewijskracht heeft met betrekking tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Daarmee is echter nog niet bewezen dat er een loonvordering is. Overigens staat op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open. Dat tegenbewijs kan blijkens artikel 152 lid 1 Rv worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij het tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. De rechter kan immers vrijelijk aan ieder feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht hechten die hem goeddunkt (vgl. HR 5 januari 2001, NJ 2001, 612). Daarbij geldt dat het tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd. 3.
  20. Door de curator is gesteld dat hij in de administratie van de vennootschap geen arbeidsovereenkomst heeft aangetroffen, geen loonadministratie en geen salarisspecificaties. Gedaagde partij heeft niet betwist dat deze stukken er niet zijn. Evenmin is gebleken van het bestaan van urenlijsten of andere bewijzen van de uren die gedaagde partij voor de vennootschap zou hebben gewerkt. Tenslotte is er ook geen verklaring van de bestuurder van [X] Holding B.V. overgelegd waaruit kan volgen dat er van een arbeidsovereenkomst sprake is geweest. Nog los van het feit dat het opmerkelijk is dat de arbeidsovereenkomst pas bij dupliek in het geding wordt gebracht, acht de kantonrechter op grond van de hiervoor besproken omstandigheden het door de schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegde bewijs ontzenuwd, nog los van het ontbreken van bewijs voor het bestaan van een loonvordering. Gedaagde partij heeft nog bewijs aangeboden door het horen van zichzelf, haar vader en moeder maar de kantonrechter acht dit aanbod onvoldoende specifiek in het licht van hetgeen hiervoor is geconstateerd. De kantonrechter zal dat bewijsaanbod dus passeren. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat gedaagde partij nog een openstaande loonvordering op [X] Holding B.V. had. 3.
  21. Met betrekking tot de geldlening geldt om de redenen die hiervoor zijn genoemd dat gedaagde partij het bestaan ervan dient te bewijzen. Daartoe heeft gedaagde partij een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat op 29 september 2005 een bedrag ad € 5.500,00 is overgeschreven van haar bankrekening naar de bankrekening van [X] Holding Uitvaart. Ter zake waarvan deze overschrijving heeft plaatsgevonden vermeldt het bankafschrift niet. Daarom is dit bankafschrift geen bewijs voor het bestaan van een geldlening. Van het bestaan van andere bewijsmiddelen blijkt niet. Zo is er geen akte van geldlening of een schuldigverklaring door de geldlener. Ook blijkt niet van periodieke rentebetalingen of aflossingen of dat de lening in de jaarstukken is opgenomen. Wel heeft gedaagde partij ook ten aanzien van deze vordering nog bewijs aangeboden door het horen van zichzelf, haar vader en moeder maar ook hier acht de kantonrechter dat aanbod onvoldoende specifiek zodat het aanbod zal worden gepasseerd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat evenmin is komen vast te staan dat gedaagde nog een openstaande lening op [X] Holding B.V. had. 3.
  22. Met betrekking tot de door gedaagde partij ten behoeve van [X] Holding BV betaalde rekeningen geldt wederom dat gedaagde partij het bestaan hiervan moet bewijzen. Het gaat om de navolgende posten: Rekeningafschrift 12/09/’11 € 1.722,84 Dit bankafschrift vermeldt als omschrijving “10.10.00.731 Interpolis” alsmede het rekeningnummer waarop de betaling plaatsvindt. Rekeningafschrift 11/11/’14 € 2.353,00 Dit bankafschrift vermeldt als omschrijving “Sepa overboeking. Naam: [A] Uitvaartzorg omschrijving: nota nr 240831-240832” alsmede het rekeningnummer waarop de betaling plaatsvindt. Rekeningafschrift 11/11/’14 € 440,31 Dit bankafschrift vermeldt als omschrijving “Sepa overboeking. Naam: BMW Financial Services Omschrijving: fact.nr: 14-VMF-122346” alsmede het rekeningnummer waarop de betaling plaatsvindt. Rekeningafschrift 11/02/’15 € 1.183,26 Dit bankafschrift vermeldt als omschrijving “Sepa overboeking. Naam: AVS Netherlands BV Omschrijving: 221-2014” alsmede het rekeningnummer waarop de betaling plaatsvindt. Met de hand is er nog bijgeschreven dat het hier het incassobureau van BMW Financial Services betreft. Ten aanzien van deze vier betaling is uit de overgelegde bankafschriften niet op te maken waarop zij betrekking hebben en ten behoeve van wie de betalingen verricht zijn. Evenmin zijn er stukken in het geding gebracht waaruit het verband blijkt tussen de betalingen en [X] Holding B.V., zoals bijvoorbeeld een factuur of een polis op naam van [X] Holding B.V. De curator heeft in dit verband nog laten weten dat in de administratie die hem ter beschikking staat ook geen verband werd aangetroffen. Tenslotte vindt de kantonrechter het moeilijk voorstelbaar dat gedaagde partij, indien zij deze posten daadwerkelijk ten behoeve van de vennootschap zou hebben betaald en ooit zou hebben willen verhalen op de vennootschap, geen bescheiden heeft bewaard. De stelling dat men feitelijk een gezin is en “het onderling zo gaat” gaat hier in de ogen van de kantonrechter niet op. Ook in dat geval zal men toch over een onderbouwing willen beschikken die ook na enkele jaren nog duidelijk is zodat gedaagde partij inzichtelijk kan maken wat zij nog van de vennootschap te goed heeft, al is het maar voor de eigen familie. Zoals het nu is gepresenteerd is dat niet het geval. In het licht van het vorenstaande zal de kantonrechter het algemene bewijsaanbod passeren als zijnde te onvoldoende specifiek. Het vorenstaande betekent dat ook deze gestelde betalingen ten behoeve van [X] Holding BV niet zijn komen vast te staan. 3.
  23. Daarmee is niet komen vast te staan dat gedaagde partij over vorderingen beschikte op grond waarvan zij tegenover [X] Holding BV aanspraak kon maken op het bedrag ad € 9.200,00 dat zij indirect heeft ontvangen van deze vennootschap op grond van de overeenkomst met American Cars Schinnen BV. Een rechtsgrond hiervoor bestond niet zodat sprake is van onverschuldigde betaling. Gedaagde partij zal daarom het bedrag ad € 9.200 aan de curator dienen te betalen. 3.
  24. Nu de vordering op voornoemde grond wordt toegewezen heeft de curator geen belang meer bij bespreking van zijn overige grondslagen. 3.
  25. Gelet op het voorgaande zal de subsidiaire vordering aan de curator worden toegewezen. Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op: dagvaarding € 79,35 griffierecht 471,00 salaris gemachtigde 750,00 ( 3 x tarief € 250,00) totaal € 1.300,35 3.
  26. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 4De beslissing De kantonrechter 4.
  27. verklaart voor recht dat [X] Holding B.V. aan gedaagde partij een onverschuldigde betaling heeft verricht, 4.
  28. veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 9.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2016 tot aan de voldoening, 4.
  29. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van de curator gevallen en tot op heden begroot op € 1.300,35, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 4.
  30. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.
  31. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken. type: ksf coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.