← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2017:5316

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 5614701 \ CV EXPL 16-11763 Vonnis van de kantonrechter van 24 mei 2017 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOLTA LIMBURG B.V., gevestigd te Schinnen, eisende partij, gemachtigde Adactio gerechtsdeurwaarders, tegen: [gedaagde] , wonend [adres 1] , [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. A.J.J. Kreutzkamp. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Gedaagde partij heeft van eisende partij een Vaillant HR ketel gehuurd in het pand [adres 2] te [woonplaats] . Gedaagde partij heeft een aantal huurtermijnen onbetaald gelaten. 3Het geschil 3.
  4. Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 483,79, vermeerderd met rente en kosten. 3.
  5. Gedaagde partij voert verweer. 3.
  6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  7. Eisende partij stelt dat zij bij aangetekende brief van 22 augustus 2016 conform de toepasselijke algemene voorwaarden de huurovereenkomst heeft ontbonden, dat gedaagde partij niet meewerkt aan teruggave van het huurtoestel en zij de contractuele boete beperkt tot € 200,00 zijnde een bedrag gelijk aan de restwaarde van het toestel. 4.
  8. Gedaagde partij erkent de huurachterstand en wenst daarvoor een betalingsregeling te treffen. Gedaagde partij betwist de brief van 22 augustus 2016 te hebben ontvangen, wijst er op dat in de brief van 22 augustus 2016, welke zij overigens nooit heeft ontvangen, wordt gesproken over een huuropzegging en wordt verwezen naar artikel 15 lid 2 van de algemene voorwaarden, welk artikel echter over een geheel ander onderwerp gaat. Gedaagde partij stelt dat zij nooit een bericht heeft ontvangen over het verwijderen van de ketel noch is er ooit een monteur bij haar aan de deur geweest om de ketel te verwijderen. 4.
  9. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde partij de huurachterstand ad € 222,24 erkent zodat dit bedrag in elk geval voor toewijzing gereed ligt. Gedaagde partij vraagt een betaling in termijnen toe te staan. Ingevolge artikel 6:29 BW is de schuldenaar zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen. Nu deze toestemming van eisende partij ontbreekt, heeft de kantonrechter geen mogelijkheid om betaling in termijnen op te leggen. 4.
  10. Eisende partij vordert wegens het niet toelaten van haar personeel tot het terugnemen van het huurtoestel een boete van € 200,
  11. Gedaagde partij betwist dat zij het personeel niet heeft toegelaten en zelf helemaal geen kennisgeving heeft ontvangen dat het toestel teruggenomen zou worden. De kantonrechter stelt vast dat eisende partij weliswaar stelt de brief van 22 augustus 2016 aangetekend verstuurd te hebben, maar dat gedaagde partij deze brief ook daadwerkelijk heeft ontvangen blijkt nergens uit. Nu de kantonrechter niet kan vaststellen dat gedaagde partij het personeel van eisende partij niet heeft toegelaten om het huurtoestel te verwijderen dient de gevorderde boete ad € 200,00, die eisende partij grondt op het niet toelaten van haar personeel, te worden afgewezen. 4.
  12. Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. 4.
  13. Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 80,77 griffierecht 117,00 salaris gemachtigde 120,00 ( 2 x tarief € 60,00) totaal € 317,77 4.
  14. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  15. veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 262,24, vermeerderd met de wettelijke rente over € 222,42 vanaf de respectievelijk factuurvervaldatum tot aan de voldoening, 5.
  16. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 317,77, 5.
  17. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  18. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken. type: HMUI coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.