RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/702635-16 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juni 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2017. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen drie personen heeft gesmokkeld; Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen heeft geprobeerd twee personen te smokkelen. 3De voorvragen Geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 partieel nietig dient te worden verklaard, omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven. Niet is in de tenlastelegging omschreven waarop het opzet van de verdachte was gericht. De officier van justitie heeft niet op het verweer van de raadsvrouw gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde onder feit 2 voldoende feitelijk is omschreven. Gelet op de inhoud van het dossier moet het verdachte duidelijk zijn waarvan hij wordt gedacht. Ter zitting is ook niet gebleken dat dit voor de verdachte niet duidelijk was. De dagvaarding is dan ook geldig. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde personen, niet de personen zijn die zijn vervoerd. Het gaat namelijk bij alle personen om een valse identiteit. Ook heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is van een wederrechtelijke doorreis, nu het opzet van de verdachte er niet op was gericht om de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam te zijn bij het verlaten van Nederland. Ook kan niet bewezen worden dat de verdachte de meisjes onderdak heeft verschaft. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw voorts betoogd dat er geen sprake is van een strafbare poging, omdat het begin van uitvoering ontbreekt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 4 en 5 mei 2016 meldden vijf minderjarige Vietnamese meisjes zich bij de marechaussee op Schiphol, waar zij asiel hebben aangevraagd. Drie van deze meisjes werden ondergebracht bij Xonar, Beschermde Jeugdopvang te Cadier en Keer. De andere twee meisjes werden ondergebracht bij Jade Zorggroep te Vries, gemeente Tynaarlo. 13 mei 2016: Op 13 mei 2016 bleek dat de drie meisjes die in Cadier en Keer waren ondergebracht, met achterlating van hun persoonlijke bezittingen, zonder toestemming en met onbekende bestemming waren vertrokken. De verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard dat zij op 13 mei 2016 samen naar Cadier en Keer zijn gereden en dat zij daar drie meisjes hebben meegenomen, om hen een lift naar Amsterdam te geven. [verdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij [medeverdachte] bij haar woning in Almere had afgezet, de meisjes naar een parkeerplaats in Almere heeft gebracht. Op basis van het onderzoek naar telecomgegevens is gebleken dat de drie meisjes, na hun vertrek uit Cadier en Keer, hebben verbleven in Almere. Uit roaminggegevens blijkt dat de drie meisjes op 17 mei 2016 vanuit Almere, via België, naar Frankrijk zijn gereisd. 16 mei 2016: Op 16 mei 2016 probeerden de twee Vietnamese meisjes die waren ondergebracht bij Jade Zorggroep te Vries, te vluchten. Deze vluchtpoging mislukte. De meisjes waren weggerend in de richting van de voetbalvelden. De meisjes verklaarden dat zij naar Engeland wilden gaan. Kort daarvoor werd melding gemaakt van een auto die zich verdacht ophield bij de Jade Zorggroep te Vries. Politie ging ter plaatse en zag daar, ter hoogte van de voetbalvelden, een auto geparkeerd staan. Het betrof de locatie waar de twee Vietnamese meisjes naartoe zouden vluchten. In het voertuig zaten [verdachte] , [medeverdachte] en haar zoontje. Zij werden verzocht mee te rijden naar het politiebureau. [verdachte] en [medeverdachte] hebben verklaard dat zij zich in de buurt van de voetbalvelden bevonden, toen zij door de politie werden gecontroleerd. Overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2: Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij op 13 mei 2016 samen met een ander drie Vietnamese meisjes behulpzaam is geweest bij het zich toegang verschaffen tot Nederland of de doorreis door Nederland, door de Vietnamese meisjes te vervoeren en onderdak te verschaffen. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij op 16 mei 2016 samen met een ander heeft geprobeerd twee Vietnamese meisjes behulpzaam te zijn bij het zich toegang verschaffen tot Nederland of de doorreis door Nederland, door telefonisch contact met hen te hebben en door met de auto in de buurt van de opvang te komen. In beide gevallen is de tenlastelegging toegespitst op artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat de verdachte en [medeverdachte] de Vietnamese meisjes op enige wijze behulpzaam zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, zodat dit deel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden. Voor wat betreft het behulpzaam zijn bij de doorreis door Nederland, overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van het dossier en de verklaringen van [medeverdachte] en de verdachte kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met [medeverdachte] op 13 mei 2016 drie Vietnamese meisjes vanuit Cadier en Keer naar Almere heeft gebracht. Hierdoor zijn de meisjes uit het zicht van de instanties geraakt en hebben zij uiteindelijk Nederland verlaten om naar Frankrijk te reizen. Ook kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met [medeverdachte] op 16 mei 2016 met een auto in de buurt van de opvang in Vries is geweest om twee Vietnamese meisjes op te halen. Door ingrijpen van de politie kon worden voorkomen dat deze twee meisjes in de auto werden meegenomen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of voornoemde handelingen van de verdachte inhouden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het behulpzaam zijn bij de ‘doorreis’ door Nederland van de Vietnamese meisjes en de poging daartoe, zoals strafbaar gesteld in artikel 197a Sr. Om deze vraag te beantwoorden heeft de rechtbank acht geslagen op de wetsgeschiedenis en de Europese regelgeving behorende bij deze wetsbepaling. Bij de Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (Stb. 2004, 645) is het begrip "doorreis" aan art. 197a, eerste lid, Sr toegevoegd. Hiermee werd uitvoering gegeven aan internationale verplichtingen voortvloeiende uit Richtlijn nr. 2002/90/EG (hierna: de Richtlijn) van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, doortocht en verblijf (PbEG L 328/17), alsmede uit het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie nr. 2002/946/JBZ (hierna: het Kaderbesluit) van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PbEG L 328/1). Artikel 1 van de Richtlijn luidt als volgt: "Iedere lidstaat neemt passende sancties tegen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.