vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/215752 / HA ZA 16-27 Vonnis van 1 februari 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. J.M. Wolfs, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. P. Thoren te Heerlen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 30 december 2015 de akte houdende producties zijdens [eiser] de akte houdende beslagstukken zijdens [eiser] de conclusie van antwoord met producties de brief van 25 oktober 2016 waarbij de comparitie van partijen is bepaald het proces-verbaal van comparitie van 2 november 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] en zijn echtgenote zijn vennoten van de vennootschap onder firma Jan [X] VOF (hierna de VOF). 2.2. [eiser] is directeur/aandeelhouder van de Belgische vennootschap [Y] BVBA (hierna [Y] ). 2.3. In januari 2015 heeft [gedaagde] , omdat hij geld nodig had, telefonisch contact opgenomen met [eiser] . [eiser] is familie van de echtgenote van [gedaagde] . 2.4. Op 14 januari 2015 heeft de VOF aan [Y] een factuur gestuurd van € 35.000,--. Op de factuur staat als omschrijving vermeld: “Aan u verkocht 1 ruin 5 jaar [paard ] ”, alsmede “Betaling via Rabobank”. 2.5. Op 15 januari 2015 heeft [Y] , onder vermelding van factuur 14-1-2015, een bedrag van € 35.000,-- betaald op de rekening van de VOF bij de Rabobank. 2.6. Op 19 februari 2015 heeft [Y] aan de VOF een factuur gezonden voor een bedrag van € 36.750,--. Op de factuur staat als omschrijving vermeld: “Aan u verkocht: 1 ruin 5 jaar [paard ] ”. 2.7. Bij e-mail van 24 februari 2015 wordt [gedaagde] herinnerd aan zijn betalingsverplichting en wordt hem door [eiser] betaling uiterlijk in februari 2015 toegestaan. 2.8. Vanwege het uitblijven van betaling heeft [eiser] [gedaagde] bij aangetekend schrijven van 13 mei 2015 gesommeerd tot betaling van € 37.500,-- te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en rente vanaf 11 maart 2015. Deze brief is vervolgens bij exploot van 5 juni 2015 aan [gedaagde] betekend. 2.9. Per e-mail van 26 augustus 2015 heeft [gedaagde] een betalingsvoorstel gedaan dat heeft geleid tot een betalingsregeling. [eiser] heeft de betalingsregeling bij brief van 29 december 2015 buitengerechtelijk ontbonden. 3Het geschil 3.1. [eiser] stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen op 14 januari 2015 gesloten geldleningsovereenkomst. Op grond van die overeenkomst zou [gedaagde] het geleende bedrag ter hoogte van € 35.000,-- vermeerderd met een rente van € 2.500,--, dus in totaal € 37.500,-, na een maand terugbetalen. [gedaagde] heeft in het kader van een betalingsregeling éénmaal een bedrag van € 5.000,-- voldaan zodat nog betaald moet worden een bedrag van € 32.500,--. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.150,-- exclusief btw. 3.2. [eiser] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 33.650,--, vermeerderd met de wettelijke rente over € 32.500,-- vanaf de dag van verzuim en de proceskosten met inbegrip van de beslagkosten. 3.3. [gedaagde] heeft bestreden dat [eiser] op grond van een geldlening een vorderingsrecht op hem heeft. Volgens [gedaagde] heeft de overeenkomst betrekking op de aankoop van het paard [paard ] en is die overeenkomst gesloten tussen [Y] en de VOF. Hij stelt dat [Y] het paard [paard ] in januari 2015 van de VOF heeft gekocht en dat de VOF het paard hierna van [Y] heeft teruggekocht, zodat door de VOF aan [Y] een bedrag verschuldigd is van € 36.750,--. In totaal heeft de VOF een bedrag van € 10.000,-- voldaan, zodat nog een bedrag open staat van € 26.750,--. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Aangezien eiser zijn woon- en verblijfplaats in Zwitserland heeft, ziet de rechtbank zich eerst geplaatst voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is. 4.2. Op deze zaak is van toepassing het Verdrag betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EVEX II), nu Nederland als lid van de EU en Zwitserland partij zijn bij dit verdrag. Artikel 64 EVEX II bepaalt dat EVEX II onverlet laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) alsook de wijzigingen daarvan. Dit brengt mee dat aan de hand van de EEX-Vo moet worden bepaald of de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft. 4.3. Nu de dagvaarding is uitgebracht na 10 januari 2015, moet de rechtsmacht worden beoordeeld aan de hand van de gewijzigde EEX-Vo; de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Herschikte EEX-Vo). Aangezien [gedaagde] ter zitting is verschenen en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet heeft betwist, is op grond van artikel 26 Herschikte EEX-Vo de Nederlandse rechter bevoegd om van het voorliggende geschil kennis te nemen. 4.4. Vervolgens is aan de orde de vraag naar het recht van welk land het onderhavige geschil moet worden beslist. Het toepasselijke recht op een verbintenis uit overeenkomst die na 17 december 2009 is gesloten dient te worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 17 juni 2008; Publ. 2008 L177/6 (hierna: Rome I-Vo). Partijen hebben ter zitting desgevraagd eensluidend het standpunt ingenomen dat op hun rechtsverhouding het Nederlandse recht van toepassing is, zodat op grond van artikel 3 Rome I-Vo Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank zal het geschil daarom naar Nederlands recht beslissen. 4.5. Gelet op de stellingen van [eiser] en het door [gedaagde] gevoerde verweer zal de rechtbank eerst dienen te beoordelen welke partijen hebben gecontracteerd. Voor zover daaruit volgt dat [eiser] een vorderingsrecht heeft op [gedaagde] , zal worden beoordeeld tot welk bedrag is gecontracteerd en welk bedrag inmiddels al is voldaan. 4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag heeft betaald van € 35.000,--. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit bedrag is betaald uit hoofde van een overeenkomst van geldlening of uit hoofde van de (ver)koop van een paard. [gedaagde] voert aan dat de overeenkomst met [Y] is gesloten en niet met [eiser] . [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de hiervoor onder 2.4 en 2.5 genoemde facturen voor de koop van het paard [paard ] , gericht aan, respectievelijk afkomstig van [Y] . [eiser] heeft daarover gemotiveerd gesteld dat deze facturen in overleg tussen zijn boekhoudster en [gedaagde] zijn opgesteld en niet de werkelijkheid weergeven. Dit was een schijnconstructie op verzoek van [gedaagde] . Het was niet de bedoeling van partijen om het paard [paard ] daadwerkelijk van eigenaar te laten wisselen. [eiser] heeft er in dat verband ook op gewezen dat het paard [paard ] steeds bij [gedaagde] is blijven staan – hetgeen [gedaagde] niet heeft betwist – en bij het verstrekken van het geld door [eiser] was afgesproken dat het geld inclusief een vergoeding in februari 2015 terugbetaald zou worden. De betaling aan [gedaagde] is weliswaar door [Y] verricht, maar is volgens [eiser] afgeboekt van zijn rekening courant bij [Y] . 4.7. De rechtbank stelt vast dat de advocaat van [eiser] bij aangetekende sommatie van 13 mei 2015, gericht aan de VOF ter attentie van [gedaagde] (die vervolgens nogmaals bij exploot van 5 juni 2015 aan [gedaagde] is betekend), het volgende heeft bericht: “Tot mij wendde zich de heer [eiser] , woonachtig te [woonplaats eiser] , met het verzoek zijn belangen te behartigen in de bovengenoemde zaak. Tussen u en cliënt is een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen. Tezamen met cliënt heeft u afgesproken dat op de navolgende manier uitvoering aan de geldleningsovereenkomst zou worden gegeven: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.