RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 5860735 \ CV EXPL 17-3016 Vonnis van de kantonrechter van 9 augustus 2017 in de zaak van: de stichting [naam stichting] h.o.d.n. [eiser], gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gedaagde partij in verzet, gemachtigde GGN Mastering Credit N.V. tegen: [gedaagde] , wonend te [woonplaats] , gedaagde partij, eisende partij in verzet, gemachtigde mr. K.J.C. van Bekkum, Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende: het door de kantonrechter op 15 februari 2017 tussen [eiser] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 5632780 CV EXPL 17-277 de verzetdagvaarding de conclusie van antwoord in verzet de conclusie van repliek in verzet. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Er is een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [gedaagde] bij [eiser] een opleiding zou volgen tot kok. 2.2. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de betaling van het cursusgeld en/of andere bijdragen. 3. Het geschil 3.1. [eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 310,19, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. 3.2. Bij verstekvonnis van 15 februari 2017 is de vordering, behoudens de gevorderde incassokosten en daarmee tot een bedrag van € 261,79, aan [eiser] toegewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.3. [gedaagde] vordert in het verzet te worden ontheven van de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling en dat de vordering van [eiser] alsnog wordt afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen. 4.2. [gedaagde] heeft aan zijn verzet ten grondslag gelegd dat hij op het moment van de totstandkoming van de overeenkomst minderjarig was. Op grond van art. 1:234 jo 3:32 BW betekent dit volgens [gedaagde] dat hij op het moment van die totstandkoming in beginsel handelingsonbekwaam was, zodat er rechtsgeldig geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde] en [eiser] . Kennelijk was [eiser] zich (uiteindelijk) bewust van het feit dat [gedaagde] geen overeenkomst kon aangaan, waarna de vader van [gedaagde] de overeenkomst heeft getekend. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] en onrechte gesteld dat hij van zijn wettelijk vertegenwoordiger toestemming zou hebben gekregen tot het aangaan van de overeenkomst: [gedaagde] werd namelijk door zijn vader gedwongen om de betreffende opleiding te volgen en van het vrijwillig aangaan van de overeenkomst was dan ook geen sprake. Aldus is er sprake van een wilsgebrek en is de rechtshandeling ex art. 3:33 BW niet tot stand gekomen. 4.3. De kantonrechter overweegt als volgt. 4.4. In het onderhavige geval is sprake van een onderwijsovereenkomst: [eiser] heeft een overeenkomst van 27 augustus 2013 in het geding gebracht waaruit volgt dat [gedaagde] door [eiser] zou worden opgeleid tot kok. De overeenkomst is ondertekend door [gedaagde] als leerling en, omdat [gedaagde] (geboren op [geboortedatum] 1996 ) toen nog minderjarig was, ook door S.W. [gedaagde] (de vader van [gedaagde] ; verder: vader) als wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde] . 4.5. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] , doordat de overeenkomst mede is ondertekend door zijn vader, op de voet van het bepaalde in artikel 1:234 lid 1 en 2 BW toestemming van zijn vader als wettelijke vertegenwoordiger heeft gekregen om de onderhavige overeenkomst met [eiser] aan te gaan. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de onderhavige overeenkomst en binnen het kader van die overeenkomst handelingsbekwaam was en de rechtshandeling kon en mocht verrichten en dus - formeel en materieel - partij werd bij die overeenkomst. 4.6. Maar ook als over het vorenstaande anders geoordeeld zou moeten worden treft het verweer van [gedaagde] geen doel en heeft [gedaagde] te gelden als materiële partij. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.7. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7041) overweegt de kantonrechter dat wettelijk vertegenwoordiger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.