(3)appartementen op de vierde en vijfde verdieping, leidt evenmin tot resultaat, omdat verweerder heeft te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Bovendien is de noodzaak van de appartementen (van de 24 of van de 3) niet aan de orde. Belangenafweging
- Eisers hebben betoogd dat de inbreuk op het geldende planologisch regime voor hen groot is. Voor zover het de afwijkingen van de bestemmingsplanregels voor het realiseren van de supermarkt betreft, zijn volgens eisers de gevolgen ingrijpend, met name voor de parkeercapaciteit in het centrum. De supermarkt is immers deels voorzien op de bestemming ‘Verkeer’ waar volgens het bestemmingsplan parkeerruimte was voorzien. Voor zover het de afwijkingen voor het realiseren van de appartementen betreft, gaat het eisers, en met name de eisers die woonachtig zijn in de appartementen van fase 1, om het verrijzen van een 21,25 meter hoge toren op een geringe afstand van 12 meter tegenover hun appartement, terwijl volgens het bestemmingsplan de bouwhoogte beperkt zou blijven tot 10 meter.
- Verweerder is van mening dat de inbreuk op het geldende planologisch regime niet groot is, mede in aanmerking genomen dat, voor zover het gaat om het realiseren van de supermarkt, het totaal van commerciële ruimten van het gehele centrum onder de grens van 12.500 m² blijft die het bestemmingsplan mogelijk maakt, terwijl een deel van het bouwvlak van fase 1 niet bebouwd wordt en wordt betrokken bij de inrichting van de openbare ruimte. Met betrekking tot de overschrijding van de bouwhoogte voor het realiseren van de appartementen heeft verweerder een stedenbouwkundige en architectonische verantwoording gegeven voor het gehele centrumplan waarbij is getracht eenheid te bereiken met massa, volume en hoogte van het bouwplan fase 1 en het multifunctioneel centrum met bovenwoningen in zes etages. Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerpbesluit heeft verweerder alsnog een bezonningsstudie doen opstellen, waarmee in kaart is gebracht wat de gevolgen van de bouwhoogte op de bezonning van de appartementen van fase 1 zijn in vergelijking met hetgeen op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks al mogelijk was. Verweerder heeft op grond van die studie het standpunt ingenomen dat het bouwplan voor fase 2 en met name de bouwhoogte niet, althans niet in overwegende mate, hinder oplevert door schaduwwerking voor omwonenden. Mede in aanmerking genomen dat het gaat om een centrumlocatie waarbij bebouwing op een afstand van 12 meter al in het bestemmingsplan was voorzien tot een bouwhoogte van 10 meter, heeft verweerder het standpunt ingenomen dat realisatie van fase 2 ook in individuele gevallen niet leidt tot een onevenredige benadeling.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit alle relevante belangen voldoende in kaart heeft gebracht en voldoende zorgvuldig heeft afgewogen alvorens te komen tot de thans bestreden omgevingsvergunning voor realisatie van fase
- Dat daarbij is afgeweken van het met vele waarborgen omklede en actuele bestemmingsplan ‘Kern Stein’ leidt op zich nog niet tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met de zorgvuldigheid, rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel tot stand is gekomen. De onderhavige omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan is zorgvuldig voorbereid en voldoende draagkrachtig gemotiveerd om de toets aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur te doorstaan. De rechtskracht van het bestemmingsplan ‘Kern Stein’ gaat niet zover dat gezegd moet worden dat daarvan niet, of niet in deze mate, mag worden afgeweken.
- De aanvankelijke belangenafweging heeft vooral plaatsgevonden met stedenbouwkundige afwegingen, waarbij de integraliteit van het centrumplan voorop heeft gestaan. Die belangenafweging is echter aangevuld met een bezonningsstudie en een meer individuele beoordeling, zodat de afweging van alle betrokken belangen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onevenwichtig moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Slot
- Verweerder heeft dan ook op goede gronden het standpunt ingenomen dat realisering van het in geding zijnde bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat daarvoor een toereikende ruimtelijke onderbouwing aanwezig is.
- Hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
- De conclusie is dat de beroepen ongegrond zijn. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart [eiser 14] en [eiser 2] te Elsloo niet-ontvankelijk in hun beroep; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht in de zaken 17/289, 17/291, 17/292 en 17/293 (in elke zaak ten bedrage van € 168,=) aan de onderscheiden eisers te vergoeden. Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De uitspraak is geschied in het openbaar op 1 september
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: 01 september 2017 Rechtsmiddel Voor partijen staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.