RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/661268-16 Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] , De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.M.L. van Koningsveld, advocaat kantoorhoudende te Oss. Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2017. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk een minderjarige aan het wettig gezag van haar ouders heeft onttrokken. Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. De voorvragen De ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging. Zij heeft daartoe drie argumenten aangevoerd, te weten schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel, schending van de redelijke termijn en het meten met twee maten omdat met de aangifte van verdachte tegen degenen die hem hebben mishandeld door het openbaar ministerie niets is gedaan. Ne bis in idem Op 5 juli 2016 is verdachte onherroepelijk vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] (parketnummer 659298-15). Nu onderhavig feit betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als in de eerdergenoemde strafzaak, is volgens de raadsvrouw sprake van een schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van schending van het ‘ne bis in idem’-beginsel, nu verdachte niet eerder is vervolgd voor onderhavig feit. De ontuchtzaak is geen onderwerp van vervolging, maar kleurt slechts onderhavig feit. Het beginsel van ‘ne bis in idem’ is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Ingevolge het bepaalde in artikel 68, eerste lid, Sr kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland is beslist (hetzelfde feit). Of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het door artikel 68 Sr beschermde belang namelijk verhinderen dat een verdachte ten tweede male wordt vervolgd voor – naar de kern bezien – hetzelfde feit. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ moeten de in beide tenlasteleggingen omschreven feiten worden vergeleken. Daarbij dienen als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken enerzijds de juridische aard van de feiten en anderzijds de gedraging van de verdachte. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in bijzonder wat betreft de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de delictsomschrijvingen strekken en de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld. Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedraging van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. De rechtbank is van oordeel dat de juridische aard van de feiten in het onderhavige geval verschilt. Er bestaat een verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken. De feiten op de tenlastelegging van de ontuchtzaak, te weten de artikelen 245 en 247 Sr, betreffen misdrijven tegen de zeden (Titel XIV Sr) en strekken tot bescherming van een jeugdige tegen het ondergaan van (ernstige) seksuele handelingen. Het feit op de tenlastelegging van onderhavig zaak, te weten artikel 279 Sr, betreft een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid en strekt, hoewel daarmee ook beoogd wordt de minderjarige te beschermen, er primair toe degenen die wettig gezag (of bevoegd toezicht) over een minderjarige uitoefenen in staat te stellen om hun taak te vervullen. Voorts zien beide tenlasteleggingen op verschillende (feitelijke) gedragingen van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is het verschil in aard van de aan de verdachte verweten feiten en in gedragingen dermate groot dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde’ feit in de zin van het ‘ne bis in idem’-beginsel. Dat de eerder aan verdachte verweten seksuele handelingen plaats zouden hebben gevonden tijdens het feit dat hem thans wordt verweten, kan daaraan niet afdoen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. Redelijke termijn De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn zonder goede reden is geschonden. Verdachte is 25 maanden geleden aangehouden en het procesdossier is reeds gereed sinds 30 oktober 2015. Het openbaar ministerie had onderhavig feit kunnen meenemen in de vervolging voor ontucht, aangezien reeds acht maanden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de ontuchtzaak door het openbaar ministerie een vervolging voor onderhavig feit is aangekondigd. Door deze nalatigheid van het openbaar ministerie is verdachte volgens de raadsvrouw benadeeld; hij is onnodig lang in onzekerheid verbleven over de afdoening. De officier van justitie heeft aangevoerd dat tijdens de behandeling van de ontuchtzaak reeds is aangekondigd dat verdachte voor onderhavig feit zal worden gedagvaard. De officier van justitie erkent een schending van de redelijke termijn, hetgeen tot uitdrukking zal komen in haar strafeis. De rechtbank overweegt dat elke verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM recht heeft op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten in beginsel twee jaar nadat de termijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat die termijn in onderhavig geval is gaan lopen op 24 juli 2015, te weten de dag waarop verdachte in onderhavig onderzoek in verzekering is gesteld. Onderhavige zaak werd op 22 augustus 2017 op zitting aangebracht. Uit vorenstaande volgt dat in totaal op de datum van dit vonnis ruim twee jaar en één maand is verstreken sinds 24 juli 2015. Deze vertraging is niet aan verdachte te wijten. Dit betekent dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één maand. De rechtbank acht de mate van overschrijding niet zodanig dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. Opportuniteitsbeginsel De raadsvrouw stelt dat verdachte bij zijn aanhouding ernstig is toegetakeld (naar de rechtbank begrijpt door de ouders dan wel kennissen van de ouders van het slachtoffer). Als de politie niet had ingegrepen had verdachte het volgens zijn raadsvrouw misschien niet meer kunnen navertellen. Verdachte heeft hiervan direct aangifte gedaan. De raadsvrouw acht het kwalijk dat de politie destijds ter plaatse geen aanhoudingen heeft verricht en het openbaar ministerie geen onderzoekshandelingen heeft uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte van verdachte. Degenen die verdachte in elkaar hebben geslagen, gaan hierdoor vrijuit. Volgens de raadsvrouw meet het openbaar ministerie dan ook met twee maten. De officier van justitie heeft aangevoerd dat is geprobeerd de camerabeelden van de vechtpartij te achterhalen. Deze waren echter niet meer beschikbaar. De officier van justitie ziet hierin geen reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie bepaalt welke verdachten zij vervolgt en welke niet (artikel 167 Sv). De zittingsrechter kan een beslissing van het openbaar ministerie om te vervolgen slechts marginaal toetsen. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan pas sprake zijn indien het instellen of voortzetten van een vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Onder de beginselen van goede procesorde valt het gelijkheidsbeginsel, op schending waarvan de raadsvrouw een beroep doet. De stellingen van de raadsvrouw die inhouden dat er onvoldoende onderzoek is gedaan door de politie naar aanleiding van de mishandeling van verdachte, geven de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er een dusdanige schending van het gelijkheidsbeginsel is opgetreden door verdachte wel te vervolgen en de mishandelaars van verdachte niet, dat het vervolgen van verdachte onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. De officier stelt dat er wel onderzoek is verricht naar aanleiding van de aangifte van verdachte, maar dat dit onvoldoende heeft opgeleverd. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. De beoordeling van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat het feit wordt bewezenverklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de twaalfjarige [slachtoffer] heeft gevraagd om in zijn auto te stappen, terwijl haar ouders niet wisten waar zij was. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem heeft gezegd dat ze achttien jaar oud was, maar bij de ontmoeting moet verdachte het verschil van zes jaar hebben opgemerkt. [slachtoffer] is een gevoelig meisje en op die leeftijd zijn meisjes vaak onzeker, waardoor ze beïnvloedbaar zijn. Verdachte heeft daar misbruik van gemaakt. Indien verdachte slechts een praatje wilde maken met [slachtoffer] om haar beter te leren kennen, dan had dat gesprek kunnen plaatsvinden in het openbaar en derhalve in het bijzijn van haar broertje. Door [slachtoffer] in zijn auto mee te nemen, heeft hij haar onttrokken aan het gezag van haar ouders. Vanaf dat moment kon zij niet meer op eigen gelegenheid terugkeren naar haar ouders. Haar ouders waren in paniek en wisten niet waar [slachtoffer] was. Ze zouden er nooit toestemming voor hebben gegeven. Verdachte had uit de context moeten afleiden dat [slachtoffer] jonger was dan achttien jaar; ze moest voor veel dingen toestemming vragen aan haar ouders en voor haar broertje zorgen. Daarbij getuigen de chatgesprekken tussen [slachtoffer] en verdachte van een kinderlijke naïviteit bij [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] ook een eigen aandeel heeft gehad in het gebeuren, laat onverlet dat verdachte invloed op haar heeft uitgeoefend en haar daarmee aan het gezag heeft onttrokken. Ten slotte staat een korte duur van onttrekking een veroordeling niet in de weg. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zowel op de minderjarigheid van [slachtoffer] als op het onttrekken aan het gezag heeft verdachte geen opzet gehad. Verdachte wist niet dat [slachtoffer] geen achttien jaar oud was en het tegendeel kan niet worden aangenomen uitsluitend op basis van de verklaring van [slachtoffer] , hetgeen bovendien een onbetrouwbare verklaring is wegens inconsistenties. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de leeftijd van [slachtoffer] op basis van haar uiterlijk moeilijk is in te schatten. Daarbij kwam zij zeer volwassen over op verdachte in hun chatgesprekken. Nu verdachte ervan overtuigd was dat [slachtoffer] achttien jaar oud was, heeft hij evenmin opzet gehad op het onttrekken van [slachtoffer] aan het gezag. Gezag is immers niet meer van toepassing op een meisje van achttien jaar. Bovendien wist verdachte niet dat de ouders van [slachtoffer] niet op de hoogte waren van hun afspraak. Hij ging ervanuit dat het in orde was. Ten slotte heeft verdachte geen beslissende invloed gehad op de scheiding van [slachtoffer] met haar ouders. Die scheiding was reeds ontstaan op het moment dat [slachtoffer] zelfstandig naar de winkel ging. Vervolgens is zij geheel vrijwillig bij verdachte in de auto gestapt, waardoor zij zichzelf aan het gezag heeft onttrokken. Op initiatief van verdachte zijn verdachte en [slachtoffer] na tien minuten teruggegaan. Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Op 6 oktober 2015 heeft [moeder slachtoffer] , in het bijzijn van haar echtgenoot [vader slachtoffer] , aangifte gedaan van het opzettelijk onttrekken van haar dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , aan het aan haar en haar echtgenoot toekomende ouderlijk gezag over [slachtoffer] . Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat gezien is dat haar dochter – op dat moment 12 jaar oud – in de namiddag van donderdag 23 juli 2015 samen met de verdachte in Roermond in een auto zat. [slachtoffer] is zonder hun medeweten een poosje weggeweest met de verdachte in zijn auto. Op donderdag 23 juli 2015 heeft [slachtoffer] verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij die dag omstreeks 17:45 uur met haar broertje naar het winkelcentrum bij de Donderberg is gegaan. Op een gegeven moment kwam verdachte. Verdachte heeft haar gevraagd of ze met hem naar een rustig plekje wilde. Ze heeft haar broertje achtergelaten in het speeltuintje en is bij verdachte in de auto gestapt. Verdachte reed naar een park en is daar gestopt. Na ongeveer tien minuten heeft ze gezegd dat ze terug wilde naar haar broertje. Verdachte heeft haar daarop teruggebracht naar het winkelcentrum. Zij kende verdachte als ‘ [bijnaam verdachte] ’ en had de verdachte twee dagen geleden toegevoegd op Instagram en haar telefoonnummer gegeven. Verdachte had haar de avond daarvoor rond half twaalf gebeld. Verdachte had gezegd dat hij haar mooi vond en dat hij haar in het echt wilde zien. Die dag had ze ook nog contact met hem gehad via WhatsApp. Hij vroeg haar om af te spreken. Hij wilde naar haar toe komen. Op 30 juli 2015 heeft [slachtoffer] verklaard, zakelijk weergegeven, dat verdachte haar heeft verzocht om hem toe te voegen op Instagram wat ze heeft gedaan. Hij vond haar profielfoto leuk en begon daarom met haar te praten. Haar leeftijd staat niet vermeld bij haar Instagramprofiel. Zij kon niet zien hoe oud verdachte was toen ze hem toevoegde. Verdachte vertelde dat ze mooi was en vroeg haar telefoonnummer om op WhatsApp te kunnen. Daar hebben ze verder gesproken en vroeg verdachte hoe oud ze was. Ze heeft gezegd dat ze veertien jaar oud was. Verdachte zei toen tegen haar dat ze een mooi lichaam had. Ze heeft aan hem gevraagd hoe oud hij was en hij zei dat hij achttien was. Ze had een selfie gemaakt met haar telefoon in de spiegel waarop haar lichaam te zien was. Verdachte zei tegen haar dat hij geil werd als hij haar zag. Hij zei dat zijn plassertje hard was. Hij vroeg haar ook haar borsten te laten zien. Verdachte heeft de dag voordat ze met hem had afgesproken op 22 juli 2015 rond 23:00 uur nog gebeld. Hij zei dat ze haar borsten moest laten zien en dan kon gaan slapen. Dat heeft ze niet gedaan. Ze heeft haar telefoon ingeleverd bij haar moeder en is gaan slapen. Op 23 juli 2015 heeft verdachte haar gezegd dat hij haar graag wilde zien. Zij had gezegd dat dit mogelijk was maar niet die dag omdat ze naar de bioscoop zou gaan en pas rond half zes weer buiten was. Ze zou dan met vriendinnen nog even naar buiten gaan. Verdachte vroeg haar of ze met de trein naar Den Bosch kon komen. Ze had gezegd dat dat niet mogelijk was. Verdachte had gezegd dat ze ook stiekem kon komen. Ze had gezegd dat ze dat niet wilde. Verdachte wilde haar echt heel graag zien. Ze is na de bioscoop met haar broertje naar de winkel gegaan. Ze kreeg toen een bericht van verdachte dat hij ook bij het winkelcentrum stond. In het winkelcentrum kwam een hele lange man naar haar toe die zei dat hij [bijnaam verdachte] was. Ze schrok omdat ze niet had verwacht dat hij zo heel lang was. Verdachte vroeg haar waarom ze haar broertje had meegenomen en of ze met hem mee kon gaan naar de auto. Ze zei dat het goed was om haar broertje naar de speeltuin te brengen. Ze is meegelopen naar de auto en verdachte zei dat ze naar een parkje zouden gaan. Ze vond het eng en weet niet waarom ze is ingestapt. Ze zijn naar een park gereden met gele goalen. Het was ongeveer vijf minuten rijden. Daar hebben ze een tijdje gestaan, ze denkt ongeveer vijf tot tien minuten. Op een gegeven moment heeft ze gezegd dat ze terug wilde naar haar broertje en toen is verdachte naar haar broertje gereden. Van verdachte weet ze alleen dat hij [bijnaam verdachte] heet, achttien jaar oud is en uit Den Bosch komt. De politie heeft onderzoek verricht aan de mobiele telefoon van [slachtoffer] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2015 blijkt dat in de telefoon het mobiele nummer van verdachte is aangetroffen en zijn gebruikers ID’s op Skype en WhatsApp. Er zijn voorts chatberichten en logboekoproepen aangetroffen op WhatsApp tussen (het nummer van) verdachte en (het nummer van) [slachtoffer] tussen 23 juli 2015 1:12:12 en 24 juli 2015 11:30:57. Verdachte schrijft in deze berichten meermalen dat hij [slachtoffer] lief vindt. Hij schrijft onder andere dat hij haar naakt wil zien en haar wil vingeren. Uit de berichten blijkt dat het initiatief om af te spreken van verdachte is uitgegaan. Verdachte heeft [slachtoffer] op 23 juli 2015 onder meer de volgende berichten geschreven: Tijd Partij Beschrijving 11:07:21 Van: verdachte Kan je vanmiddag afspreken 11:07:59 Van: verdachte Na de film 11:08:02 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Hoelaat? 11:08:19 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ik ben pas om 16:30 thuis bby 11:08:23 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Waar? 11:08:35 Van: verdachte Jaa buiten ergens 11:08:41 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ik ga nog met paar klasgenoten chillen 11:08:49 Van: verdachte Maar is kut 11:08:49 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Maar waar wilde je? 11:09:07 Van: verdachte Ja jij kan niet naar mij komen ofwel 11:09:12 Van: verdachte Met trein 11:09:26 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte In den Bosch of roertje 11:09:26 Van: verdachte Niet naar denbosch maar dichter bij 11:09:33 Van: verdachte Dan is voor mij minder lang reizen 11:09:40 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Nee bby ♥ (…) 11:11:22 Van: verdachte Naar Eindhoven 11:11:27 Van: verdachte Ik betaal jou geld wel 11:11:35 Van: verdachte Als je daar stiekem naar toe komt 11:11:45 Van: verdachte Tot hoe laat mag je chillen 11:11:57 Van: verdachte Is 45 min reizen 11:11:58 Van: verdachte Voor jou 11:12:08 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ik kijk wel okeyy bby 11:12:12 Van: verdachte Kom daar dan stiekem heen 11:12:14 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ik beloof nix 11:12:23 Van: verdachte Ben je ooit met de trein gegaan? 11:12:28 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ik mag meestal tot 22:00 11:12:30 Van: verdachte Dan moet je niet gaan chillen met je klasgenoten (…) 11:12:48 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte K kijk bby (…) 11:13:24 Van: verdachte Je krijgt geld van mij 11:13:27 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ja wat gaan we doen dan? (…) 11:36:02 Van: verdachte Ik kan wel naar Roermond komen? 11:36:20 Van: verdachte: Maar dan ben ik in de middag bij joi (…) 11:41:42 Van: [slachtoffer] Naar: verdachte Ja baby die film begint om 14:00 11:41:46 Van: verdachte Jaaa 11:41:52 Van: verdachte Beter ander x 11:41:55 Van: verdachte Doen we afspreken Verdachte heeft op 24 juli 2015 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij [slachtoffer] heeft ontmoet via Instagram. Hij heeft haar daar een bericht gestuurd. Daarna gingen de berichten over en weer en hebben ze telefoonnummers uitgewisseld. Omdat zij vakantie had en hij gisteren toevallig vrij had, hebben ze afgesproken. Ze hebben afgesproken in het winkelcentrum in Roermond. Rond half zes kwam ze eraan en stapte hij uit de auto. Ze had haar broertje bij zich. Hij heeft tegen haar gezegd dat hij niet verwacht had dat ze haar broertje bij zich had en gedacht had met haar alleen te zijn. Hij heeft toen gevraagd of ze haar broertje niet thuis kon brengen zodat ze samen iets konden gaan doen. Toen had ze gezegd dat ze bang was dat ze zelf ook niet meer weg mocht als ze haar broertje naar huis zou brengen. Ze heeft haar broertje in de speeltuin achtergelaten, is bij hem in de auto gestapt en toen zijn ze gaan rondrijden. Als het goed is zijn ze tien à vijftien minuten weggeweest. Toen is hij teruggereden naar het winkelcentrum om terug te gaan naar haar broertje. Verdachte heeft op 26 juli 2015 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij niet veel van [slachtoffer] weet. Hij weet dat ze thuis bij haar vader en moeder woont. Hij heeft tegen haar gezegd dat ze een mooi meisje was. Hij kende haar pas een dag. Overwegingen van de rechtbank Verdachte wordt verweten dat hij de minderjarige [slachtoffer] opzettelijk aan het wettig gezag over haar gesteld gezag heeft onttrokken. Dit is strafbaar gesteld in artikel 279 Sr. Strekking van deze bepaling is degene die wettig gezag (of bevoegd toezicht) over een minderjarige uitoefenen, in staat te stellen hun taak te vervullen. Het is de bedoeling dat op die manier de minderjarige wordt beschermd. Voor een bewezenverklaring moet vast komen staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de minderjarigheid van [slachtoffer] en de wettigheid van het gezag van haar ouders. Voorts zal bewezen moeten worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag. Volgens vaste jurisprudentie kan elk doen verkeren van een minderjarige buiten het wettig gezag vallen onder het onttrekken aan het wettig gesteld gezag als bedoeld in artikel 279 Sr, waarbij ‘wettig over een minderjarige gesteld gezag’ ziet op een toestand die rechtens bestaat. In geval van toestemming is (uiteraard) geen sprake van onttrekking. Van onttrekken is dan ook sprake in geval van het wegvoeren en/of buiten bereik van de gezagsdrager(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.