RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5886691 \ CV EXPL 17-3347 Vonnis van de kantonrechter van 6 september 2017 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eisende partij] KUNSTSTOFFEN B.V., gevestigd te [vestigingsplaats eisende partij] , eisende partij, gemachtigde mr. P.J.G.G. Sluyter, tegen: [gedaagde partij] , h.o.d.n. [A], wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, procederende in persoon. Partijen worden verder in dit vonnis aangeduid als [eisende partij] en [gedaagde partij] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eisende partij] heeft aan [gedaagde partij] goederen geleverd en daarvoor gefactureerd. Het gaat in deze procedure om de navolgende facturen: H0006043 d.d. 5 april 2016 € 2.005,20 H0006991 d.d. 9 juni 2016 € 1.923,10 H0007870 d.d. 29 juli 2016 € 1.861,31 H0008006 d.d. 22 augustus 2016 € 1.177,15 2.
- De betreffende facturen hebben een vervaltermijn van telkens 30 dagen na factuurdatum. 2.
- [gedaagde partij] heeft de facturen onbetaald gelaten. 3Het geschil 3.
- [eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 7.690,10 terzake hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [gedaagde partij] voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [eisende partij] vordert in deze procedure betaling van een viertal openstaande facturen. 4.
- [gedaagde partij] heeft deze facturen onbetaald gelaten, zich daarbij op het standpunt stellend, dat de aan de facturen ten grondslag liggende leverbonnen/pakbonnen niet door hem zijn geaccordeerd, niet getekend zijn of niet meegezonden zijn. [gedaagde partij] voert daarbij aan dat hij derhalve in de onmogelijkheid verkeert te controleren of de leveringen compleet en juist zijn geweest. Daarnaast stelt [gedaagde partij] dat [eisende partij] nog bedragen moet crediteren. 4.
- De kantonrechter overweegt het navolgende. 4.
- Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat [eisende partij] op 2 november 2016 de aan de leveranties en facturen liggende pakbonnen per mail aan [gedaagde partij] ter controle heeft toegezonden. [gedaagde partij] maakt daarop op 3 november 2016 een opmerking omtrent een te crediteren bedrag – de Tricel goudzeep is ten onrechte gefactureerd – en geeft voorts aan [eisende partij] aan dat hij nog tijd nodig heeft om nader onderzoek te doen. Vervolgens blijkt niet dat [gedaagde partij] bij het nader door hem te verrichten onderzoek voortvarend te werk gaat. [gedaagde partij] reageert niet meer en voor [eisende partij] blijft onduidelijk wat de reden is dat [gedaagde partij] de facturen onbetaald laat. [eisende partij] ziet zich dan ook genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] op grond van het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is om binnen bekwame tijd zijn bezwaren tegen de facturen aan [eisende partij] kenbaar te maken. Uit niets blijkt dat [gedaagde partij] na ontvangst van de facturen per omgaande daartegen heeft geprotesteerd en genuanceerd aan [eisende partij] heeft aangegeven op welke onderdelen de facturen niet correct zouden zijn. 4.
- [gedaagde partij] komt bij antwoord aanvankelijk niet verder dan de ongefundeerde, niet onderbouwde, stelling dat het bij [eisende partij] sinds een personeelswisseling een zooitje is. Daarnaast voert [gedaagde partij] aan dat leveringsbonnen niet allemaal zijn ondertekend en voor hem niet te controleren zijn dan wel dat wellicht niet bevoegde personen pakbonnen hebben afgetekend, nu de handtekeningen daarop bij [gedaagde partij] onbekend zijn. Niet gebleken is dat [gedaagde partij] dit verweer eerder heeft gevoerd en ook op dit punt is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] daarmee niet heeft voldaan aan de verplichting zoals die is neergelegd in artikel 6:89 BW. Bovendien laat [gedaagde partij] de stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij] andere facturen met eenzelfde voor hem onbekende handtekening wel heeft betaald,onweersproken. 4.
- De kantonrechter is van oordeel dat de verwijten die [gedaagde partij] aan het adres van [eisende partij] maakt niet althans in onvoldoende mate komen vast te staan. Daarnaast heeft [gedaagde partij] zijn standpunt dat [eisende partij] gehouden is crediteringen jegens hem te doen niet althans onvoldoende onderbouwd. [eisende partij] betwist de stellingen van [gedaagde partij] op dit punt nadrukkelijk, met uitzondering van de creditfactuur levering [X] (productie 8 bij conclusie van repliek). De afspraak waarop [gedaagde partij] zich beroept – en de in dat verband overgelegde verklaring van de heer [Y] – wordt eveneens door [eisende partij] betwist en deze komt dan ook niet in rechte vast te staan. [gedaagde partij] kan zich daarop niet met succes beroepen. Daarnaast had het [gedaagde partij] vrij gestaan om bij conclusie van antwoord een reconventionele vordering in te dienen. [gedaagde partij] heeft van deze processuele mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat de vordering aan [eisende partij] moet worden toegewezen. 4.
- De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering. 4.
- [gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op: dagvaarding € 85,65 griffierecht 470,00 salaris gemachtigde 500,00 ( 2 x tarief € 250,00) totaal € 1.055,
- 4.
- De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 7.690,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de onbetaalde factuurbedragen vanaf de vervaldatum van de desbetreffende facturen tot aan de voldoening alsmede over een bedrag van € 723,34 vanaf 4 april 2017 tot aan de voldoening, 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 1.055,65, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken. type: ph coll: