vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/195533 / HA ZA 14-512 Vonnis van 8 februari 2017 in de zaak van 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN, zetelend te 's-Gravenhage, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE LIMBURG, zetelend te Maastricht, eiseressen, advocaat mr. G.J. van Midden, tegen 1. de vennootschap naar Duits recht GEBR. [X] GBR, gevestigd te [vestigingsplaats X] , [vestigingsland X] , 2. [de heer X], wonende te [woonplaats de heer X] gedaagden, advocaat mr. E.F.M. van Loo. Eisers zullen hierna BBL c.s. genoemd worden en BBL en de provincie afzonderlijk. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [X c.s.] genoemd worden en [vennootschap X] en de heer [de heer X] afzonderlijk. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 22 juli 2015 en de daarin genoemde stukken de akte houdende producties 29 tot en met 35 van [X c.s.] de conclusie van repliek de conclusie van dupliek inclusief producties 36 tot en met 38 het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Het landgoed “Welsmeer” (hierna het landgoed) is een landgoed, gelegen in de gemeente Bergen (Limburg), van 380 hectare groot, waarvan 40 hectare bosgebied en 240 hectare landbouwgebied. 2.2. [X c.s.] is een teler van graszoden die geschikt zijn voor de aanleg en vervanging van voetbalvelden in grote accommodaties van betaalde voetbalorganisaties (in onder andere in Nederland, Duitsland, Denemarken Verenigd Koninkrijk, Polen, Tsjechië, Luxemburg, Oostenrijk, Spanje en Portugal). 2.3. Voor de teelt van de graszoden pacht [X c.s.] sinds 1991 circa 112 hectare grond op het landgoed, telkens op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten voor de duur van één jaar. [X c.s.] heeft in 2008 aan de toenmalige eigenaar kenbaar gemaakt dat zij geïnteresseerd was om delen van het landgoed te kopen. 2.4. BBL heeft het landgoed medio 2009 in opdracht van de provincie gekocht van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid/Landgoed Wellsmeer B.V. 2.5. BBL is juridisch eigenaar van het landgoed, maar haar beschikkingsbevoegdheid is afhankelijk van de instructies van haar opdrachtgever, zijnde de provincie. 2.6. Het doel van de aankoop van het landgoed was om zogeheten “inplaatsingslocaties” te creëren. Deze inplaatsingslocaties dienen ertoe ruimte te bieden aan landbouwbedrijven die (onder meer) vanwege het realiseren van natuurontwikkelingsprojecten in het kader van de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) hun oude locaties hebben moeten verlaten. 2.7. Uiteindelijk is het landgoed niet gebruikt als inplaatsingslocatie. De provincie wil daarom het landgoed weer verkopen en heeft daarover met verschillende geïnteresseerde partijen gesproken. 2.8. Tot de geïnteresseerde partijen behoren [X c.s.] en [A] Graszoden B.V. te [vestigingsplaats A] (hierna [A] ). [A] is ook een onderneming die zich bezighoudt met het telen en aanleggen van graszoden voor sportvelden en stadions. [A] heeft eind 2010 aan de provincie kenbaar gemaakt dat zij het landgoed in het geheel wil kopen. 2.9. Toen [X c.s.] vernam dat de provincie gesprekken voerde met [A] over de verkoop van het landgoed heeft zij ook bij brief van 22 oktober 2011 jegens de provincie kenbaar gemaakt dat ook zij geïnteresseerd was in de koop van het landgoed, althans de voor de teelt van graszoden benodigde delen. Later heeft [X c.s.] bij brief van 23 november 2011 samen met een andere pachter, te weten [B] Groenteverwerking B.V. opnieuw kenbaar gemaakt dat zij wilden worden betrokken bij de onderhandelingen omtrent de verkoop van het landgoed. Zij spraken daarbij de bereidheid uit een bod te doen op een deel, dan wel (gezamenlijk) het gehele landgoed. 2.10. Op 3 februari 2012 vond een overleg plaats tussen [X c.s.] en de provincie. 2.11. Op 21 april 2012 vond overleg plaats tussen [X c.s.] en [A] . 2.12. Bij brief van 26 april 2012 heeft [X c.s.] aan de provincie een nadere juridische onderbouwing gegeven van haar bezwaren tegen de lopende onderhandelingen met [A] . 2.13. Vervolgens hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de betrokken partijen om tot een bevredigende oplossing te komen voor alle partijen, hetgeen niet is gelukt. 2.14. Tegen voornoemde achtergrond heeft de provincie vervolgens besloten de onderhandelingen met [A] af te breken en over te gaan tot een openbare verkoop van het gehele landgoed, waarbij alle geïnteresseerden de gelegenheid wordt geboden het landgoed in eigendom te verwerven. De provincie heeft [A] en [X c.s.] bij brieven van 20 december 2012 en 5 februari 2012 geïnformeerd. 2.15. [A] was het er niet mee eens dat de provincie de gesprekken afbrak en over wilde gaan tot openbare verkoop en heeft vervolgens een kort geding tegen de gemeente aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de onderhandelingen nog niet in een dermate vergevorderd stadium waren dat [A] erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Evenmin was gebleken van omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakten. 2.16. Vervolgens is de provincie voorbereidingen gaan treffen voor een openbare verkoop van het landgoed in één geheel. [X c.s.] blijft zich daartegen verzetten. 2.17. Op verzoek van de provincie heeft [A] inmiddels kenbaar gemaakt niet in rechte te zullen opkomen tegen de openbare verkoop van het landgoed in één geheel. [X c.s.] heeft bij brief van 19 mei 2014 kenbaar gemaakt dat zij terzake alle rechten en weren voorbehoudt. 3Het geschil 3.1. BBL c.s. vordert samengevat na wijziging van eis: I een verklaring voor recht dat BBL en de provincie gerechtigd zijn om het landgoed door middel van een openbare biedprocedure in het geheel te verkopen; II hoofdelijke veroordeling van [vennootschap X] en de heer [de heer X] in de proceskosten, vermeerderd met rente. III de nakosten. 3.2. [X c.s.] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vooreerst overweegt de rechtbank dat in de dagvaarding sprake is van een kennelijke verschrijving van de naam van gedaagde sub 2. Partijen zijn het erover eens dat [de heer X] in rechte is betrokken (en niet [C] ), zodat [de heer X] ook in de kop van dit vonnis is vermeld. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen als niet weersproken (en zelfs als uitdrukkelijk erkend) vast staat dat BBL c.s. gerechtigd is om het landgoed door middel van een openbare biedprocedure te verkopen. Kern van het geschil is de vraag of BBL c.s. door deze openbare biedprocedure te starten en het landgoed in zijn geheel te verkopen, in strijd handelt met enige door [X c.s.] aangevoerde norm. BBL c.s. stelt dat zij juist omwille van de zorgvuldigheid en in het belang van [X c.s.] heeft besloten om het landgoed niet onderhands maar openbaar te verkopen. Zij stelt dat zij als eigenaar gerechtigd is te bepalen op welke wijze dit gebeurd. Zij stelt dat zij niet gehouden is om het landgoed te verdelen in verschillende percelen, danwel de percelen die [X c.s.] momenteel pacht als apart “lot” in de markt te zetten, dan wel onderhands aan haar te verkopen. 4.3. [X c.s.] stelt dat de handelwijze van BBL c.s. strijdig is met de volgende normen: I primair strijd met het beginsel van Unietrouw (Artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende Europese Unie (hierna VEU)), II subsidiair schending van het evenredigheidsbeginsel, III meer subsidiair schending van het beginsel van égalite devant les charges publiques 4.4. Waar partijen over van mening verschillen is de vraag of BBL c.s. verplicht is om vóórafgaande aan de openbare verkoop te onderzoeken wat het effect is van haar handelen op Europeesrechtelijke normen (in casu mededingingsrechtelijke normen) en die effecten in haar overwegingen omtrent de wijze van verkoop (verkoop in het geheel of in delen) te betrekken. Volgens [X c.s.] dient de overheid, indien zij een keuze heeft uit meerdere alternatieven die ieder afzonderlijk in gelijke mate geschikt zijn om het door de overheid beoogde doel te bereiken, het alternatief te kiezen dat de grensoverschrijdende mededinging (of een andere Europeesrechtelijke norm) binnen de interne markt het minst verstoort. Een en ander vloeit volgens [X c.s.] voort uit het beginsel van Unietrouw. [X c.s.] stelt primair dat BBL c.s. het hiervoor bedoelde onderzoek niet heeft verricht en vasthoudt aan een alternatief dat de concurrentie het meest vergaand verstoord, waardoor zij in strijd handelt met het beginsel van Unietrouw artikel 4 lid 3 VEU. 4.5. Artikel 4 lid 3 VEU luidt als volgt: “Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.” 4.6. Artikel 102 VwEU luidt als volgt: “Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in: a. het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden; b. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers; c. het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; d. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.” 4.7. De rechtbank is van oordeel dat het beginsel van Unietrouw, zoals vastgelegd in artikel 4 lid 3 VEU geen zelfstandige norm betreft waaraan de (decentrale) overheid vóóraf (voordat zij handelt in welke hoedanigheid dan ook) dient te toetsen. In het VEU staan de doelstellingen opgeschreven die de Europese Unie na probeert te streven. Het beginsel van Unietrouw, ook wel loyaliteitsbeginsel genoemd, verwijst naar deze doelstellingen. Het houdt in dat lidstaten (de decentrale overheden) geen maatregelen mogen nemen die de doelstellingen van de Unie in de weg staan. Lidstaten mogen door het loyaliteitsbeginsel niet handelen tegen al het Unierecht, zoals Verdragen en secundaire wetgeving. Indien zelfstandige betekenis zou worden toegekend aan het beginsel van Unietrouw dan zou dat een onmogelijk taak opleveren voor (decentrale) overheden om voorafgaande aan elk privaatrechtelijk en/of publiekrechtelijk optreden te onderzoeken of dàt optreden tot gevolg heeft dat een (rechts)persoon (wie dan ook) een Europeesrechtelijke norm (hoe breed ook: milieunormen, normen op gebied van intellectuele eigendom, normen op gebied van mededinging, normen op gebied van mensenrechten etcetera) kàn overtreden. Dat elk mogelijk scenario zou moeten worden onderzocht voordat de overheid zou handelen gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver, alleen al omdat nooit een situatie bestaat dat alle (rechts)personen, die mogelijk een norm zouden kunnen overtreden, in beeld zijn bij die overheid, laat staan dat op voorhand met zekerheid kan worden vastgesteld dat die (rechts)persoon door het overheidshandelen een Europeesrechtelijke norm ook daadwerkelijk zullen schenden (nog daargelaten de vraag of de overheid überhaupt invloed heeft op de gedragingen van die (rechts)persoon). 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank komt in geen van de door [X c.s.] aangehaalde jurisprudentie naar voren dat een lidstaat (althans de decentrale overheden) gehouden is om bij elk overheidshandelen (noch publiekrechtelijk, noch privaatrechtelijk) vooraf rekening dient te houden met een mogelijke schending van de doelen van de Europese Unie door wie dan ook. Naar het oordeel van de rechtbank dient derhalve allereerst sprake te zijn van schending van een Europese norm en pas daarna kan getoetst worden of de betrokken lidstaat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van Unietrouw, doordat zij bijvoorbeeld op de hoogte was van de schending of zelfs mee heeft geholpen aan de schending. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit een en ander reeds voort uit het doel van het VEU en de aard van het ruime beginsel van Unietrouw. 4.9. De rechtbank ziet in het voorgaande ook geen aanleiding om een prejudiciële beslissing te vragen aan het HvJ, zoals is verzocht door [X c.s.] 4.10. [X c.s.] heeft uitdrukkelijk erkend dat [A] op dit moment geen machtspositie heeft in de zin van artikel 102 VwEU en zij heeft uitdrukkelijk niet betoogd: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.