RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB 18/2199 en AWB 18/2200 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [Naam] , te [plaatsnaam], eiser (gemachtigden: mr. M. Peeters en mr. R. Obers), en het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder (gemachtigde: mr. I.M.P.P. Brassé). Procesverloop Eiser heeft bij schrijven van 18 september 2018, bij de rechtbank ingekomen op 19 september 2018, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhavend op te treden tegen de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille te Meijel. Bij schrijven van 19 september 2018, bij de rechtbank ingekomen op 19 september 2018, heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van drs. J.G. Willems, toezichthouder bij de Provincie Limburg. Overwegingen 1. Bij brief van 12 juli 2018 heeft eiser aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas verzocht (preventief) handhavend op te treden tegen het bouwen van recreatiewoningen op recreatiepark De Stille Wille. Bij brief van 4 september 2018 heeft eiser het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas verzocht handhavend op te treden tegen de bomenkap op recreatiepark De Stille Wille. 2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas heeft het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap doorgezonden aan verweerder. Het verzoek is op 28 september 2018 door verweerder ontvangen. 3. Eiser heeft op 19 september 2018 beroep ingesteld en op dezelfde datum aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt primair een voorlopige voorziening te treffen waarbij het kappen van bomen en het bouwen van recreatiewoningen wordt stilgelegd en subsidiair een andere passende voorziening te treffen. 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet alleen ziet op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap, maar ook op het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het beroepschrift weliswaar melding maakt van het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen, maar dat eiser de daarin gestelde overschrijding van de beslistermijn slechts relateert aan het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap. Dit betekent dat geen hoofdzaak loopt tegen het in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening vermelde niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van het bouwen van recreatiewoningen. Daarom ontbreekt de voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van laatstgenoemd handhavingsverzoek noodzakelijke materiële connexiteit. Dat eiser, naar hij ter zitting stelde, in zijn beleving het bouwen van de recreatiewoningen en het kappen van bomen als één project beschouwt, leidt niet tot een ander oordeel, nu het verschillende activiteiten betreft met eigen beoordelingskaders en afzonderlijke verantwoordelijke bestuursorganen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het niet tijdig beslissen op dat handhavingsverzoek dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. 5. Wat betreft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek ten aanzien van de bomenkap is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 6Ten aanzien van het beroep overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 7. Op grond van artikel 6:12 van de Awb, voor zover hier van belang, kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit een beroepschrift worden ingediend zodra (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.